sport

Op één in mijn top drie van Samara: het Dinamo stadion in de voortuin van de kathedraal

-----------------


Gaat het me lukken? Zal ik op tijd zijn? Zal ik op die prachtige vip-tribune plaats kunnen nemen, al is het maar voor even? Of stuit ik op een hoog en onverbiddelijk gesloten hek?

Komend voorjaar hoop ik Samara, stad aan de Wolga, te bezoeken. Boven aan mijn lijstje met niet te missen bijzonderheden daar staat het Dinamo stadion (gevolgd door de bunker van Stalin en het Huis met de olifanten). Het werd gebouwd kort na de oorlog, toen Samara nog Koejbysjev heette, op een plek waar ooit een kerkhof was, ongeveer in de voortuin van de belangrijkste kerk van de stad. Veel eerbied voor godshuizen had men in die jaren niet. 

Lang zal ik naar het sportcomplex niet hoeven zoeken, het ligt pal in het centrum, vlak bij het station – kan niet missen. Nee, het gevaar schuilt in iets heel anders: een voor komend jaar aangekondigde renovatie. Is die al gaande tijdens mijn verblijf, is het stadion veranderd in een bouwput, dan kan ik mijn plannetje – tevens mijn belofte aan de lezer, gedaan in een eerder stukje – wel vergeten: plaatsnemen op die vip-tribune. Hier ziet u hem, in de jaren vijftig.


Die renovatie komt niets te vroeg. En zelfs indien mij er de weg door wordt versperd, moet ik eigenlijk alleen maar blij zijn. Blij dat zo’n relict uit het sportverleden van de USSR op waarde is geschat en behouden blijft voor de toekomst. Want hoe droevig is niet deze aanblik:


Je kan het je nauwelijks voorstellen, maar ooit boden de houten banken (alleen mijn vip-tribune was van steen) plaats aan 22.000 toeschouwers. In 1944 werd tot de bouw besloten. Die ving aan in 1945, er werden Duitse krijgsgevangenen bij ingezet en drie jaar later, op 3 september 1948, gingen de poorten open voor de eerste voetbalwedstrijd. De lokale trots Krylja Sovetov ontving Dinamo Kiev en won, dankzij een treffer van Nikolaj Zajtsev in de 72ste minuut, met 1-0. In Koejbysjev had de sportclub Dinamo, in tegenstelling tot haar bloedbroeders in bijvoorbeeld Moskou, Tbilisi en Kiev, geen sterke voetbalafdeling, en Krylja Sovetov werd de hoofdbespeler van het nieuwe stadion. Dat duurde tot 1970, toen de club verhuisde naar stadion Metalloerg.

En al die tijd stond daar braaf aan het korte eind van het veld, achter een van de doelen, die kerk, de Pokrovski kathedraal. De geschiedenis daarvan gaat terug naar het begin van de negentiende eeuw, toen zich hier het stadskerkhof bevond – met een houten kerkje. Het kerkhof werd in 1857 gesloten en rond diezelfde tijd werd met geld van de kooplui Anton en Jemeljanov Sjichobalov de houten kerk vervangen door een nieuwe van steen. Bij wijze van dank kregen de Sjichobalovs een familiegraf op het terrein van de kerk. Uiteraard kunnen zij komend voorjaar op een bezoek van mij rekenen. 

De Pokrovski kathedraal overleefde de Sovjet-periode. Enkele jaren was het de enige kerk in Koejbysjev waar nog diensten werden gehouden. Toch ging het nog bijna helemaal mis. Op 7 november 1977, toen stad en land het 60-jarig jubileum van de Oktoberrevolutie vierden, werd er brand gesticht. De muurschilderingen uit de vorige eeuw en bijna alle iconen gingen verloren.

Het stenen hoofdgebouw van het stadion (niet de vip-tribune dus), aan de korte kant waar ook de kerk staat.

Maar het is niet die kerk die mij trekt, het is de voetbalhistorie vermengd met de Sovjet-geschiedenis. De sportarchitectuur van de jaren veertig, vijftig. De statige hoofdingang, het Dinamo-symbool boven de poort, de kleine grandeur van die stenen vip-tribune. Wie zaten daar, zogenaamd te midden van het volk? Wanneer ging ook het bovenste balkon open en wie zaten daar dan? En wat speelde zich af in de rust en na afloop? Er zal toch vast een buffet klaar hebben gestaan voor de onaantastbaren van de stad – al waren die 'onaantastbaren' tot maart 1953 hun leven net zo min zeker als die 22.000 toeschouwers op de houten tribunes. Ik wil door de Dinamo-poort naar binnen, tussen de houten bankjes doorlopen, naar die blauw-witte tribune. En wie weet, dat balkon …

En nou maar hopen dat de renovatie van het Dinamo stadion pas begint na mijn bezoek aan de stad.

