Irina Ratoesjinskaja: uniek chroniqueur van een post-stalinistisch vrouwenkamp.

——————

DgeXgVVX4AAcwBF.jpg

——————-

Wie van de huidige lichting studenten Russisch of Ruslandkunde weet wat чифир/tsjifir is? Ik vermoed dat het woord minder bekend is dan in de tijd dat ik mij op het Instituut voor Slavische Taal- en Letterkunde aan de Zuilenstraat in Utrecht probeerde te bekwamen in het Russisch. We hebben het dan over de tweede helft van de jaren zeventig.

Tsjifir kwam je vroeg of laat tegen in de boeken die dissidenten schreven over hun ervaringen in de werkkampen van de USSR, waar zij soms jaren doorbrachten, al dan niet te midden van ‘gewone’ misdadigers. Andrej Amalrik, Vladimir Boekovski, Irina Ratoesjinskaja, het waren namen die geen toelichting behoefden. Maar tegenwoordig? Zijn zij nog gekend? Worden hun boeken nog gelezen?

Ik vroeg me dat af, terwijl ik bezig was in een het boek Sery – tsvet nadezjdy / Grijs is de kleur van de hoop*) van dichteres Ratoesjinskaja, en ook toen onlangs het bericht kwam dat Boekovski was overleden. Op de site van NRC-Handelsblad kreeg hij aanvankelijk de verkeerde voornaam: Charles. Het leek me symbolisch voor de vergetelheid die de dissidenten ten deel is gevallen. Ongetwijfeld – ik heb het niet gecheckt – stond Boekovski ooit op de voorpagina van dezelfde krant. Zijn vrijlating, in 1976, was wereldnieuws.

Het was een raar toeval; nog geen dag nadat ik had gehoord van Boekovski’s overlijden kwam ik zijn naam tegen in het boek van Ratoesjinskaja, de dissidente met een weinig begerenswaardig record: geen andere vrouw werd zo zwaar gestraft voor “anti-Sovjet-agitatie en -propaganda”, volgens artikel 70 uit het Sovjet-Wetboek van Strafrecht. In 1983 kreeg ze zeven jaar kamp met streng regime aan de broek, met daarna vijf jaar verbanning; zeven + vijf, zoals de dissidenten dat zelf laconiek noemden. Haar voornaamste misdaad: het schrijven en verspreiden van “lasterlijke documenten in dichtvorm”. Twee typemachines werden “als instrument van misdadige activiteit” in beslag genomen.

Ratoesjinskaja (1954-2017) belandde via het doorvoerkamp van Potma in een kamp in Barasjevo (in de deelrepubliek Mordovië), in een speciale, kleine afdeling voor vrouwelijke politieke gevangenen. Dat haar straf onder partijleider Michail Gorbatsjov uiteindelijk flink bekort zou worden, wist zij op dat moment uiteraard niet. Sterker nog, begin 1984 wordt een  artikel aan het Wetboek van Strafrecht toegevoegd, waarmee overtreding van de kampregels bestraft kan worden met een verlenging van de opsluiting. Vanaf dat moment hangt haar permanent een oneindig verblijf achter prikkeldraad boven het hoofd. 

Ratoesjinskaja deelt in Barasjevo een barak met zo’n tien andere vrouwen. De moed en standvastigheid die zij tonen tegenover de kampleiding en de KGB is indrukwekkend. Voortdurend verzetten zij zich compromisloos tegen alles wat zij als onrechtvaardig en onwettig beschouwen – en achter het prikkeldraad van een Russisch  kamp is dat nogal wat. Zo weigeren ze, om maar een kleinigheid te noemen, badges met hun naam te dragen. Er is geen enkele wet die hen daartoe verplicht en ze zien het als een vernedering. De leiding reageert met bijna routinematig opgelegde sancties en de verblijven in strafcellen volgen elkaar in hoog tempo op. De vrouwen reageren daar weer op met hongerstakingen (ook wanneer een barakgenote naar de strafcel moet), en ook die stakingen zijn aan de orde van de dag. Vijftien etmalen in een strafcel, in combinatie met een hongerstaking, met ongedierte, bij strenge vorst, met barsten in de ramen en een haperende verwarming (Ratoesjinskaja beschrijft hoe ze, in dunne gevangeniskleding, op de vloer ligt, de verwarmingsbuis omklemd om maar iets van warmte te voelen) – het is moeilijk voorstelbaar. In totaal brengt ze 331 dagen in zo’n strafcel door.

De onverzettelijkheid die makkelijk tot de fysieke ondergang had kunnen leiden, was, paradoxaal genoeg, het voornaamste middel van gevangenen als Ratoesjinskaja om overeind te blijven. “Wanneer een hond over een stok springt, wordt die stok gaandeweg steeds hoger gehouden”, schrijft ze over haar verhouding met de KGB. Wie zich verlaagt tot een compromis, lijdt een morele nederlaag die pijnlijker is en moeilijker te verdragen dan lichamelijke ontberingen. Onderga alle vernederingen stoïcijns, laat geen haat toe. “Geloof niks, vrees niks, vraag om niks”, dat credo van Russische gevangenen, ook genoemd door Aleksandr Solzjenitsyn en Varlam Sjalamov, was voor Ratoesjinskaja een ijzeren richtlijn tijdens haar verblijf in Barasjevo.

