voronezj

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 3

————————

Voronezj, september 1981.

“We zijn het er toch over eens dat de wetenschap moet zoeken naar de waarheid?” Het was de vraag  waarmee de zitting werd geopend. Ik bevond mij in een lokaaltje op de Universiteit van Voronezj, tegenover de zes (en niet drie, zoals ik in deel 2 schreef) docentes van de vakgroep Buitenlandse Literatuur. De openingsvraag, gesteld door mijn wetenschappelijk begeleidster, kon ik met een volmondig ja beantwoorden, maar daar hield de eensgezindheid wel mee op.

Onderwerp van de zitting was de samenvatting die ik had ingeleverd van mijn afstudeerscriptie, waaraan ik de maanden ervoor had zitten werken op het studiezaaltje van de studentenflat, aan de Oelitsa Fridricha Engelsa 10A. Het had me nogal wat moeite gekost, te midden van het vrolijke vertier op de flat, maar de scriptie was zo goed als af en ik was best tevreden met het resultaat. Dat mijn bevindingen bij de leden van de vakgroep niet in de smaak zouden vallen, had ik wel bevroed, maar de toon van de bijeenkomst overviel me toch een beetje. Mijn begeleidster zei dat ze “teleurgesteld en zelfs gekrenkt” was.

Mijn scriptie beschreef de wijze waarop de literatuurkritiek in de Sovjetunie tegen het werk van Charles Dickens aankeek. Mijn conclusies waren niet wereldschokkend. De Sovjet-blik was nogal eenzijdig, met te veel nadruk op de negatieve wijze waarop mijn favoriete schrijver het kapitalisme in het Victoriaanse Engeland belichtte. Andere aspecten (taal, humor, levenslust) bleven onderbelicht. Ook had ik geschreven dat het literaire leven in de USSR per definitie minder opwindend was dan in het Westen, doordat boeken die niet voldeden aan de ideologische eisen, domweg niet konden verschijnen. Met dat laatste punt, denk ik nu, zat ik deels mis. Juist in de Sovjet-literatuur kwamen sociale thema’s aan bod die elders niet behandeld konden worden en dat maakte de boeken vaak juist spannend – al moest je wel tussen de regels door kunnen lezen.

Universiteit van Voronezj, rond 1980 (?). Op het dak de leuze: LEVE HET MARXISME-LENINISME!

Ik zat in de geriefelijke positie dat ik me van het oordeel niets hoefde aan te trekken. (Een student op de flat verzekerde me dat hij een dergelijk werkstuk nooit zou hebben ingeleverd, hij had het gegarandeerd over moeten doen.) Ik vertrok korte tijd later naar Nederland, waar ik een mooie acht kreeg voor de scriptie. Het tijdschrift Intermediair kwam een jaar later met een themanummer over Rusland. Beursstudenten konden een stukje inleveren over hun ervaringen daar. Dat van mij, over de botsing in dat zaaltje op de universiteit, behoorde tot de ‘prijswinnaars’ en werd geplaatst.

En Dickens, hoe zou het daarmee zijn?, vroeg ik me af in deel 1. Ik bedoelde natuurlijk: zou de Dickens met wie ik me zo verwant voelde, mijn eerste literaire liefde, die me zo veel leesplezier had bezorgd en die me door mijn scriptie had geloodst, voor mij ook nu nog wel bestaan? Om dat te ontdekken, zou ik zijn boeken weer ter hand moeten nemen – en dat lijkt me geen goed idee. Laat het maar zo.

Charles Dickens (1812-1870)

Het doet me denken aan een voorval uit Dickens leven. Als jongeman, nog onbekend, was hij hopeloos verliefd geweest op een meisje, Maria Beadnell. Dickens was gezien zijn plek op de sociale ladder kansloos. Zijn latere huwelijk was ongelukkig. 24 jaar nadat hij Maria voor het laatst had gezien, kreeg hij plots een brief van haar. De twee ontmoetten elkaar opnieuw, waarbij het beeld dat Dickens had van zijn jeugdliefde aan scherven viel. Maria drong aan op nog een ontmoeting, Dickens ontweek haar.





Deel 1 en deel 2.

