Pech onderweg, Sven Kramer en mooi Maslenitsa in Archangel.

——————


We waren gezellig op weg naar de viering van Maslenitsa in het dorp Archangel, toen onze auto plots onverbiddelijk richting de sneeuwhopen in de berm gleed. En meteen was duidelijk: we zitten vast en komen hier niet een-twee-drie weer weg. Ik appte een foto van ons ongemak naar mijn collega’s op de sportredactie van NOS Teletekst, ver weg in Hilversum: “Team Hartman valt uit in Rally van Osjevensk.” Twee minuten later volgde het antwoord: “Heb zeker een wijf aan gezeten!!!” Deze gouden zin uit een conference van Waardenberg en De Jong klopte in zoverre dat er inderdaad een vrouw achter het stuur zat.

Ik appte de foto ook naar andere bekenden en een van hen suggereerde om de Russische variant van de Wegenwacht te bellen. “Of ben ik nu naïef?”, voegde ze daaraan toe. Ik antwoordde dat ze naïef was. Toch was het een soort van wegenwacht die ons uit de problemen hielp. Een auto met kennissen van onze chauffeur kwam toevallig net aangereden, ook op weg naar Archangel, en met een sleepkabel waren we er toch nog redelijk snel uit.

Maslenitsa in Archangel, wat is dat gemoedelijk en wat is dat leuk! Kijk maar naar de foto’s. Ik was verkocht, hield van iedereen in het dorp, en er was geen druppel alcohol aan te pas gekomen.


Op de terugweg reed onze chauffeur duidelijk langzamer dan op de heenweg en ook nauwgezet in het midden. “Ik zet jullie hier alvast maar af”, zei ze bij het eerste kruispunt in Osjevensk, “dan hoef ik daar verderop niet te keren.” Ik nam afscheid van Olesja, mijn trouwe contact in Osjevensk, en wandelde verder naar mijn onderkomen. 

Daar kwam een mevrouw haar tuinhekje uit. Ze stapte mijn richting op.

“U komt niet van hier.”
“Nee, ik kom van ver.”
“Uit Amerika?”
“Nee, een beetje dichterbij”
“Engeland?”
“Nog ietsje dichterbij”
“Frankrijk?”
“Ietsje naar het noorden”
“Ik geeft het op”
“Uit Holland.”
“Uit Holland?!”

De Holland-supportster wilde niet op de foto, maar daar trok ik me maar eens niks van aan.

Ze straalde op slag van oor tot oor. “Uit Holland! De schaatsers! En jullie spelen in oranje! Mijn man en ik zijn supporter, hoor!” Ik vermoed dat er vanwege de feestdag al een druppeltje van het een of ander genuttigd was, maar haar enthousiasme trof me aangenaam, daar op de verijsde Oelitsa Tsentralnaja van Osjevensk, waar de avond langzaamaan begon te vallen. Waarom Europa toch zo boos was op Rusland, wilde ze weten. En ze toonde zich enthousiast over Poetin. We kwamen langs een besneeuwd speelveldje met twee ijshockey-goals, waar een paar jongens aan het voetballen waren. Dat kwam mooi uit en ik zei de supportster van Holland dat ik daar even naartoe moest om foto’s te nemen. Ze maakte geen bezwaar. 

Aangekomen bij de voetballers, informeerde ik bij de jongen in het doel wat de score was. Ze stonden 14-6 achter. Toen ik hem een minuutje had bezig gezien, verbaasde me dat niks. Motorisch was hij niet helemaal in orde. Taalkundig wel; hij vloekte als een dragonder.

Een paar dagen eerder had ik op deze plek een foto genomen van twee kleine spelertjes, speciaal voor mij gemaakt in Kargopol, de dichtstbijzijnde stad, op een uurtje rijden. Ik liet hem zien aan de voetballende jongens en vroeg of ze wisten welke clubs dit waren. “Zenit en Ajax”, was het prompte antwoord van een van hen. “Goed zo!”, zei ik, en ik voegde eraantoe dat ik uit Nederland kwam. Even eerder had deze mededeling immers geleid tot een vlot gesprek en ik verwachtte nu een soort vervolg. “Ajax, monsterclub! Tegen Real Madrid!” Verder ging de conversatie deze keer niet, ze voetbalden meteen door, maar ik vond dit al heel wat.

Ik liep door (het stond inmiddels 16-8) en daar kwam de supportster van alles in oranje mij weer tegemoet. Ze was even naar de winkel geweest en liep nu naar huis. Ze kwam de straat overgestoken, mijn kant op, en zei dat ik op bezoek moest komen. “Dat wordt september, want morgen ga ik al naar huis.” “Maakt niet uit”, zei ze onverstoorbaar blij. “We blijven supporter van Nederland!” 

Mooie kans dat ik in september inderdaad bij haar langs ga, met een foto van Sven Kramer en het Nederlands elftal.   