De barak van Ratoesjinskaja en haar lotgenotes was afgescheiden van de rest van het kamp, maar er is genoeg contact voor haar om een beeld te krijgen van het bestaan van de gewone gevangenen. Veel kampjargon komt voorbij en zo ook tsjifir: ongenadig sterke thee met een geestverruimende werking. De benodigde hoeveelheid losse thee was alleen betaalbaar voor wie voldoende geld het kamp binnen kon (laten) smokkelen. Ook in omgekeerde richting was er verkeer mogelijk. Ratoesjinskaja weet steeds weer informatie naar buiten te krijgen over haar fysieke toestand, over de hongerstakingen en de strafcellen. Ook gedichten vinden hun weg naar de buitenwereld. Tot woede van de KGB, die het vermoeden krijgt dat er in de barak een geheime zender verborgen moet zitten. Om niemand in gevaar te brengen vermeldt Ratoesjinskaja niet hoe haar smokkelroute werkte en van wie ze daarbij hulp kreeg.

2747560_detail.jpg

Er zijn lichtpuntjes tijdens de kampjaren, zoals de solidariteit van de barakgenotes en ook de steun die al dan niet heimelijk komt van gevangenen elders in het kamp. Wanneer de leiding weer eens een sanctie heeft bedacht en een aantal vrouwelijke gevangenen heeft opgetrommeld om het simpele moestuintje naast de barak van de ‘politieken’ te vertrappen, weigert een van hen dat. Ook de bewaking toont zich af en toe betrokken. Zo kan tijdens een transport een beschreven papiertje in de zak verdwijnen van een soldaat, om uiteindelijk bij Ratoesjinkaja’s echtgenoot in Kiev te belanden.         

De berichten uit het kamp vormden een belangrijke voeding voor protesten her en der in de wereld tegen de harde onderdrukking van andersdenkenden in de USSR. Ratoesjinskaja laat er geen twijfel over bestaan dat die protesten letterlijk van levensbelang zijn geweest. De internationale druk draagt bij aan haar vervroegde vrijlating op 9 oktober 1986, twee dagen voor de topontmoeting van partijleider Gorbatsjov en president Reagan in Reykjavik. Ratoesjinskaja verbleef sinds 1987 (het jaar waarin haar het Sovjet-staatsburgerschap werd ontnomen) in de Verenigde Staten en Engeland. Ruim tien jaar later kreeg ze het Russische staatsburgerschap terug en verhuisde ze met haar man en twee kinderen naar Moskou. Daar overleed ze in 2017.   

 ————————-

*) Grijs is de kleur van de hoop verscheen eind jaren tachtig buiten de USSR en werd in vele talen vertaald – ook in het Nederlands, door Margriet Berg en Marja Wiebes. Begin dit jaar verscheen het voor het eerst in Rusland. Het is het enige boek over een kamp met streng regime voor vrouwelijke politieke gevangenen in de post-stalinistische USSR. De nieuwe Russische uitgave bevat naast de kampherinneringen ook gedichten, documenten over haar strafzaak, informatie over haar medegevangenen en een nawoord van haar echtgenoot.

Zjeleznodorozjny – waar Anna Karenina en Venitsjka elkaar ontmoeten

————————

Sophie  Marceau als Anna Karenina (1997)

Sophie Marceau als Anna Karenina (1997)

We beginnen vandaag met een taalkundige kwestie. Dit stukje gaat over een stadje niet ver van Moskou, luisterend naar de naam Zjeleznodorozjny. Een plaatsnaam vertalen is zelden nodig, maar ik wil het hier toch. Hoe vertaal je dan Zjeleznodorozjny? Het is een bijvoeglijk naamwoord, gevormd van de twee Russische woorden die samen spoorweg betekenen: zjeleznaja doroga (letterlijk: ijzeren weg). Lastig is nu dat het Nederlands geen bijvoeglijk naamwoord heeft dat is afgeleid van spoorweg. Dat had natuurlijk spoorweeglijk of spoorbaanlijk moeten worden, of spoorlijk, maar die woorden hebben om onduidelijke reden, in de tijd dat de trein zijn intrede deed in ons land, hun weg naar het Nederlands niet gevonden, en men heeft het er verder maar bij gelaten. Dus zitten we nu met samenstellingen als spoorwegstation, spoorwegmuseum en spoorwegovergang – en kan de naam van het stadje Zjeleznodorozjny alleen via een omweggetje naar het Nederlands worden omgezet. Er moet een zelfstandig naamwoord bij. Dat wordt dan Spoorstad of Spoorwegstad. En het aardige is nu, dat de stad zijn (geringe) bekendheid toevalligerwijs te danken heeft aan gebeurtenissen die zich ooit hebben afgespeeld op het spoor – en op papier.

Zjeleznodorozjny heette trouwens niet altijd Zjeleznodorozjny, het stadje had eerder een naam waar het zich een beetje voor schaamde, maar daarover straks meer. Eerst wil ik het geweldige stadslied laten horen, de reden waarom ik mijn oog op het stadje liet vallen. En ik wil er wat onder verwedden dat u, net als ik, na het beluisteren van dat lied zegt: ik wil naar Zjeleznodorozjny! Spoorstad, niet ver van Moskou, ik heb mijn hart aan jou verpand! Met zo’n lied, ter ere van jou geschreven, moet het leven met jou, bij jou, in jou, wel groots en meeslepend zijn!