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 2

———————

Robert William Buss – Dickens’ Dream (uitleg onderaan)

In december 1979 viel de Sovjetunie Afghanistan binnen en mij kwam dat uiteindelijk – het klinkt een beetje raar – niet slecht uit. Er liep een aanvraag van me voor een studiebeurs in Rusland en daar ging meteen een streep door; de culturele en wetenschappelijke contacten met de USSR werden op een laag pitje gezet. Een jaar later, nadat de diplomatieke rook wat was gaan liggen, kwam er bericht uit Den Haag dat er een nieuwe aanvraag kon worden ingediend. Die tweede aanvraag werd goedgekeurd en zo begon ik in het voorjaar van 1981 met de voorbereidingen van een verblijf van zes maanden in Rusland, later dat jaar. Ik was er nu veel meer aan toe. De bedoeling was dat je tijdens zo’n studieverblijf aan je doctoraalscriptie werkte.Met die scriptie was ik inmiddels al een aardig eind op streek, de lastigste hobbels waren in alle rust genomen.

Toen de aanvraag werd goedgekeurd, ging ik er nog vanuit dat ik in Moskou zou belanden. Op zoek naar een wetenschappelijk begeleider daar, schreef ik universiteiten aan, onder meer die van Oxford. Konden zij mij misschien iemand aanraden? Dat ik advies zocht in Engeland, was niet zo raar, het onderwerp van mijn scriptie had een stevig Engels karakter: de literatuurkritiek in de Sovjetunie over Charles Dickens, of, zoals het op het titelblad zou komen te staan: De receptie van The Pickwick Papers en Hard Times in de Russische literatuur, 1918-1960. Uit Oxford kreeg ik antwoord van A.E. Pennington M.A., D.Phil., Professor of Comparative Slavonic Philology: “I think you are right not to go to Professor Ivasheva who is not only elderly but eccentric.” Professor Anikst, dat was misschien een betere keus: “… not young but he is extremely lively.” Tussen mijn papieren zit een ansichtkaart van een paar weken later, uit Moskou, van die professor Anikst, met zijn telefoonnummer. Hij was gaarne bereid mij te helpen.

De scriptie met een eerste (niet buitengemeen bijzondere) eerste druk van een werkje van Dickens.

Het is er nooit van gekomen. Van Russische zijde werd dat voorjaar zonder enig overleg bepaald dat een aantal Nederlandse beursstudenten – waaronder ik – niet naar Moskou zouden gaan, maar naar Voronezj.  “Ah, daar is gevochten!”, zei mijn vader, toen hij van mijn nieuwe bestemming hoorde.

Mij trok het vooruitzicht van zes maanden in de provincie niet. Moskou of Leningrad, daar moest je zijn. Daar zaten de theaters en de musea, daar was de voedselvoorziening ook nog redelijk op orde. Daarnaast deed het gerucht de ronde dat ik mijn kamer op de studentenflat in Voronezj met drie anderen zou moeten delen. Dat het een unieke kans was om ook eens buiten de grootste steden van de USSR rond te kunnen kijken, drong pas veel later tot me door.

Ik kwam die zomer toevallig nog als toerist in Moskou en besloot aan te kloppen bij de Nederlandse ambassade. Kon men daar misschien nog iets voor mij doen? Ik sprak er met een jonge, welwillende diplomaat. Hij zou informeren, maar meldde mij niet lang daarna dat ik mij toch echt diende voor te bereiden op een winter in de provincie. (Dat de jonge diplomaat zich enkele maanden later op een avond in Voronezj volledig zou verkijken op de ondermijnende werking van wodka, konden wij op dat moment niet bevroeden.)    

En zo kwam ik aan, eind augustus, op het station van Voronezj, met in mijn bagage (naast koffie en Biotex – beide op dringend verzoek van twee Amsterdamse studentes die al eerder waren gearriveerd), alle artikelen en aantekeningen voor mijn scriptie. Dat zou allemaal goed komen, ik hoefde dat ding alleen nog maar op te schrijven.   

Het leven in Voronezj – en vooral op de studentenflat – kwam als een golf over me heen en ik spoelde volgaarne mee. Scriptie schrijven? Het werd alsnog een worsteling. Met moeite wist ik me af en toe af te zonderen op het studiezaaltje in de flat en zowaar kon ik tegen het einde van mijn verblijf een uitgebreide samenvatting overhandigen aan mijn wetenschappelijk begeleidster. Die had ik al die maanden nauwelijks gezien, maar uiteindelijk wilde ze toch wel graag weten waar ik – op studiegebied – zoal mee bezig was geweest in Voronezj.