Of zou ik in de winter gaan? Kijk nou, wat een beelden. Er gaat er eentje onderuit. Gebeurt dat aan de andere kant, dan vlieg je zo de kerk binnen.  

Kerkkoepels langs een voetbalveld in de provincie Samara. Ik doe een belofte.

---------------------

Bijna was ik supporter geworden van FK Zvezda uit het dorp Chvorostjanka in de provincie Samara.

Dat zit zo. Een paar maanden terug kwam ik bovenstaande foto tegen, schijnbaar enkele jaren oud. Ik liet hem zien op Facebook en Twitter en beloofde: ik ga uitzoeken hoe dat zit met die koepels en de ploeg die daar speelde. Ik nam aan – geen gewaagde veronderstelling - dat er een kerk in aanbouw was. Was die er ook gekomen? Of lagen die koepels daar nu nog steeds langs de lijn, weerspiegelden ze de spelers die een hoekschop kwamen nemen en schoot er iemand weleens een bal tegenaan? Ik verklap het maar meteen: wie nu vanaf het veld die koepels wil raken, moet flink zijn best doen, want die kerk is er gekomen. En er kwam meer, daar in Chvorostjanka. Veel meer, waardoor ik uiteindelijk, ondanks de fraaie kerk langs de lijn die ik – op foto’s – gebouwd heb zien worden, geen supporter kon worden van FK Zvezda.

FK Zvezda werd in 1981 opgericht. Er is een herenteam en een jeugdteam, waarin de beste spelers uit het rayon zijn verzameld. Het herenteam speelt in de competitie voor dorpsteams van de provincie Samara en meet daar zijn krachten met clubs als  Bezentsjoek Bezentsjoekski, Meliator Privolzjski en Torpedo Kinel-Tsjerkasski. Na een verdiende 5-3 zege voor eigen publiek op Meliator bezet FK Zvezda momenteel de vijfde plaats. Samen met die kerk langs de lijn alle reden dus om supporter te worden van FK Zvezda uit Chvorostjanka.

Van bovenstaande foto weet ik niet precies wanneer hij is genomen, maar dat zal ongeveer rond dezelfde tijd zijn geweest als de volgende foto, waarvan ik het wel weet: september 2009. En inderdaad, de koepels waren daar niet zomaar gedumpt – ze liggen te wachten tot ze geplaatst kunnen worden op de kerk rechts.

September 2009

En zie, in juni 2010 hadden de koepels hun plaats van bestemming bereikt:

Juni 2010.

Oktober 2010

En toen ging het mis. In welk jaar precies, weet ik niet, maar op onderstaand filmpje van juni 2016 is te zien dat de moderne tijd in Chvorostjanka heel hard heeft toegeslagen. Er ligt kunstgras.

Volgens mij is ook dat speelplaatsje met die autobanden verwijderd – kijk maar naar de eerste paar seconden – wat nog tot daaraan toe is. En dat het bakstenen gebouw aan de overkant van het veld een paar frisse kleuren heeft gekregen – ik doe er niet moeilijk over. Het herbergt een bewegings- en gezondheidscentrum dat voluit heet: Fizkoeltoerno-Ozdorovitelno Kompleks Viktorija (afgekort: FOK Viktorija), en dan is en beetje frisheid wel op zijn plek. Maar dat veld …

Op zoek naar meer foto’s van het voetbalveld-met-kerk stuitte ik vervolgens toevallig op dit tafereel, in de stad Samara …     

… met dit tribunetje:

De foto’s stammen uit 2010 en ik heb het nog niet aangedurfd om verder te zoeken. Die kerk, het zal wel, het gaat me om dat blauw-witte bouwseltje, zo kenmerkend voor de sport-architectuur van de USSR.  Zou het gered zijn? Zou het inmiddels in oude luister zijn hersteld? Ik heb helemaal niks met Dinamo (wij zijn van FC Zenit), maar van zo’n tribune word ik week.

Ik ga het uitzoeken. Ligt het stadion er nog, dan beloof ik u dat ik komend jaar afreis naar Samara en plaatsneem op die blauw-witte tribune. Ik zou dan ook nog even kunnen doorreizen naar FK Zvezda in het dorpje Chvorostjanka, verderop in de provincie, maar dat doe ik niet. Al hebben ze het daar tien keer nodig en heeft het zijn nut allang bewezen – van kunstgras wil ik niet weten.