 

… Maar eigenlijk had ik al gewaarschuwd kunnen zijn. De tekst van het liedje is bijzonder braaf, over hoe mooi, gezellig en rustig het is in de stad. En dat ‘filmpje’ hierboven, met dat stadslied, staat stil… Er is helemaal niets op te zien! Nu wil ik niet zeggen dat er in heel Spoorstad niks te zien is, maar nader onderzoek naar het stadje waar ik zo plots mijn hart aan had verpand, leverde ontnuchterend weinig op. Kijkt u even naar dit filmpje. De beelden zijn niet echt scherp, maar duidelijk genoeg.


Toch geniet Zjeleznodorzjny/Spoorstad enige bekendheid, maar dat is slechts onder lezers van Russische literatuur. Ik moet toegeven dat bij mij niet meteen een belletje ging rinkelen, maar toen ik las dat de stad aan de zogeheten Gorki-spoorlijn ligt, en dat je er met een treintje kan komen vanaf het Moskouse Koersk Station, dacht ik: wacht even … Komt Venitjska daar niet langs in zijn boemeltrein? Venitsjka, die sympathieke, permanent in hogere sferen verkerende zuipschuit uit Moskva-Petoesjki, het boek van Venedikt Jerofejev? En jawel hoor. In dat boek dragen de hoofdstukken de namen van de stations die voorbij worden gereden. En zo komen we in Moskva-Petoesjki ook Zjeleznodorzjnaja tegen, het station van de stad Zjeleznorozjny. (Waarom de namen van station en stad verschillend worden geschreven, leg ik een andere keer wel uit).

venedikt_erofeev_moskvapetushki1.jpg

En daar blijft het niet bij. Zjeleznodorozjny telt dertien wijken en twee daarvan worden ook genoemd in Moskva-Petoesjki: Koetsjino en Koepavna. Die twee wijken hebben een eigen station en ook daar rijdt Venitskja voorbij! Terwijl hij druk doende is zich een delirium te drinken, wijdt hij verder helaas geen woord aan Zjeleznodorozjny met zijn drie stations, wat dan weer een beetje afbreuk doet aan de literaire faam van de stad. En die faam kreeg eerder al een behoorlijke knauw…

Want wie weet tegenwoordig nog dat niemand minder dan Anna Karenina zich juist in Zjeleznodorozjny voor de trein wierp? In de tijd dat Lev Tolstoj zijn befaamde roman schreef, heette het stadje alleen anders, en wel: Obiralovka. Die naam verdween in 1939 van de bordjes, wat wel begrijpelijk is, want Obiralovka betekent zo veel als plundering of beroving. Maar met die naamsverandering, hoe begrijpelijk ook, werd wel de link doorgesneden tussen het stadje en een van de bekendste personages uit de Russische literatuur.          

Ik gun Zjeleznodorozjny, alleen al vanwege dat stadslied, het allerbeste. Hoe brengen we wat meer leven in de brouwerij daar? Hoe krijgen we bijvoorbeeld wat meer toeristen naar de stad? Is het misschien een idee om de literaire faam van Zjeleznodorozjny weer wat op te poetsen, door een regel over Anna en Venitsjka toe te voegen aan dat lied? Of beter nog: vereeuwig beiden in een standbeeld! Het stationsplein lijkt me daarvoor de aangewezen plek. Zet ze samen op een bankje, Anna elegant met een voile, Venitsjka met zijn koffertje, verwikkeld in een goed gesprek. Et voilà! Een toeristische trekpleister van heb ik jou daar, volgens mij

Het stationsplein van Zjeleznodorozjny, waar Anna en Venitsjka elkaar ooit gaan ontmoeten

Het stationsplein van Zjeleznodorozjny, waar Anna en Venitsjka elkaar ooit gaan ontmoeten

———————-

(De oplettende lezer heeft misschien opgemerkt dat het tweede filmpje hierboven als titel heeft: Zjeleznodorozjny de stad die niet bestaat. Ik wilde er niet te veel nadruk op leggen, maar onvermeld laten kan ook niet: in 2015 is Zjeleznodorozjny opgegaan in Balasjicha. Oftewel: als zelfstandige stad bestaat Zjeleznodorozjny niet meer.)

Zangeres Trea Dobbs - de Nederlandse link in Moskva-Petoesjki

—————-

De stap van Venedikt Jerefojev, de grootste drinkebroer uit de Russische literatuur, naar Trea Dobbs, is minder groot dan u vermoedelijk denkt. Trea Dobbs? Voor mijn wat jongere lezeres: zij was een gewaardeerd zangeres, had een redelijk gevarieerd repertoire, maar wordt, tot haar eigen ergernis, vooral herinnerd door dat ene nummer uit 1965: Ploem ploem jenka. Sorry, Trea, maar ook ik begin er hier weer over.