Het leidde tot een bizarre confrontatie, waarbij ik mij tegenover een panel van drie vrouwen diende te verantwoorden voor mijn oordeel over de literatuurkritiek in de Sovjetunie. Ze bleven beleefd, maar vonden het prutswerk. Ik lachte ze uit – achter hun rug – en vertrok kort daarna naar Nederland. Daar won ik met een beschrijving van die literaire aanvaring nog een prijsje.

——————-

Uitleg bij het schilderij van Robert William Buss:


Wordt vervolgd
Deel 1

Requiem voor een mus. Mijn avonturen als drummer in de Russische provincie.

---------------

 Niet in Rusland, wel ongeveer in hetzelfde jaar.

Niet in Rusland, wel ongeveer in hetzelfde jaar.


Mannen van zekere leeftijd doen (op materieel gebied) grofweg twee dingen: ze kopen een motor of een drumstel. Ik rijd geen motor – trek uw conclusies.

De laatste tijd drijven mijn herinneringen - uit de eerste alinea valt af te leiden waardoor - regelmatig terug naar de tijd dat ik als drummer in bescheiden bandjes mijn beste beentje voorzette – en niet alleen in Nederland. Onderstaand stukje schreef ik voor het Utrechts Nieuwsblad. Het beschrijft een avond in Voronezj in de winter van 1981-1982. De versie die u hier leest is op een enkel punt aangepast. *)  

*****

Af en toe ga ik mee met bevriende muzikanten die in het bruiloftencircuit van Voronezj regelmatig een centje bijverdienen. Een beetje bruiloft kan in Rusland allang niet meer zonder een bandje, dat popmuziek ten gehore brengt.

Het zaaltje waar we ditmaal terechtkomen is overdag de kantine van een vleesverwerkende fabriek en ’s avonds is het er, ondanks uitvoerig gedekte tafels, niet echt gezellig. We ontdekken dat er tussen de grote dubbele ramen, door een spleet bovenin, een musje terecht is gekomen. Ze is onbereikbaar en gedoemd een langzame dood te sterven. Ze hopt onhandig heen en weer tussen de schedeltjes van de mussen die haar voorgingen. Af en toe fladdert ze een stukje op. We wijzen naar boven en moedigen haar aan. Maar het mag niet baten, de ruimte tussen de ramen is te klein om de vleugeltjes goed uit te kunnen slaan. We besluiten die avond een requiem voor haar te spelen.

Russen drinken veel, zeker op bruiloften. Ook mijn vrienden laten zich deze keer met een eigen voorraadje achter het podium niet onbetuigd. Tussen de nummers door wordt er stevig ingenomen en in de pauzes schuift men aan bij de bruiloftsgasten om broederlijk me te toosten op het geluk van de jonggehuwden.

Tijdens de tweede set worden de gevolgen zichtbaar. De band zakt langzaam weg in dronkenschap, daarbij gelijke tred houdend met de bruiloftsgasten. De bassist doet een stapje opzij en valt van het podium, bovenop een bouwvallige versterker. Ik zie vonken. Ik speel mee tijdens Hotel California. De vaste drummer hangt om m’n nek en probeert me uit te leggen welke trommels ik moet raken. Veel keus heb ik niet meer. Het pedaal van de basdrum is allang doormidden en het vel van een andere trommel is sinds het vorige optreden nog niet hersteld. De andere muzikanten brengen er evenmin veel van terecht. Ze hebben de macht over hun snaren goeddeels verloren.

De vader van de bruid uit zijn ongenoegen over de muzikale wanprestaties. De dronken bassist ontsteekt hierop in woede. Ik trek hem opzij en probeer hem te kalmeren. Prompt valt hij me om de hals. Hij vertrouwt me toe dat ik ‘zijn lieveling’ ben en of ik met hem mee naar huis wil. De vaste drummer verzekert me dat ik ‘wel leuk’ speel, maar dat m’n linkerhand nog veel te zwak is. “Kom mee”, zegt hij en begint aan een privé-les, waarbij hij zo hard op het tafelblad slaat dat ik vrees voor zijn polsen. “Nu jij”, gebaart hij.