Finale Osjevensk Cup: FC Zenit-Ajax. Poep op de stoep!

———————

——————-

Ajax had nog om uitstel gevraagd, omdat enkele dagen later de zware competitiewedstrijd tegen PEC Zwolle op het programma stond, maar daar kon natuurlijk geen sprake van zijn. De finale om de Osjevensk Cup tegen FC Zenit moest doorgang vinden, al waren de omstandigheden in het Stadion na Tsentralnoj (Stadion aan de Hoofdstraat) nog zo zwaar. Dat de lijnen niet zichtbaar waren, was volgens de OVB (Osjevensk Voetbal Bond) geen punt. “Er is hier toch geen VAR, dus wat maakt het uit.” 

De weinige supporters der beide elftallen lieten elkaar kennismaken met liederen en kreten uit eigen kring. “Verwerk de scheidsrechter tot zeep!”, leerden de Amsterdammers van de Russen. “Gekkenhuis op de tribune!”, en “Amsterdam is poep op de stoep!” kregen de Russen ervoor terug. 

Uiteindelijk duurde de wedstrijd maar een half uur, want iedereen kreeg het veel te koud. De scheidsrechter was al na tien minuten verdwenen (niet tot zeep verwerkt, hij wilde naar de kachel) en het was verder geen doen zo. Bovendien stond het toch net 1-1 (Lasse Schöne had voor Ajax gescoord met een werkelijk verbluffend mooie vrije trap), dus wat zouden we verder nog moeilijk doen. Waar nog bij kwam dat er in het hele Osjevensk geen bloemetje meer te vinden was voor de winnaar. Vrouwendag stond voor de deur en alle tulpen en zo waren overal uitverkocht.

Vanuit Osjevensk: een ochtendwandeling met een vriendelijke groet

——————-

——————-

Een berichtje voor mijn vaste lezers, die gewend zijn om op deze plek om de zo veel tijd, met enige regelmaat, een nieuw stukje aan te treffen. Die regelmaat zal even ver te zoeken zijn, vanwege een verblijf in de provincie Archangelsk - in het dorp Osjevensk, om precies  te zijn.

Ik verbleef er al eerder, afgelopen oktober. Toen een week, nu veertien dagen. Ik ruim hier sneeuw, knip overhemden in reepjes en eet gebakken aardappelen. Waar dat allemaal toe gaat leiden, is niet helemaal duidelijk - in elk geval nog niet tot veel schrijven. U moet het maar even doen met een filmpje dat ik maakte tijdens een mooie ochtendwandeling. Ik groet iedereen in Osjevensk - ook in dit filmpje - vriendelijk. Kinderen groeten terug, vrouwen doen dat soms, mannen nooit.


Ook leuk om eens te ervaren: dat je sneeuw aan het ruimen bent, veel sneeuw, heel erg veel sneeuw, en dat het dan gaat sneeuwen.  

—————-

Vijf Russische vrouwen en één idioot (ik)

—————

De gezonde jongelui op de achtergrond hadden zojuist rondjes gerend rond het Marsveld te Sint-Petersburg. Dat Marsveld is nogal groot, dus het waren nogal grote rondjes. Wat me bij zulke winterse evenementen in de buitenlucht altijd opvalt in Rusland, is de vanzelfsprekendheid waarmee weer en wind worden geaccepteerd. De deelnemers zullen die ochtend niet voor de zekerheid nog even gebeld hebben: gaat het wel door? De mevrouw op de voorgrond liep door m’n beeld en maakte er zo nog een aardige foto van.

Er is heel wat wat kritiek in Sint-Petersburg op de gemeente inzake het sneeuwruimbeleid. Dat laat her en der te wensen over, waardoor binnenplaatsen en trottoirs veranderen in verijsde, moeilijk neembare en af en toe levensgevaarlijke hordes. Maar niet in het centrum! Deze mevrouw had de leiding over een ploegje dat de Bolsjaja Morskaja begaanbaar moest zien te houden. Ze hadden er wel schik in, wat volgens mij te maken had met dat poezenmotief op de Kamaz, waarmee de sneeuw werd afgevoerd. 

Foto? Ja hoor, gaat uw gang! De mevrouw links deed nog speciaal voor mij de klep even open van de ketel, zodat haar maïskolven goed in beeld kwamen. 

Dooi in Sint-Petersburg is helemaal niet erg, als de zon af en toe maar schijnt in de plassen op de Neva. En dat deed de zon, die ook haar rood-oranje haren even meenam. Keken de vrouwen hierboven in de camera, deze deed dat heel nadrukkelijk niet. Maar het maakte niks uit, die zon op het water op het ijs van de Neva maakte het allemaal al mooi genoeg.