Recent mocht ik op uitnodiging van Judith Janssen een lezing geven tijdens een studiedag van HOVO (Hoger Onderwijs Voor Ouderen). Thema van de dag was: De Rus en zijn roes. Vragen die aan bod kwamen, waren onder meer: Waarom drinken Russen zo veel wodka? Hóe drinken ze dat precies en met wat voor rituelen gaat dat gepaard? Veel van die vragen werden beantwoord door de twee andere sprekers, Judith en Edwin Trommelen (van hem verschijnt binnen afzienbare tijd een boek over wodkafles-etiketten). Ik was gevraagd om een uurtje te praten over het boek Moskva-Petoesjki van Venedikt Jerofejev, het meest van alcohol doordrenkte boek uit de Russische literatuur. In Nederland verscheen het onder de titel Moskou op sterk water.

Ik had aanvankelijk enige bedenkingen bij mijn onderwerp. Het was lang geleden dat ik Moskva-Petoesjki had gelezen en ik herinnerde me er niet bijzonder veel van – wel dat ik er indertijd niet enorm van onder de indruk was. Ik herlas het en opnieuw was ik niet laaiend enthousiast. Maar ik moest er wel een uur over komen praten…  Gelukkig bood het boek genoeg aanknopingspunten voor een mooi verhaal en ik werd zelfs enthousiast, toen ik iets ontdekte wat nog door niemand anders was ontdekt: een Nederlandse link. De toehoorders op de HOVO-dag kregen de primeur.

Ik ga de avonturen van Venitsjka, de hoofdpersoon in Moskva-Petoesjki, niet navertellen, ook niet in het kort. U leest het boek zelf maar. Ik beperk met tot het gesprekje dat hij in gedachten voert met zijn zoontje, waarbij hij belooft een liedje voor hem te zingen. Voor mijn lezing verrichtte ik enig onderzoek en ik begreep dat het ging om het volgende stukje muziek, gezongen, in het Russisch, door Kalmer Tennosaar uit de toenmalige Sovjet-republiek Estland. Het kwam me bekend voor…

Ja, het kwam me bekend voor, maar hoe dan? Waar deed me dit aan denken? Het duurde een half minuutje en toen steeg er uit het langetermijngeheugen een Nederlands liedje op: Ploem ploem jenka van Trea Dobbs. Daar was ik misschien sneller op gekomen, als ik even op de titel van de Russische versie had gelet: Letka jenka.

Letka jenka komt oorspronkelijk uit Finland, de muziek is geschreven door Rauno Lehtinen (1932-2006), die zich baseerde op de letkajenkka, een Finse volksdans. Van het vrolijke nummer verschenen tientallen buitenlandse covers. Ik zocht nog wat verder, met Trea Dobbs in het achterhoofd, en stuitte op iets raars. In Nederland haakte Pieter Goemans (componist en tekstschrijver van Aan de Amsterdamse grachten) gretig in op de Finse jenka-rage. Met alleen zíjn naam (dus als tekstschrijver én componist) op het label, verscheen bij ons bovengenoemd singeltje Ploem ploem jenka. Dat Goemans de tekst heeft geschreven wil ik geloven, maar ook de muziek? Het lijkt erop dat hij een stevige draai heeft gegeven aan het Finse origineel, net stevig genoeg om Lehtinen van het label te kunnen weren. Eigenaardig genoeg wordt op Wikipedia (en ook hier) Lehtinen wel als componist van Ploem ploem jenka genoemd.

Hoe dan ook, Trea Dobbs deed met Ploem ploem jenka in 1965 mee aan de finale van het Nederlandse Songfestival, met als inzet deelname aan het Eurovisie Songfestival. Ze eindigde als derde, achter Ronnie Tober en Connie van den Bos. Die laatste kwam vervolgens in Napels met Het is genoeg niet verder dan de negende plaats. Tja, hadden ze Trea maar moeten sturen. Al moet ik zeggen dat ook zij, met Ploem ploem jenka, volledig kansloos zou zijn geweest tegen France Gall, die namens Luxemburg de eerste plaats voor zich opeiste met Poupée de cire, poupée de son.           

Ploem ploem jenka … Ik vind het een mooie gedachte dat Venitsjka, die sympathieke zuipschuit uit Moskva-Petoesjki, voor zijn zoontje in het Russisch een liedje wil gaan zingen dat teruggaat op een Finse dans, die in een wat andere versie, met een Nederlandse tekst, tot het collectieve geheugen behoort van mijn generatie.

 ————————-

Wie verder in de auteursrechtelijke materie wil duiken: Er is nóg een Nederlands jenka-liedje, opgenomen door Het Cocktail Trio, getiteld: Pretka-Jenka (Origineel Fins ondergoed voor dames en heren). Ik bespaar u deze versie, hij is te vinden op YouTube. Dit nummer schurkt heel dicht aan tegen Ploem ploem jenka, maar als componist en tekstschrijver staan hier dan weer vermeld de heren Tonny Eyk en Johannes Moering. De titelcatalogus van Buma-Stemra bevat ook nog een werkje genaamdTuthorn Jenka, maar dat geloof ik verder wel. Wat Pieter Goemans betreft (ook in genoemde titelcatalogus staat hij als componist én tekstschrijver van Ploem ploem jenka vermeld), merk ik nog op dat er enige onzekerheid bestaat over de vraag of hij de muziek van Aan de Amsterdamse grachten wel helemaal zelf heeft geschreven. En tenslotte: u kunt bij Buma-Stemra ook zoeken op mijn naam (Egbert Hartman en Egbert M Hartman) als tekstdichter – het resultaat zal u verrassen.