De derde en laatste set wordt door een van de gitaristen solo gespeeld. Halverwege krijgt hij ongevraagd steun van twee beschonken bruiloftsgasten. Ze kunnen nauwelijks een instrument vasthouden, maar hebben samen lol voor tien. Niemand schenkt enige aandacht aan hen. Gedanst wordt er allang niet meer.

Na afloop staan we met de apparatuur op straat. De band heeft geen eigen vervoer. Na twintig minuten vergeefs auto’s aanhouden, stopt er een stadsbus, op weg naar de garage. Voor tien roebel (bijna veertig gulden) mogen we de spullen inladen. In de eerste bocht valt alles om, de bekkens kletteren tegen de kaartjesautomaat. Het schiet me te binnen dat we vergeten zijn het requiem te spelen voor onze mus.

*****

*) Het artikel schreef ik in 1985 voor mijn column MOSKVA, op de opiniepagina van het Utrechts Nieuwsblad. De gehanteerde tegenwoordige tijd is dus geschiedvervalsing, de beschreven avond was drie jaar eerder. In de krantenversie staat in de eerste alinea ‘Moskou’- en ook dat klopt niet. Het gebeurde allemaal echt in Voronezj, maar dat botste met de titel van m’n rubriek: MOSKVA. Waarmee ik dus twee keer zondigde tegen de ijzeren regel van Nico Scheepmaker: alles in een column moet waar zijn. Voor de rest van het stukje heb ik me aan die regel gehouden.  

En waarom ik voorlopig niet meer terug wil naar Voronezj, leest u hier.

Waarom ik voorlopig niet meer terug wil naar Voronezj - 2

----------------

Wil ik ooit nog terug naar Voronezj, de stad waar ik aan het einde van het tijdperk-Brezjnev een winter lang verbleef als student? Ik kwam er sindsdien nog wel een paar keer, voor het laatst in 2003, maar het zijn toch vooral de herinneringen aan die verre winter van 1981-1982 die voor mij aan de stad zijn verbonden. Vrolijk en onbezorgd waren die maanden. Met een verjaardag, bijvoorbeeld, gevierd tussen plakken sneeuw in een verder glibberig, kletsnat bos. De heenweg verliep soepel, de terugtocht in het duister, met een gezelschap verkerend in verschillende stadia van dronkenschap, een stuk minder. 

Ik kwam (zie ook mijn vorige stukje) een serie foto’s tegen van het moderne Voronezj. De veranderingen zijn ingrijpend en ongetwijfeld geweldig voor de mensen die ervan profiteren – maar mij is iets afgenomen. Wat dan precies? Nou, dit bijvoorbeeld:

Het lijkt een verre buitenwijk, maar hemelsbreed is het misschien een halve kilometer verwijderd van de hoofdstraat, de Prospekt Revoljoetsii. Vanaf die straat daalde je af door een vergeten stukje stad met houten huisjes en belandde je in een soort niemandsland aan het water van de rivier de Voronezj. Met achter je de ijsvlakte van de rivier (deels afgedamd en veranderd in een reservoir) en voor je een vergane kerk en twee walmende schoorstenen van een fabriek met een Sovjetster, was dit een van de plekken waar je – met het centrum binnen handbereik – kon wegzakken in een aangenaam gevoel van troosteloosheid. Mij raakte het allemaal niet echt, ik zou over een maand of wat weer terug zijn in Nederland.        

Dit is er van de plek aan het water geworden. Er zijn nog wat kleine huisjes te zien, maar om mijn herinneringen te stutten, heb ik echt mijn oude foto’s nodig. In dit nieuwe Voronezj ben ik niet thuis:

---------------

Dergelijke straatjes (deze was in de wijk achter het station), waren een uitzondering. Hoe het er daar nu uitziet, weet ik niet.

De keuken in de studentenflat

Het waren trouwens dit soort desolate plekken in de stad die bijdroegen aan een lang niet altijd te onderdrukken gevoel van superioriteit. Dat gevoel was vaak terecht (wanneer je belang hecht aan hygiëne, huisvesting en goed voorziene winkels), maar kreeg soms scherpe randjes. Een gevoel van morele superioriteit lag op de loer. Het schemert door in onderstaande regels, uit een brief van 22 maart 1982 aan mijn ouders, waarin ik schrijf over de solidariteit tussen de Engelse en Nederlandse studenten op de studentenflat.       