Ik zag deze vrouw, moeizaam ter been, aan komen waggelen met haar skistokken. Ze stond even stil voor de sneeuwhoop, wankelde zich erdoor, zette de stokken tegen het graniet en staarde over het dooi-ijs van de Neva. Ik kreeg de indruk dat ze afscheid kwam nemen van haar rivier. Dat ze die ochtend tegen zichzelf had gezegd: je kán het, nog één keer… En dat ze moeizaam met de trolley naar metrostation Elektrosila was gereden en vandaar met de metro, gelukkig zonder overstappen, naar station Gorkovskaja, met dat rare vliegendeschoteldak. Daar was de Neva vlakbij, al was het voor haar, in de snijdende wind met af en toe sneeuw en regen, nog een heel eind. Ze had het gehaald.

Lang stond ze er niet, nog geen vijf minuten. Toen draaide ze zich om en keek naar die sneeuwhoop. Ik schoot toe. Er ontspon zich een korte dialoog:

- Zal ik u even helpen?
- Ga opzij, idioot.

————-

Haal Lenin van de roebel! De dichter en de zanger contra het hoofd van de Staatsbank

—————

 
 

Wat ze daar nou mee aan moesten, de Sovjet-autoriteiten – ze wisten het niet. Dus verboden ze het maar – of toch weer niet. Andrej Voznesenski (1933-2010), behorend tot de Zestigers, een groep schrijvers, dichters en filmers die de grenzen van het toelaatbare probeerden op te rekken, schreef in 1966 een gedicht met de titel: Haal Lenin van het geld! Daarin riep hij de overheid op om de kop van Lenin van de roebelbiljetten te verwijderen.  Ontroerend is het werkje niet, wel curieus:

(Ik heb bij de vertaling geen moeite gedaan om rijm en metrum te behouden. Daarmee gaat weinig verloren.)

Я не знаю, как это сделать,
Но, товарищи из ЦК,
уберите Ленина с денег,
так цена его высока!
Понимаю, что деньги – мера
человеческого труда.
Но, товарищи, сколько мерзкого
прилипает к ним иногда…
Я видал, как подлец
мусолил по Владимиру Ильичу.
Пальцы ползали малосольные
по лицу его, по лицу!
В гастрономовской бакалейной
он хрипел, от водки пунцов:
«Дорогуша, подай за Ленина
два поллитра и огурцов».
Ленин – самое чистое деянье,
он не должен быть замутнён.
Уберите Ленина с денег,
он – для сердца и для знамён.

Ik weet niet hoe dat moet,
Maar, kameraden uit het Centraal Comité
Haal Lenin van het geld,
hij is van te veel waarde!
Ik begrijp dat geld de maat is
van mensenarbeid.
Maar, kameraden, hoeveel smerigheid
blijft er soms aan hem kleven …
Ik zag hoe een snoodaard
Vladimir Iljitsj beduimelde.
Zoutige vingers gleden
over zijn gezicht, zijn gezicht!
Bij de kruideniersafdeling
zei hij schor, vuurrood van de wodka:
“Liefie, geef me voor een Lenin
twee halveliters en augurken.”
Lenin is de zuiverste daad,
die mag niet vertroebeld raken.
Haal Lenin van het geld,
hij is voor het hart en voor de vaandels

Voznesenski las het gedicht in 1966 voor tijdens een optreden in de Oezbeekse hoofdstad Tasjkent, kort nadat die stad was getroffen door een zware aardbeving. Hij werd daarop uitgenodigd bij de plaatselijke partijleider Sjaraf Rasjidov, die hem duidelijk maakte dat dergelijke heiligschennis (Lenin gelijkstellen aan twee halve liters en augurken) natuurlijk niet kon. Rasjidov vertelde de dichter dat hij binnenkort in Moskou zou zijn en daar de kameraden van een en ander op de hoogte zou brengen. De partijleider wist in het verre Tasjkent niet dat het gedicht van Voznesenski al een tijdje deel uitmaakte van het theaterstuk Antimiry, dat met veel succes werd opgevoerd in het Tagankatheater in Moskou.

Andrej Voznesenski

Verrassend genoeg verscheen Haal Lenin van het geld! wel in 1967 in het maartnummer van Zvezda Vostoka (Ster van het Oosten), het tijdschrift van de Oezbeekse Schrijversbond. Alle honoraria van dat nummer waren bestemd voor het herstel van Tasjkent. De redactie van het tijdschrift bleek met de publicatie van het gedicht zijn hand te hebben overspeeld en werd ontslagen.