———————-

Aanvulling: Er zijn meerdere reacties binnengekomen op dit stukje en talloze jenka-versies zijn me om de oren gevlogen. Zoekt u bijvoorbeeld even op Katrina Helena Letkis … Ik ga me hier verder niet in verdiepen, zo’n Fins-Nederlandse dansmoeras gaat me iets te veel tijd kosten. Dat Pieter Goemans een slimme vent was, qua auteursrechten, lijkt me in elk geval niet te veel gezegd.

Lermontov zingen met een bijl op schoot - niet doen

———————

————————-

Prachtig!, was het eerste wat ik dacht toen ik bovenstaande mannen hun lied hoorde inzetten. Prachtig!, dacht ik bij de eerste maten. Maar gaandeweg, naarmate zij zich daar op hun stoeltjes door hun tekst heen werkten, begon er iets te knagen…

Gezongen wordt hier het gedicht Vychozjoe odin ja na dorogoe , van Michail Lermontov, een van de bekendste werken uit de Russische literatuur. Het zijn regels vol vertwijfeling, over een voorvoelde, bijna gewenste dood. De tekst en de Nederlandse vertaling van Marko Fondse staan onder aan dit stukje.

Is dit een gedicht (over de vertwijfeling van een enkeling) dat je moet laten zingen door een groep van tien mannen, meerstemmig, die erbij zitten alsof ze, op het nonchalante af, even pauzeren tussen de alledaagse bezigheden door? Met een bijl – links – op je schoot? Het oogt alles bij elkaar als een pose. Duidelijk is bovendien te horen dat er een galm aan het geluid is toegevoegd. Akoestisch gezien zitten ze niet onder de douche, maar het scheelt niet veel. Het klopt niet. De opname komt van een YouTube-kanaal. Ik heb daar even rondgekeken en steeds, bij elk lied, is er die toegevoegde, lichte galm.  

Ja, de stemmen zijn echt mooi, de harmonieën fraai, ze komen snijdend bij je binnen. Maar het is een soort vocale krachtpatserij die je wegvoert van de tekst. Lermontov wordt hier weggeblazen. Ik moest denken aan het tegenovergestelde, aan een van mijn favoriete Russische zangers, Oleg Pogoedin. Dit leek me nu precies het soort tekst voor hem. En zie, hij heeft het op zijn repertoire staan (even doorklikken naar YouTube):

Oordeelt u zelf. Kiezen we voor Pogoedin of voor de jongelui buiten op hun stoeltjes? Voor mij is de keuze niet moeilijk.

Er zijn meer uitvoeringen. (De muziek is overigens van Elizaveta Sjasjina, 1805-1903). Nog iemand die het gedicht met gepaste ingetogenheid brengt, is Anna German. Ook mooi, maar is het storend dat een gedicht dat zo nauw verweven is met de zieleroerselen van een jongeman, gezongen wordt door een vrouw? Of maakt dat niet uit? Wringt dat alleen wanneer je het gedicht en Lermontovs geschiedenis kent? 

————————-

Hebben we het over op muziek gezette gedichten, dan kan ik het zeer door mij geliefde Letnii sad van Anna Achmatova niet ongenoemd laten. Ze kijkt erin terug op een leven, zoals alleen zij dat kan. Ik ken er maar één muziekversie van, gezongen door Valentina Ponomarjova (muziek: Joelija Silajeva, 1964). Het begint goed (al vraag ik me wel af waarom er zo veel lucht moet worden meegeblazen bij die eerste woorden), maar dan gaat het toch nog mis. Waarom wordt er niet een simpele gitaar of viool aan toegevoegd, in plaats van die kille, kunstmatige, elektronische klanken? En die idiote uithalen aan het eind … Alsjeblieft zeg. Dat kan je de arme aanwezigen bij je crematie (ik heb geen plannen, maar ik vind draaibaarheid bij die gelegenheid wel een passend criterium voor smaak) toch niet aandoen?

Hier Anna Achmatova die het gedicht zelf voorleest.

———————-

Hieronder eerst het gedicht van Lermontov, gevolgd door dat van Achmatova

Heel alleen ben ik op weg getogen;
't Stenig pad blinkt door de nevelglans.
't Niets speurt God. De nacht is onbewogen.
Ster met ster spreekt aan de hemeltrans.

Heel de hemel een plechtstatig wonder!
Hoe de aarde slaapt in 't klaarste blauw...
Maar wat drukt mij dan, waar lijd ik onder?
Wat toch maakt dat ik zo smacht en rouw?

Ik verwacht toch niets meer van het leven;
noch voel ik om het verleden spijt.
Werd mij vrijheid nu en rust gegeven
in te slapen in vergetelheid!

 Nee, niet met de slaap van graf en koude...
Maar zo in te slapen en voorgoed,
dat de borst nog zachtjes rijzen zoude
en de leefkracht sluimert in 't gemoed;

dat een zoete stem, mijn oor betoovrend,
mij bij nacht en dag van liefde deunt;
en een eik, met altijd groenend lover,
donker, ruisend naar mij overleunt.