“Die solidariteit wordt erg versterkt doordat we voortdurend worden geconfronteerd met een muur van botheid en onbegrip. In het begin is het nog wel grappig hoor, als je een Rus vol overtuiging hoort verklaren dat er “bij ons in de Sovjetunie geen racisme is” en dat hij zeker weet dat in Engeland de negers gewoon op straat worden vermoord, maar op den duur gaat het enorm irriteren, je wordt er moedeloos van en ten slotte geef je het maar op. Laat maar, hou ze maar dom, het is verspilde moeite, ze geloven je toch niet. Voeg daarbij de lachwekkende sanitaire toestanden, het lompe eten, de eeuwige toestanden in de winkels, postkantoren, bioscopen, restaurants, stations, en weet ik veel waar, maar vooral, nogmaals, het waanzinnig irritante feit dat die mensen hier geen klap van het Westen weten en erover praten alsof ze er net uit zijn weggevlucht.”  

Met “eeuwige toestanden” doelde ik op de alom aanwezige rijen en het lompe gedrag van personeel achter bijna elk loket. De rijen - in de winkels in elk geval – zijn verdwenen, en ookde bediening is her en der verbeterd, maar is dat genoeg om weer eens terug te willen naar Voronezj? Nee, want wat blijft zijn de veranderingen die de grond onder mijn herinneringen aan die zeven maanden in de stad hebben weggegraven.

Mocht ik dan toch nog eens naar Voronezj gaan, dan neem ik mijn oude foto’s mee.

Waarom ik voorlopig niet meer terug wil naar Voronezj - 1

----------------

De kans dat ik binnenkort nog eens door de straten van Voronezj loop, is niet zo groot. Reisplannen genoeg, maar die wijzen een heel andere kant uit: Siberië, misschien zelfs Sachalin. Voor nostalgische stukjes over de stad waar ik de winter van 1981-1982 doorbracht, heb ik voorlopig niet meer dan mijn herinneringen, wat oude foto’s en een stapeltje brieven, die ik schreef aan mijn ouders. En dat moeten we misschien maar zo laten.

Ik kwam een mooie serie luchtfoto’s van Voronezj tegen en dacht: wil ik daar ooit nog wel naar terug? Er zijn veel nieuwe gebouwen neergezet, mooie, minder mooie en afzichtelijke – dat is een kwestie van smaak, en daar gaat het niet om. Ze zijn neergezet op plekken waar mijn herinneringen rondzwerven. De hoge flats met hun kozijnen van kunststof, de glazen torens, de kerken, nieuw of gerestaureerd – het zijn schaamteloze indringers, stuk voor stuk.

Ik kwam in 1981 per trein aan in Voronezj, in het vroege najaar. Op een van de eerste dagen liet ik bovenstaande foto maken, door een fotograaf die bij het oorlogsmonument op klanten wachtte. Het was een desolate plek, met als plaveisel blokken beton die net niet helemaal recht lagen, met achter me het somberste monument dat ik ooit had gezien, en de herfst die in de lucht hing – het klopte allemaal. 

Toen ...

... en nu.

En moet je nu kijken. De betonblokken zijn weg of gladgestreken, ach, nou ja. Maar die crèmekleurige flat daarachter, met die modieuze kromming … Ik weet niet hoe de rechterkant van het gebouw eruitziet, daar zit vast ook zo’n kromming. Daar zullen de appartementen het duurst zijn, want die kijken uit over de rivier. Ik gun het de mensen die er wonen van harte, maar mijn Voronezj is het niet.
 

Onze studentenflat lag op een binnenplaats aan de Friedrich Engelsstraat – nummer 10A, voor als u eens wilt gaan kijken. Aan de overkant van de straat had je een parkje met een bioscoop, een paar waterautomaten en een scheve schommel. Ooit was er een schaatsbaantje geweest, een circus en een zomertheater, maar al die drukte was voor mijn tijd. Toen ik er rondliep was het parkje, zo voelde dat, voorgoed in slaap gevallen. En moet je nu kijken. Het wordt nu echt nooit meer wakker, het is verdwenen onder een kerk.   