Je kan je bij de onduidelijke status van het gedicht wel iets voorstellen. Ja, het is een loflied op Lenin, zijn ‘zuivere’ beeld mag niet bezoedeld. Maar was dit loflied niet ook een vorm van indirecte kritiek? Dat er onderweg naar het communisme ergens een verkeerde afslag was genomen? Daar hadden die Zestigers vaker een handje van: Lenin op een voetstuk plaatsen en zodoende eigenlijk aan schoppen tegen bijvoorbeeld Stalin (die Lenins erfenis zou hebben bezoedeld), en vervolgens ook tegen de eigentijdse leiders. En het was sowieso vrij brutaal, natuurlijk, een dergelijke onverbloemde oproep richten aan de hoge heren van het Centraal Comité.

Aleksej Poskonov

Het hoofd van de Staatsbank, Aleksej Poskonov, liet het er in elk geval niet bij zitten. Nadat het gedicht van Voznesenski op 24 maart 1967 ook was verschenen in het weekblad Literatoernaja Rossija, wendde hij zich (bijna een maand later) met een klacht tot het Centraal Comité. Volgens Poskonov was het geheel van een “zeer bedenkelijk artistiek niveau” (daarin had hij gelijk) en “ideologisch schadelijk”. Lenins portret op de bankbiljetten weerspiegelde immers de eerbied van het volk voor de grondlegger van de grootste veranderingen en successen van het Sovjetvolk bij de bouw van het socialisme en communisme. De publicatie in Literatoernaja Rossija was dus een “grove fout”, aldus Poskonov, die het Centraal Comité er ook op wees dat Haal Lenin van het geld! op het repertoire stond van het Tagankatheater en of men daar ook maar even naar wilde kijken.

De Afdeling Cultuur van het Centraal Comité kwam op 3 juli met een antwoord, dat Poskonov ernstig moet hebben teleurgesteld. Het hoge partijorgaan zag “geen enkele aanleiding om het lyrische gedicht van de dichter te beschouwen als een concreet, zakelijk voorstel om nieuwe bankbiljetten in te voeren. Wij zijn van oordeel dat bemoeienis van het CC CPSU niet vereist is”.

Was de kous daarmee af, voor het gedicht van Voznesenski? Nou nee. Componist Andrej Petrov nam het op in zijn Pathetisch Poëem, dat bestond uit op muziek gezette gedichten over Lenin. Hij schreef het stuk in 1969 ter ere van de honderdjarige geboortedag van Lenin, het jaar daarop. Hij koos onder meer voor Haal Lenin van het geld! en dat gaf – u raadt het al – gedonder. Maar laten we eerst even luisteren hoe dat klonk, dat gedicht van Voznesenski op muziek van Petrov, in de uitvoering van Edoeard Chil (Эдуард Хиль).

—————-

Edoeard Chil

 Chil herinnerde zich later hoe er kort voor een uitvoering van het Pathetisch Poëem in Moskou iemand op hem af stapte, een rood pasje liet zien en hem vertelde dat Vosnesenski’s gedicht niet gezongen mocht worden. Toen het orkest aan dat gedeelte was toegekomen, zei Chil: “Stop.” Na afloop vroeg Petrov waarom hij het gedicht niet had gezongen, waarop Chil vertelde over de man met het rode pasje. Bij verdere uitvoeringen van het poëem, werd Haal Lenin van het geld! vervangen door een gedicht van Majakovski.

“De censuur heeft nooit toegestaan dat het in een bundel van mij kwam”, zei Vosnesenski in 1998 in een interview. Of dat ooit nog wel is gebeurd, heb ik niet uitgezocht. Verder kan ik het niet laten om een oordeel van Joseph Brodsky te citeren over Vosnesensky’s dichterschap: “Die man bezit het unieke vermogen om met zijn regels een fysieke reactie van misselijkheid op te roepen.”  

Een ziekenhuis in Omsk: kakkerlakken op zaal, een lijk in de hal.

——————-

————

(Dit een ingekorte versie van een artikel van journaliste Natalja Jakovleva uit Omsk. De volledige versie verscheen op de site Sibir-realii. Omsk heeft 1.1 miljoen inwoners.)

 
“Neem beddengoed mee, we gaan naar het ziekenhuis”, zei de ambulancedokter. “Naar Stadsziekenhuis 1.”

Naar het Kabanov-stadsziekenhuis Nummer 1 van Omsk wilde ik niet. Tien jaar geleden had ik daar drie maanden doorgebracht, terwijl ik voor mama zorgde. Ze had een simpele operatie gehad: er was een poliep verwijderd. Maar er was iets misgegaan, een hemorragische shock, coma. Maar ze overleed aan een enorme doorligwond, die was ontstaan in de maand dat mijn zus en ik niet op de intensive care werden toegelaten. Een jaar eerder was ik met een groep journalisten in Amerika geweest en hadden we een medisch centrum gezien, waar mensen jaren in coma lagen … Alleen daardoor kan ik verklaren dat ik er blind op vertrouwde dat de ziekenzorg bij ons niet slechter zou zijn. En ook doordat ik elke dag preparaten kocht tegen doorligwonden, dure medicijnen voor mama en flessen cognac voor de artsen. Maar een verzorgster legde me later uit dat mama te zwaar was, ze was lastig om te draaien: 90 kilo – normaal het gewicht van een stevige man. Mijn zus en ik keerden haar om, verzorgden het verschrikkelijke gat van de doorgelegen plek midden op haar rug, zo groot als een handpalm, en haar hals, waar een snee zat van het verband dat de voedingssonde op z’n plek hield. Er kwam een chirurg naar ons kijken van de afdeling ernaast – het enige medicijn dat hij kende was levomekol. Bijna was het ons gelukt. Maar in de wond vormde zich een bloedstolsel. Het kon niet gestopt worden, of ze hebben het niet geprobeerd – we kregen steeds maar te horen dat alle pogingen zinloos waren: ze was oud, al 63…