Vertaling: Marko Fondse

Выхожу один я на дорогу;
Сквозь туман кремнистый путь блестит;
Ночь тиха. Пустыня внемлет богу,
И звезда с звездою говорит.

В небесах торжественно и чудно!
Спит земля в сиянье голубом...
Что же мне так больно и гак трудно?
Жду ль чего? жалею ли о чем?

Уж не жду от жизни ничего я,
И не жаль мне прошлого ничуть;
Я ищу свободы и покоя!
Я б хотел забыться и заснуть!

Но не тем холодным сном могилы...
Я б желал навеки так заснуть,
Чтоб в груди дремали жизни силы,
Чтоб, дыша, вздымалась тихо грудь;

Чтоб всю ночь, весь день мой слух лелея,
Про любовь мне сладкий голос пел,
Надо мной чтоб, вечно зеленея,
Темный дуб склонялся и шумел.

Michail Lermontov (1841)

————————

I want to see the roses in that singular garden,
Framed by the loveliest trailing in the world.

Where the statues remember my youth
And I remember them under the flooded Neva.

In the fragrant stillness among the regal lindens,
I imagine the creaking mast of the ships.

And the swan sails on through the centuries,
Marvelling at the beauty of its double.

And in a deathly sleep rest thousands of footsteps
Of enemies and friends, friends and enemies.

And the pageant of shadows is endless,
From the granite vase tot he palace doors.

There my white nights are whispering
About an exalted and secret passion.

And all is lustrous with pearl and jasper
But the source of the light is a mystery

Vertaling: Nina Templeton O’Leary / Natasha Templeton

Я к розам хочу, в тот единственный сад,
Где лучшая в мире стоит из оград,

Где статуи помнят меня молодой,
А я их под невскою помню водой.

В душистой тиши между царственных лип
Мне мачт корабельных мерещится скрип.

И лебедь, как прежде, плывет сквозь века,
Любуясь красой своего двойника.

И замертво спят сотни тысяч шагов
Врагов и друзей, друзей и врагов.

А шествию теней не видно конца
От вазы гранитной до двери дворца.

Там шепчутся белые ночи мои
О чьей-то высокой и тайной любви.

И все перламутром и яшмой горит,
Но света источник таинственно скрыт.

Anna Achmatova (1959)

Mevrouw Ramsing getraceerd! "But I started to cry and she could not understand."

Een prijsvraag met als hoofdprijs een tiendaagse reis naar de Sovjetunie, daar móest Sybil Ramsing uit Clinton, Connecticut, wel aan meedoen. De Amerikaanse koesterde warme gevoelens voor de nog vrij jonge Sovjet-staat en dit was een uitgelezen kans om het communistische experiment eens van nabij te gaan aanschouwen. De vragen waren bepaald niet eenvoudig; maar liefst vijf keer reisde mevrouw Ramsing naar de bibliotheek van de universiteit van Yale en één keer naar de stadsbibliotheek van New York, op zoek naar de antwoorden. En zie, ze won! Een half jaar later stond ze op het Rode Plein in Moskou, liep ze over het Paleisplein in Leningrad en beklom ze de trappen van de Mamajev Koergan in Wolgograd.   

Een tijdje terug schreef ik over mijn zoektocht naar mevrouw Ramsing. Op het Russischtalige internet was ik foto’s van haar tegengekomen; een wat oudere vrouw op reis in de USSR, in 1968, duidelijk met veel egards behandeld. Alleen al het feit dat de foto’s het werk waren van de vooraanstaande persfotograaf Vsevolod Tarasevitsj maakte duidelijk dat hier iets bijzonders speelde. Maar wie was zij? Bij de foto’s stond alleen vermeld: “Госпожа Рамсинг в СССР” (Mevrouw Ramsing in de USSR), elke verder toelichting ontbrak. Tot mijn groeiende verbazing leverde googelen niks op en ook een oproep op Facebook en Twitter om hulp bij mijn bescheiden speurtocht leidde tot niks. Tot afgelopen week … Op Twitter kreeg ik plots toch nog een berichtje van een van mijn volgers, Rob Hageman, dat hij mevrouw Ramsing had getraceerd. Gewoon via Google. De zoektermen mrs ramsing in the ussr hadden hem rechtstreeks naar de pagina’s geleid van het tijdschrift Soviet Life, dat in 1967, naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de Sovjetunie, een prijsvraag had georganiseerd. Soviet Life richtte zich op de Amerikaanse lezer en had in het Russischtalige blad Америка, dat in de USSR verscheen, zijn tegenhanger. Waarom de eerdere zoektochten via Google tot niks leidden, is me niet duidelijk.

Het was niet zomaar een lolletje, die prijsvraag van Soviet Life. Wat een vragen! Nummer 6, bijvoorbeeld: A - How many years has the Soviet Union been allowed to develop peacefully and how many has it been forced to spend on wars (including civil war and foreign intervention) and postwar reconstruction? (5 points). B – By how much did Industrial Output increase in this country during the years of the prewar five-year plans? (3 points). C – How many medical doctors per 10.000 of the population are there in the USSR according tot he last published Soviet  statistics? (2 points).