Achter de lage flats rechts liggen de studentflats.

Patrick_Star.png

Tussen deze bespiegelingen door stuitte ik toch nog op wat aardigs. Aan de 25-oktoberstraat had je vroeger op nummer 48 Voentorg, een winkel met een legerassortiment. Die winkel is verdwenen, wat er nu zit weet ik niet. Het gebouw heeft een typisch Sovjet-torentje met ster. En die ster hebben onverlaten recent overgeschilderd en er Patrick Ster van gemaakt, een figuur uit de tekenfilm SpongeBob. Dat is natuurlijk niet netjes, en ik moedig dit soort dingen ook zeker niet aan, maar ik zie het als mild protest tegen al die nieuwbouw rondom – en dan kan ik er toch om glimlachen. 


Is er dan helemaal niks meer hetzelfde gebleven in Voronezj? Jazeker wel, en daarover meer in mijn volgende stukje.

Hier deel 2.

Mei 1945: de sportparade in Stalingrad en de dansende kinderen van de fontein

Stalingrad fontein parade 1945

Eigenaardig. Het lijkt me toch een gebeurtenis van enig formaat, maar behalve een bescheiden aantal foto’s heb ik er niets over kunnen vinden: de parade van sportlui (fizkoeltoerniki) die in mei 1945 werd gehouden in Stalingrad.

De omvang van het evenement zal bescheiden zijn geweest (zeker in vergelijking met de sportparades op het Rode Plein van 1939 en 1945), maar de symbolische waarde kan nauwelijks worden overschat. Kijk eens, zo springt het van de foto’s af, hoe wij, kinderen van de zegevierende Sovjetunie, ons hebben opgericht na alle oorlogsellende! Wij zijn het land van de overwinnaars en niets kan ons stoppen op weg naar de stralende toekomst.

En dat alles, nota bene, in Stalingrad, het decor van een van de belangrijkste en gruwelijkste veldslagen van de Tweede Wereldoorlog. Daar moet toch het een en ander over geschreven zijn. Hoe verliep de voorbereiding? Wie stonden er op de tribune (zie de tweede foto in de reeks hieronder)? Hoeveel mensen liepen er mee? U hoeft er niet voor naar Russische bibliotheken of krantenarchieven – dat heb ik ook niet gedaan – maar als u er ergens iets over aantreft, hoor ik het graag.

Het meest in het oog springt natuurlijk de foto boven aan dit stukje. Op de voorgrond wordt de dans nagedaan van het grotendeels ongeschonden beeld van de fontein op de achtergrond. Dat konden de Duitsers al niet kapot krijgen, en ons al helemaal niet! De fontein en het beeldengroepje (zes dansende kinderen rond een krokodil) werd geplaatst in 1935. Het kwam uit Charkov en bij het transport, zo schreef de Stalingradskaja Pravda enigszins ontstemd, was het licht beschadigd geraakt …

Ik las dat die beroemde fontein niet meer bestaat. Dat wist ik niet en dat verbaasde me zeer. Dankzij deze foto van Emmanoeil Jevzerichin (Эммануил Евзерихин), gemaakt op 23 augustus 1943, werd het beeld een symbool van het oorlogsgeweld dat Stalingrad teisterde.

Tweede Wereldoorlog fontein Stalingrad Evzerichin

In de jaren vijftig werd het bij de wederopbouw van de stad verwijderd, omdat het geen artistieke waarde bezat. Dat laatste zal best, maar zet die zes dansende kinderen naast het gigantische standbeeld ‘Het moederland roept’ op de Mamajev Koergan, en dan weet ik wel waar ik mijn bloemen leg. (Nog geen vijf minuten nadat ik dit stukje had geplaatst, werd ik er door Floris Akkerman op gewezen dat er wel degelijk een replica is teruggezet. Hij heeft deels gelijk: er staat sinds 2013 inderdaad een nieuwe versie - wat mij was ontgaan -  maar daarvan zijn de kinderen duidelijk een paar  jaar ouder dan die van de originele versie.)