“Het enige wat we voor elkaar hebben gekregen”, zei mijn zus toen we ’s nachts naar buiten liepen, “is dat ze mama zijn gaan aanspreken met ‘u’.”

Beleefdheid tegenover de patiënt was niet gebruikelijk: wie het ook was, een zwerver of een ‘verdienstelijk leraar van Rusland’ , zoals mama – je was een niemand. “Heeft ie zich weer ondergescheten!”, schreeuwde een verpleegster tegen iemand buiten bewustzijn, en een verzorgster trok met een ruk het vuile laken onder hem vandaan. Overleden patiënten lagen op draagbaars in de gang, te wachten totdat iemand hen naar het mortuarium zou rijden. Wij brachten mama zelf. Ze waren gedurende die twee maanden zo aan ons gewend, dat ze zich al geneerden en zelfs probeerden om hun manier van doen te verklaren – het was het lage salaris, natuurlijk.       

[In 2015 vraagt Interpol bij het OM in Omsk om informatie over Vasili Mamonov, op dat moment vice-voorzitter van de gemeenteraad van Omsk, en tot 2012 hoofdarts van het Kabanov-ziekenhuis. Er komt een rechtszaak.]

Het bleek dat Mamonov in 2015, nog maar drie jaar nadat hij ontslag had genomen als medisch directeur, toen hij al vice-voorzitter van de gemeenteraad was geworden, voor 37.825.000 roebel een aardig appartement had gekocht in Düsseldorf, om daar Duitsers te behandelen.

De inkomsten die hij opgaf als vice-voorzitter waren bij lange niet voldoende voor zo’n bedrag. Tijdens de rechtszaak praatte hij zich vast, hij kwam met verschillende versies over de herkomst van het geld, dat hij bewaarde in een koffer, omdat hij de banken niet vertrouwde – maar ondertussen had hij wel zeven rekeningen met miljoenen erop: dat had zijn dochter dan geleend, of hij had krediet opgenomen in euro’s op de Seychellen. De rechter bepaalde dat het geld voor de flat terug moest naar het overheidsbudget. Het is moeilijk te geloven dat die beslissing zou zijn genomen zonder de bemoeienis van Interpol, als je kijkt naar de liefde van de gouverneur voor de voormalige hoofdarts van het Kabanov-ziekenhuis. Die gouverneur onderscheidde hem in 2014 met de gouden medaille ‘Voor bijzondere verdiensten voor de provincie Omsk’, met daarbij als privileges: gratis door de provincie ter beschikking gestelde woonruimte zonder gemeentelijke lasten, een maandelijkse uitkering tot 41.000 roebel en regelmatig vakantie in een sanatorium met gratis reiskosten.

Ik was aanwezig bij die rechtszaak. Dat was nog een reden waarom ik niet naar het Kabanov-ziekenhuis wilde: ik vermoedde dat er weinig meer van over was. Maar dat het zo weinig zou zijn … Een verweesde intake-afdeling, waar op de banken halflevende zwervers, in elkaar geslagen alcoholici, bleke vrouwen en trillende mannen door elkaar heen zaten. Een klein en afschuwelijk smerige toilet zonder zeep, zonder wc-papier, zonder apparaat om je handen te drogen. Een röntgenapparaat uit het jaar nul, kamers voor een cardiogram, voor een echografie, van specialisten, waar overtreksels, voor enkel- of meervoudig gebruik, volledig ontbreken, op ligbanken met slijtgaten: je trekt je kleren op en gaat liggen. Je weet niet wie daar allemaal eerder heeft gelegen, je weet alleen wel dat het er heel veel zijn geweest. De gynaecologische stoel, gestopt met stukken in verschillende kleuren, met steunen voor je benen die niet kunnen buigen.

“Gaat u maar op uw vestje liggen”, adviseerde de dokter.

Ik had geluk, ik was thuis opgehaald en mijn dochter had nog wat spullen ingepakt. Ik had zelfs een sloop bij me.