Alle antwoorden van de prijsvraag, zo stond er als een soort aansporing bij, waren te vinden in nummers van Soviet Life. (Wat voor mij reden zou zijn om onmiddellijk af te haken - voor Sybil Ramsing duidelijk niet.) Verder valt op dat “Industrial Output” in de vraag met hoofdletters staat geschreven.   

Links mrs. Kalitenko

Mevrouw Ramsing was tijdens haar reis – ze had zelf mogen zeggen naar welke steden ze wilde –  eregast van Soviet Life. Uiteraard schreef het blad een artikel over haar bezoek, uitgebreid gelardeerd met die foto’s van Tarasevitsj. Het is een mooie aaneenschakeling van clichés, aangevuld met passages uit brieven van Sybil. Op het Rode Plein wordt ze door emoties overmand: “A little blond girl handed me a narcissus and I tried to whisper to Mrs. Kalitenko that she should tell the girl I would put it on Gagarin’s grave. But I started to cry and she could not understand.”

Mrs. Kalitenko … dat is dus de vrouw die we op de foto’s veelvoudig aan Sybils zijde zien. Ik opperde in mijn eerdere stukje nog dat zij misschien haar secretaresse was, maar dat had ik mis. Boven het reisverslag in Soviet Life staat haar naam: Irina Kalitenko. Zij was dus gewoon de verslaggeefster.

Met terugwerkende kracht moet ik mevrouw Kalitenko nog wel even vermanend toespreken – of anders de collega van haar die voor de onderschriften bij de foto’s heeft gezorgd. “This is the Winterpalace, stormed by the revolutionary forces on that historic night of October 1917 when Russia became the first socialist republic”, staat bij deze foto. Maar we zien hier het gebouw van de Generale staf, tegenover het Winterpaleis. 

 

En bij deze foto, met linksonder mevrouw Ramsing, is er helemaal een potje van gemaakt: “This monument on Mamayev Hill commemorates the battle of Stalingrad.” Nou nee, wat we hier zien is een versiering die deel uitmaakt van de waterkrachtcentrale bij Wolgogorad.

 Ze hadden die onderschriften natuurlijk even moeten laten checken door mevrouw Ramsing.

—————————

Ron Hageman vond nog een paar sporen van Sybil Ramsing: een ingezonden brief in de Beijing Review en in de New York Times

De Michail Krug-topvijf volgens Russische voetballers

———————-

——————

Michail Krug met ondergetekende.

Zou hij de dvd die ik hem gaf ooit hebben bekeken? De dvd over Ajax in het seizoen 1994-1995, waarin de Amsterdammers onder Louis van Gaal de Champions League wonnen? Ik kwam ermee aanzetten toen ik hem, volkszanger Michail Krug, opzocht in een morsig flatje in Tver. Landelijk doorgebroken was hij nog niet, maar ik kende zijn liedjes, zijn melodieën, en ik was er weg van. Die melodieën – ik zou er Nederlandse teksten bij gaan schrijven en samen zouden we de wereld (nou ja, Nederland) gaan veroveren. Dat was het plan.

Ik wist dat hij voetballiefhebber was, vandaar die Ajax-dvd. Met als aardig detail dat daarop ook het korte optreden te zien was van André Rieu in de rust van de wedstrijd Ajax-Bayern München in het Olympisch Stadion, waarbij de violist zijn fameuze variant van Sjostakovitsj’ Tweede Wals ten gehore bracht. Dat moest Krug, ook muzikant tenslotte, toch aanspreken. (Ach, en ja, ik was bij die wedstrijd, in het inmiddels allang gefatsoeneerde Olympisch Stadion, toen nog een holle pisbak, samen met mijn beide broers. Prachtig allemaal.)

Krug brak door, werd in eigen land razend populair, in Nederland kreeg ik voor hem geen poot aan de grond en het contact met hem verwaterde. Op 1 juli 2002 werd hij in zijn nieuwe huis in Tver doodgeschoten door een inbreker. (Over mijn avonturen met Krug schreef ik naar aanleiding van de moord een kort stukje in NRC-Handelsblad.)

Krug begaf zich graag onder voetballers. Hij was supporter van Spartak Moskou en daar gingen de deuren voor hem open. Hij raakte bevriend met spelers en trad op voor de nationale ploeg. Inmiddels zijn we een aardig aantal jaren verder en de site sports.ru vroeg aan voetballers van nu of Krug nog steeds geliefd is. Dat is hij, al werd het vooral aan wat oudere spelers gevraagd (met als uitzondering onder anderen ex-Vitesse-speler Vjtatsjeslav Karavajev, die van 1995 is). Dinamo Moskou-speler Kirill Pantsjenko legt uit: “Bij Krug zit in principe achter alles een diepere gedachte. ‘Teder streel je met je warme hand mijn laatste brief aan jou, vergeef me, vergeef me, mamaatje, mama, mam’ – dat is een heel ontroerende tekst.” (Zelf onderstreep ik nog maar even dat het voor mij bij Krug vooral om de melodieën ging.)