Het beeld van de kinderen en de krokodil was – even los van alle symboliek - niet uniek. Vergelijkbare exemplaren werden in andere steden neergezet, onder andere, zo las ik ook, in Voronezj, op het Koltsovplein, pal in het centrum. Nou heb ik in Voronezj in de vroege jaren tachtig heel wat voetstappen achtergelaten, maar dat beeld kon ik me niet herinneren. En dat klopte, zo bleek gelukkig. In de oorlog verdween het (de Duitsers gebruikten het plein als begraafplaats), om na de bevrijding van de stad weer terug te keren. In 1977 werd het verwijderd.  

 Duits kerkhof op het Koltosovplein, Voronezj

Duits kerkhof op het Koltosovplein, Voronezj

 Koltsovplein, Voronezj, jaren zestig.

Koltsovplein, Voronezj, jaren zestig.

Ik schreef al dat de parade in Stalingrad qua omvang relatief bescheiden moet zijn geweest. In 1939 en 1945 ging het er op het Rode Plein in Moskou zeker een stuk massaler aan toe, zoals te zien is in deze twee filmpjes:

Zingende voetbalsupporters op de tribune begeleid door een accordeon? Het gebeurt in Voronezj. Met dank aan Grigori Leps.

De verrichtingen van voetbalvereniging Fakel Voronezj spelen zich grotendeels af buiten mijn gezichtsveld. Vreemd eigenlijk, want ik ben een voetballiefhebber en heb daarnaast nogal een zwak voor Voronezj, sinds ik daar in de heel vroege jaren tachtig zeven maanden woonde aan de Oelitsa Friedricha Engelsa 10A.

Ik heb indertijd ook nooit een wedstrijd bezocht. Omdat mijn verblijf grotendeels in de winter viel – dan ligt de competitie stil - en ook, vermoed ik, omdat de studentenflat qua zang, dans en ander vermaak vrijwel volledig zelfvoorzienend was. We hoefden niet zo nodig de stad in.

Fakel Voronezj speelt tegenwoordig -  ik moest het even opzoeken – in de Tweede Divisie, twee afdelingen lager dan de Premjer Liga. Ik kwam de club, en dan vooral de supporters, weer eens tegen dankzij zanger Grigori Leps. Die is nogal populair en onlangs schreef hij een wedstrijd uit. Maak een eigen uitvoering van zijn onvolprezen lied Een glas vodka op tafel, maak er een filmpje van en stuur het op. Van de beste inzendingen wordt een compilatie gemaakt, de winnaars ontmoeten Leps ook nog in eigen persoon. 

Dat lieten de supporters van Fakel (Fakel betekent gewoon fakkel) Voronezj zich geen twee keer zeggen.

 

Mij lijkt dit vrij uniek. Niet eerder zag ik de harde kern van een voetbalclub een lied zingen op de tribune met begeleiding van een accordeon. De jongen die de supporters qua toonsoort nog een beetje in het gareel probeert te houden, zit rechtsonder (op het filmpje, niet op de foto boven).

Hoe aandoenlijk kan een supportersvak zijn. Kijk ook  naar de zangers die van een blaadje of hun telefoon de tekst meezingen. En het wordt nog aandoenlijker wanneer de camera 180 graden draait. Er zit verder geen hond in dat hele stadion!

De regels van de Leps-zangwedstrijd (inzenden kan niet meer) waren vrij ruim. Je mocht zelfs playbacken. Maar dat was de eer van de harde kern in mijn Voronezj natuurlijk te na. Sta je op de tribune te playbacken, dan wordt je als fanatiek supporter van Fakel Voronezj natuurlijk never nooit meer serieus genomen. (Wat een aardig spandoek hangt er trouwens ook: VUURGEVAARLIJK).

Hier Grigori Leps met het origineel van Een glas vodka op tafel. Afluisteren is niet verplicht. En trouwens, heb je de versie van de supporters eenmaal in je hoofd zitten, dan wil geen andere meer. Overige inzendingen heb ik niet bekeken, de harde kern van Fakel Voronezj is voor mij zo al de kampioen. Wanneer de uitslag bekend wordt gemaakt, weet ik niet, maar ik houd u op de hoogte.

 

Het supportersfilmpje werd gemaakt tijdens de wedstrijd eerder deze maand tegen Sokol Saratov. Wij wonnen met 2-0.