“Zijn er problemen met de financiering, dat er geen onderleggers zijn?”,  informeerde ik.

De dokter moest lachen:

“Er zijn geen problemen. Maar ook geen onderleggers.”

Ik kwam terecht op de afdeling gynaecologie. Die had duidelijk iets van een opknapbeurt gehad: de muren waren egaal, al waren ze gifgroen geschilderd, de kleur van een omheining in een dorp. In de gang stonden een paar bedden, niet voor iedereen is plaats. De versleten nachtkastjes waren duidelijk uit de Sovjettijd, zonder plankjes en deurtjes. De knopjes om een dokter te roepen doen het allang niet meer. ’s Ochtends ruikt het behoorlijk naar sigaretten, de ventilatie kan het duidelijk niet aan. De brokkelige matrassen met bloedvlekken kan je afdekken met een paar versleten lakens, die  ze je geven als je daar meermaals nadrukkelijk om vraagt. Slopen zijn er niet, ik moest het vlekkerige kussen in een sjaal wikkelen. De tafel voor de vuile vaat in de kantine is net zo’n kastje als uit mijn schoolverleden in de jaren zeventig. Vieze vaat is er trouwens niet veel, iedereen neemt zijn eigen borden mee, waar je je voor- en nagerecht van eet.

“Ik heb vergeten een bord mee te nemen, geven ze die in de kantine?”, vraag ik mijn kamergenotes.

Ze lachen:

“Als het de aardige kantinejuffrouw is, geeft ze je er misschien een wegwerpbord. De  andere, de kwaaie – nooit van d’r leven. Maar maak je niet druk, ’s ochtends is er alleen theecompote met brood en een stukje boter van twee centimeter. Daarna vraag je of je familie er eentje meeneemt.

’s Ochtends begreep ik wat theecompote inhield: thee, gegoten in een niet gewassen bak van compote met een bijsmaak van rozijnen en een zwabber. Ik had het niet moeten drinken.

“Als u gegeten of gedronken hebt, kan er niet onder narcose worden geopereerd. Onze eigen anesthesist is er niet, u kunt wachten tot de avond, dan is er een tijdelijke”, legde de arts uit. “Maar als u een plaatselijke verdoving wilt, gewoon een injectie in de baarmoeder, dan kan het ook nu.”

De plaatselijke verdoving heb ik niet uitgeprobeerd, in tegenstelling tot mijn buurvrouw van tegen de zeventig.

“In onze tijd werd het er gewoon uitgeschraapt, bijna waar je bij was. De jeugd is maar slap tegenwoordig”, merkte ze op. “Wij verdroegen dat, dat doe ik nu ook.”

Foto: N. Jakovleva

Mijn jongere buurvrouw werd de vraag niet gesteld, die moest met spoed geopereerd worden: een miskraam. Ik vond het vreemd dat je tot ’s avonds niet mocht eten en drinken. In de Sovjet-perestrojka-tijd verdiende ik wat bij als verzorgsters in een ziekenhuis voor spoedeisende hulp, en we hielpen de zieken gewoon met een klysma. Bleek dat er hier geen verzorgsters meer waren – wegbezuinigd, net als de anesthesisten. De vloer, zo bleek, wordt tegenwoordig gedaan door een schoonmaakbedrijf en voor de patiënten is het nu zelfbediening: hun verzorging behoorde ook tot de taken van de verzorgsters. De kwaliteit van het schoonmaakbedrijf was af te lezen aan de vuile lakens die rondslingerden in de kamer, de medewerksters konden het maar niet eens worden over wie die moest opruimen. Maar het verbazingwekkendst was natuurlijk de douche met toilet. Het bidet doet het niet, meldt een briefje op de deur. De douche was beschimmeld en zat verstopt met haren van de plek die bij gynaecologie wordt behandeld. De patiëntes gingen er ook liever niet heen – op de hele afdeling was alleen maar koud water.

“Je moet de kraan langer laten lopen”, adviseerde een verpleegster. “Het haalt de elfde verdieping  niet.”

Helaas, het helpt niet: het water wordt niet warm, ’s ochtends niet, ’s avonds niet, niet na een uur, niet na twee uur. De slimsten doen water in een leeg flesje en leggen dat op de radiator, die gelukkig warm is. De toilet is een attractie apart: die gaat van binnen niet op slot, kennelijk uit zorg voor de medemens. Daarbij moeten de dames na een operatie de treden beklimmen om bij de verlangde toiletpot te geraken, die in beton gemonteerd zit. Ook hier geen zeep, wc-papier of luiers.