Wordt vervolgd.

De tweede testwedstrijd in het nieuwe stadion van FC Zenit: een nederlaag met prachtige muziek

----------------


Het hoogtepunt van onze wedstrijd tegen Terek Grozny, in ons gloednieuwe stadion, zat meteen aan het begin. De laatste keer dat ik een thuiswedstrijd van FC Zenit bezocht, was - ik schrijf het met enige schaamte - een hele tijd geleden, en toen werd het Russische volkslied nog gespeeld. Dat gebeurde nu niet, maar opeens klonk er wel een ander lied. 9 mei is aanstaande, de dag waarop in Rusland het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt gevierd. En daarom klonk tijdens de eerste minuten van de wedstrijd vanaf de tribunes de mars Dag van de Overwinning, een van mijn favoriete stukjes Sovjet-muziek:  


Alle kaartjes voor de wedstrijd tegen Terek waren verkocht, had ik ’s ochtends gelezen op de site van FC Zenit. Stadion Sint-Petersburg telt ruim 68.000 plaatsen, maar omdat er nog van alles wordt getest en uitgeprobeerd, mochten er maar 35.000 toeschouwers in. Bij de eerste ‘testwedstrijd’, twee weken geleden tegen FC Oeral (2-0), waren dat er 20.000 geweest. Maar klopte dat wel, van al die verkochte kaartjes? Ik was behoorlijk vroeg, maar de ruimte voor het stadion oogde ongewoon leeg en bij de kassa’s stond een bescheiden rij; er waren duidelijk nog kaartjes te koop.

Ook binnen, met de wedstrijd op het punt van beginnen, vertoonden de opengestelde tribunes veel lege plekken. Het zal gewenning zijn geweest, mensen die hun weg nog moesten vinden, of de controles bij de ingang, want na een kwartiertje zat het alsnog vol. De laatkomers hadden wel mooi die mars gemist! Aardig detail daarbij nog: iedereen van de harde kern achter het doel droeg tijdens die mooie uitvoering een keurig, blauw jack. Pas nadat ze uitgezongen waren, kwamen de sjaaltjes en vlaggen tevoorschijn.

Maar goed, we speelden vandaag tegen Terek Grozny. Er moest gewonnen worden om nog een heel, heel klein beetje zicht te houden op de landstitel. Buiten, op de lange Vriendschap der Stedenlaan richting het nieuwe stadion, leek niemand daar echt mee bezig. Nee, het was dat stadion, dáár ging het om vandaag. Eindelijk, eindelijk was het dan klaar. Werden er ooit bij de bouw van een voetbaltempel zo veel obstakels overwonnen? Moest de begroting ooit zo vaak worden bijgesteld en de oplevering van zo’n bouwwerk zo vaak uitgesteld?  

Stadion Sint-Petersburg (zo heet het voorlopig, mogelijk wordt het uiteindelijk vernoemd naar FC Zenit of Gazprom) groeide de afgelopen jaren uit tot één van de symbolen van Russische corruptie. Nog onlangs stuurde politieke activist Aleksej Navalny een venijnig filmpje de wereld in, waarin hij het bouwwerk - niet ten onrechte - omschreef als een bodemloze bron van corruptie. En dan te bedenken - zo voegde hij eraan toe - dat het dak lekt en de constructie om het veld het stadion uit te rollen niet functioneert: 


Of het dak lekte, kon ik niet controleren, want het stond wagenwijd open. Maar dat van die grasmat is onzin. De uitrolconstructie is niet defect, nee, op de plek buiten waar de grasmat naartoe gerold moet worden, wordt een perscentrum gebouwd voor het toernooi om de Confederations Cup van komende zomer. Dat twee verdiepingen tellende perscentrum blijft daar staan voor het WK van 2018, dan wordt het afgebroken en daarna pas kan het gras het stadion worden uitgerold. Dat is geen overbodige luxe, want het veld zag er nu bar slecht uit. De grasmeesters van FC Zenit hebben een prima reputatie, maar het zal nog een hele klus worden om de boel voor aanvang van de Confederations Cup op orde te krijgen. Rusland opent het toernooi op 17 juni met een wedstrijd in Stadion Sint-Petersburg tegen Nieuw-Zeeland. 