Hier de top-5 van Krug-liedjes volgens de Russische voetballers bij sports.ru, vanaf nummer 5. Zeven nummers in totaal, want vijf nummers (de onderste vijf hieronder) eindigden ex-aequo op de eerste plaats:

———————

Míjn favoriet, het eerste nummer wat ik ooit van Michail Krug hoorde, zit er niet bij:

Aardappelen rooien in het noorden van Rusland

—————————

———————-

Ik ben in Osjevensk en tegelijkertijd ook ergens anders. 

Dat zal ik even uitleggen. Osjevensk is een landelijke plaats (selskoe poselenije) in de noordelijke provincie Archangelsk. Zo’n plaats is een administratieve eenheid waaronder meerdere dorpjes vallen. In het geval van Osjevensk zijn dat er dertien. Een paar daarvan liggen tegen elkaar aan, al wandelend merk je niet dat je van het ene in het andere dorp bent beland. Andere dorpen liggen een eindje uit de buurt, om daar te komen kan je beter de fiets pakken of de auto.

Logeren doe ik in een gasthuis, een enigszins scheefgezakt houten verblijf met twee ruime kamers. Dat gasthuis staat in Sjirjaicha, een van die dertien dorpen van Osjevensk. Tegen Sjirjaicha aan ligt Pogost, nog zo’n dorpje, maar met een zekere bekendheid. Het staat op de lijst van Mooiste Dorpen van Rusland. (Wie om deze reden besluit tot een bezoek aan Pogost moet ik wel waarschuwen: de kans dat u na een minuut of tien denkt: is dit het nou?, is vrij groot.)      

Maar goed, ik verblijf dus, administratief gezien, in Osjevensk en tegelijkertijd (zeg maar: concreet gezien) in Sjirjaicha. 

Hebt u wel eens aardappelen gerooid? Ik was uitgenodigd in Pogost, om - voor het eerst in mijn leven - mijn krachten in dezen te beproeven op een klein veldje vol met opgeschoten groen. Al snel leerde ik de gelige stengels te herkennen van de aardappelplant en met een schop groef ik die uit, met een stevige kluit. Daar werden door mijn tijdelijke collega’s de aardappelen uit gevist, terwijl ik mij alweer wijdde aan de volgende plant. Na een minuut of twintig voelde ik iets in mijn elleboog.

We gingen nog een half uurtje door, toen was het pauze, en toen ik daarna nog een kwartiertje met schop en kluit in de weer was geweest, dacht ik: nu moet ik maar stoppen. Vanwege die elleboog. Mijn collega’s toonden alle begrip en bedankten me voor mijn bijdrage. 


Ik pakte mijn fiets, reed terug naar Sjirjaicha en besloot eens te gaan kijken in een dorpje verderop, Gar geheten. Ook daar moest het mooi zijn. Het was een kilometer of vijf fietsen. Halverwege werd ik voorbijgereden door een donkergroen busje, maar verder zag ik helemaal niemand. Vreemd is dat niet, want Gar behoort niet tot de dorpen van Osjevensk die er nog redelijk goed bij liggen. Slechts drie huizen worden er nog permanent bewoond, een paar anderen nog in de zomer, de rest is verlaten, staat scheef en raakt gaandeweg overwoekerd. Schilderachtig, dat wel, zeker tegen de achtergrond van bomen in herfstkleuren, maar vrolijk word je er niet van.

Op een bonkige, bouwvallige brug over het riviertje de Tsjoerega (dat ook langs Sjirjaicha en Pogost stroomt) stonden een paar mannen te vissen. Ze werkten in de houtkap, vertelden ze, en (het was zaterdag) ze waren naar Gar gekomen (in dat donkergroene busje) om zich in een van de banja’s gelegen aan het riviertje eens goed te wassen. In het bos, bij hun werk, woonden ze in een keet. “Waar gaat dat gekapte hout naartoe?”, vroeg ik. “Naar China”, was het antwoord.

Ik fietste verder, naar het einde van het dorp. Tussen een paar verlaten huizen stond een goed onderhouden woning met duidelijke tekenen van leven: een kinderwagen, een auto, en, aan de overkant van het smalle weggetje, een banja die gestookt werd. Een vrouw daalde af naar het riviertje met een flinke teil aardappelen, waar ze de modder van afspoelde. Die had ze vast niet net gerooid, want ze was meer gekleed op de banja. Ik moest haar maar niet fotograferen, zei ze lachend. Ze woonde in Severodvinsk en ze waren hier voor het weekend. De goed onderhouden woning was haar geboortehuis. Na een kort praatje vroeg ze me of ik wat kompot wilde. Dat wilde ik wel en even later kwam ze aanzetten met een glas en een aardappelpasteitje. 

Weer fietste ik verder, nog twee huizen telde het dorp. In het laatste zag ik drie poesjes achter een venster zitten. Ik fotografeerde ze uitgebreid, terwijl zij zich leken af te vragen waar ik dan wel vandaan kwam. Op de weg terug naar Sjirjaicha werd ik weer voorbijgereden door die mannen van de houtkap. Thuis haalde ik een fles bier uit de ijskast. Het koste enige moeite om hem naar mijn mond te brengen. Die elleboog van me… Ik herkende de symptomen: een tennisarm. Voor de gelegenheid heb ik die omgedoopt in Noord-Russische-aardappelarm.   

Een paar dagen eerder, de brug over de Tsjerjoega bij Pogost,