Foto: N. Jakovleva


Nou ja, het lijk in het halletje van de intake-afdeling verbaasde me al niet meer. Ik had hem al gezien, kennelijk nog in leven, toen ik om een uur of elf naar beneden ging naar de hal van de afdeling langdurig verblijf. Het was een glazen portaal – er was een of andere zwerver opgedoken, ze wisten niet wat ze met hem aan moesten. Op straat gooien was geen optie. Een bewaker vertelde dat hij dat een keertje had gedaan toen hij hier nog maar pas werkte. Was die zwerver doodgegaan in de kou. Ze hadden hem bijna ontslagen! Tegen drie uur liet ik me uitschrijven, ik ging via de intake naar buiten, toen hadden ze een oplossing gevonden: het hoofd was inmiddels afgedekt, alleen staken dezelfde laarzen nog uit. Hij lag op de vloer of op de lage stoelen, dat kon ik niet goed zien, ik ben uit de buurt gebleven. Zoals ook de nieuwkomers opzij sprongen om niet tegen hem aan te komen. Misschien was het geen zwerver, de typische geuren ontbraken.

Kortom, welkom bij ons voor een behandeling: hebt u nog niet genoeg ziektes, dan voegen wij er nog wat toe. De huidige hoofdarts Georgi Sobolev kan dan misschien ook een flat kopen in Düsseldorf. Zoals Mamontov erkende: “Georgi Fagimovitsj [Sobolev] is een leerling van ons. Afgaand op de aangifte 2017 bedraagt het inkomen van de hoofdarts van het Kabanov-ziekenhuis in overheidsdienst 3.993.000 roebel. Eigendom: een woonhuis met een oppervlakte van 82 m2. Een jaar eerder bezat hij ook nog duizend vierkante meter grond, maar dat is nu overgegaan op zijn echtgenote-arts, die een wat lager inkomen heeft, maar wel een woonhuis van 120 m2., twee appartementen en drie ruimtes  niet geschikt voor bewoning. Met recht een ‘leerling’ van Mamontov – diens echtgenote verhuurde ook een soort ruimtes-niet-voor-bewoning met afmetingen die doen denken aan die van een behandelkamer in het ziekenhuis.

Op mijn publicatie op sociale media heeft Sobolev niet gereageerd. Wel kwam er een reactie van het ministerie van Gezondheidszorg. Dat liet weten dat in 2018 38 miljoen roebel uit het provinciebudget is toegewezen aan het Kabanov-ziekenhuis voor onderhoud. In 2019 moet een begroting worden opgesteld voor onderhoudswerkzaamheden op de gynaecologie- en longafdeling.

[Over de longafdeling schreef een patiënte:] “Hier liggen mensen met bronchitis, met acute astma, longontsteking, enzovoort. Samen met die mensen liggen hier ook kakkerlakken, in enorme hoeveelheden. Beter gezegd, die liggen niet, die rennen, vooral ’s nachts, waarover ze maar willen: de muren, de wastafel, de nachtkastjes, over uw spullen, over u.” Wat zullen we het dan nog hebben over een vechtpartij met messen tussen twee dronken verpleegsters die tijdens een feestmaal (niet het eerste) in het ziekenhuis ruzie kregen om een chirurg. De minister van Gezondheidszorg van de provincie Omsk zelf, Andrej Storozjenko, zoon van het voormalig hoofd Binnenlandse Zaken in de rgeio, die al zeven jaar de baas is over de gezondheidszorg in Omsk, reageerde verbaasd: “Moeten we het daarover hebben? Twee medewerksters die twee wodka’s ophebben en gaan vechten?”

“De uitslag van het onderzoek is er over veertien dagen”, deelde de arts mee. “Wij behandelen niet, alleen spoedgevallen. Laat uw naam noteren bij de polikliniek in uw wijk, tegen die tijd bent u dan precies aan de beurt.” 

Mijn polikliniek, die de hele wijk Levoberezje bedient, valt onder het Kabanov-ziekenhuis. Volgens een bericht op de nieuwssite BK55, heeft het Onderzoekscomité  van de provincie Omsk (dit comité valt onder het Onderzoekscomité van de Russische Federatie dat zich onder meer bezighoudt met corruptie – EH) een strafzaak aangespannen tegen Sobolev, vanwege de onrechtmatige uitgave van meer dan 75 miljoen roebel uit de middelen van het Fonds van verplichte medische verzekering, en vanwege oplichterij. Schuld heeft hij niet bekend, de strafvervolging werd stopgezet: er werden geen strafbare feiten vastgesteld. Het Onderzoekscomité is nu eenmaal geen Interpol. In vrijheid en met een zuiver geweten richtte Sobolev een particuliere gezondheidsinstelling op, Nefrosovet, waarvan het adres hetzelfde is als dat van het Kabanov-ziekenhuis. De instelling houdt zich bezig met de opleiding van medici, de “leerlingen van Mamontov” planten zich dus voort en vermenigvuldigen zich.

De belangrijkste vraag die mij kwelt, is: waarom wordt dit alles geslikt door zowel de artsen (van wie er velen echte professionals zijn), alsook de patiënten, die gedwongen zijn zich onder deze omstandigheden te laten ‘behandelen’? Waarom houden zij hun mond? Er is een uitleg. Precies een maand geleden overleed de 46-jarige Olga Jermolenko aan een hartaanval, een redacteur van BK55, die het departement van Storozjenko meedogenloos had bekritiseerd vanwege de wanorde in de ziekenhuizen, de slechte omgang met patiënten, de totale bezuiniging op alles en iedereen, en vanwege de exclusieve steun voor particuliere klinieken. De familie vertelde dat de ambulance haar niet wilde komen ophalen, dat lukte pas bij een andere ziekenwagen, toen het al te laat was. 

© Natalja Jakovleva.

 ———————


(Onlangs belandde mijn voormalige docente Russisch uit Voronezj, de 80 gepasseerd, voor enkele dagen in een Nederlands ziekenhuis. Ze raakte, bijna met tranen in haar ogen, niet uitgepraat over de liefdevolle behandeling van de verpleging en de artsen. -EH).

 

Na de Goelag: de onschuldige kunstwerken van Marija Myslina - 2

———————

Eigenaardig en wrang is het, dat over Marija Myslina, een kunstenares die zulk mooi en aandoenlijk werk schiep, zo weinig bekend is. Er is een kladversie van een brief van haar hand, uit 1956, aan de Kunstenaarsbond (zie deel 1), waarin ze haar schrijnende woonomstandigheden beschrijft en om hulp vraagt. Heeft ze de brief ook werkelijk verstuurd? En heeft ze inderdaad hulp gekregen? Het is niet bekend.

De brief (de kladversie dus) roept vragen op. Myslina schrijft dat haar man in 1937 is gearresteerd en is “omgekomen in ballingschap”. Wist ze niet dat haar man, kunstenaar Vladimir Kaabak, in 1937 werd geëxecuteerd? (Kaabak wordt vermeld op een van de ‘Stalinlijsten’ van Memorial). Ze schrijft dat ze haar hele leven in Moskou heeft gewoond, terwijl ze achttien jaar in kampen en in ballingschap had doorgebracht. Trad ze, misschien toch nog angstig, maar liever niet al te zeer in detail over haar ‘beladen’ verleden, om de autoriteiten niet af te schrikken?  


Marija Myslina (1901-1974) was van eenvoudige komaf. Ze benutte de mogelijkheden die de jonge Sovjetstaat haar bood ten volle. Ze genoot een volwaardige kunstopleiding en nam deel aan tentoonstellingen. Vervolgens werd ze door diezelfde staat vertrapt, belandde ze in de Goelag, en moest ze midden jaren vijftig bijna smeken om hulp. Het is niet bekend of er van haar werk van voor de oorlog iets bewaard is gebleven.

In het tweede kamp waar Marija belandde, in het dorp Dolinskoje in Kazachstan, vond ze enig emplooi in de kampclub, waar onder meer toneelstukjes werden opgevoerd. In de jaren 1944-1946, toen ze uit het kamp was vrijgelaten, woonde ze als bannelinge in Tsjeboksary in de republiek Tsjoevasjië, aan de Wolga. Daar werd ze lid van de lokale afdeling van de Kunstenaarsbond. Het Staatsmuseum van Tsjoevasjië heeft 27 werken van Myslina in bezit, waaronder dit zelfportret.

Slechts twee van de werken die ik kon vinden, hebben een ‘staats-thema’. Een ontwerp uit 1943 voor een poster of ansichtkaart en een schets van een heldhaftig oorlogstafereel, waarvan als datering ‘jaren veertig’ wordt gegeven. Verder ontbreekt in haar werk, voor zover ik dat heb kunnen vaststellen, elke verwijzing naar politiek of ideologie. Daar zal ze haar buik van vol hebben gehad, ben je geneigd te denken. Het lijkt alsof ze is weggevlucht in dagelijkse, onschuldige stadstafereeltjes, dierenportretjes en landschapjes. Na haar terugkeer in Moskou werkte ze onder meer als illustrator van kinderboeken en tekende ze ansichtkaarten. Ze nam ook weer deel aan tentoonstellingen. De laatste jaren van haar leven was ze door ziekte aan haar bed gekluisterd.


In een artikel uit 2015 over een kleine tentoonstelling in Moskou van Myslina’s werk las ik dat haar bescheiden archief bewaard wordt in het RGALI (Russisch Staatsarchief voor Literatuur en Kunst), maar dat dit “nog lange tijd gesloten zal blijven voor lezers en onderzoekers”. Zou dat werkelijk zo zijn? En waarom dan? Bij dat archief ga ik niet aankloppen, maar ik hoop later dit jaar wel in Tsjeboksary het Staatsmuseum van Tsjoevasjië binnen te lopen.  

Marija Myslina (1901-1974)