Nog een waarschuwing voor wie het stadion gaat bezoeken: met een rugzak kom je niet naar binnen. Ik werd tegengehouden door een vriendelijke mevrouw bij de ingang. Ze verwees me naar twee keten, driehonderd meter terug, waar je te grote tassen in bewaring kon geven. De ene keet was voor Zenit-supporters, de andere voor die van de tegenstander. Ik koos voor de tweede, want die was het dichtstbij en ik vermoedde dat de rij daar na afloop een stuk korter zou zijn. Ik mocht er mijn rugzak achterlaten. Terug bij de ingang zei ik tegen de mevrouw dat ik bij de keet voor de tegenstanders was geweest en dat ik nu dus officieel supporter was van Terek Grozny was. “Aai, aai, aai!”, zei ze geschrokken, en ze liet me vriendelijk door.     

--------------

We verloren met 1-0, wat ongetwijfeld tot vreugde leidde in Moskou. Want daarmee was dat Spartak daar kampioen. 

Manhoff meets Denejka – nieuwe beelden uit het foto- en filmarchief van een Amerikaanse diplomaat in het Moskou van de jaren 50.

-------------------

En hier is alweer deel twee over de foto’s en films van Martin Manhoff, de Amerikaanse diplomaat die in de jaren 1952-1954 in (vooral) Moskou zijn camera de vrije loop liet. De belangrijkste beelden uit Manhoffs archief – die van de uitvaart van Stalin – zaten in deel één (hier en hier), maar ook nu is er weer veel boeiends te zien.  

Mijn favoriete foto is dit keer die van de traditionele estafette door de straten van de hoofdstad, boven aan dit stukje. Ik schreef eerder over die stratenloop, waar gemengde teams aan meedoen. Rechts komt een loopsters aan, in het vak staat de loper klaar die het stokje gaat overnemen. Van eenzelfde moment maakte Aleksandr Denejka onderstaand schilderij, dat tot mijn – ik ben consequent – favoriete schilderijen uit de Sovjettijd behoort.

A. Dejneka: Estafette op Ringweg B (1947)

De estafette is ook te zien bij de filmbeelden hieronder. Ook hier geven loopsters (belangstellend gadegeslagen door twee geüniformeerde ordebewakers) hun stokje over aan lopers. Duidelijk is te zien dat je voor deze wedstrijd een behoorlijk niveau moest hebben – simpele liefhebbers verschenen hier niet aan de start.


Tot slot van deze aflevering nog een aantal foto’s.

Leeszaal. Locatie onbekend.

 

Hier deel drie.   

Agustín Gómez, de Baskische voetballer die de Russische beker won, door Franco werd gemarteld en in Moskou werd begraven

---------------------

Tweede van links: Agustín Gómez in het shirt van Torpedo Moskou

Agustín Gómez (Августин Гомес), Bask van geboorte, won met Torpedo Moskou twee keer de Russische voetbalbeker en werd geselecteerd voor het nationale elftal van de Sovjetunie. Als Sovjet-agent was hij actief in Spanje en Zuid-Amerika. Hij werd gemarteld in een Spaanse gevangenis en vond zijn laatste rustplaats vlak bij die van Aleksandr Solzjenitsyn.

In 1937 en 1938, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, werden duizenden kinderen geëvacueerd naar veiliger oorden. Zo’n drieduizend van hen belandden in de Sovjetunie. Onder hen de 15-jarige Agustín Gómez Pagola, een veelbelovend voetbaltalent, dat het al geschopt had tot een Baskische jeugdselectie.

Spaanse kinderen arriveren in Leningrad

Gómez (Rentería, 1922 – Moskou, 1975) belandt via Odessa in Moskou. Aanvankelijk blijft het voetbal voor hem beperkt tot wedstrijdjes tussen Spaanse vluchtelingenteams, maar wanneer  hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in dienst treedt bij Vliegtuigfabriek nummer 30, wordt het al snel serieuzer. Hij gaat spelen voor het fabrieksteam Krylja Sovetov (niet te verwarren met het veel bekendere Krylja Sovetov uit Samara). Daar krijgt hij in 1946 als teamgenoot Nikita Simonjan, die later naam zal maken bij Spartak Moskou. Simonjan herinnert zich in een interview: “Agustín ontfermde zich meteen over mij. Hij woonde al bijna tien jaar in de hoofdstad. Hij hield van Moskou en vaak zwierven we ’s avonds door de stad. Hij was een gentleman met een fijngevoelig verstand.”

Gómez speelt zich als verdediger in de kijker bij de grote clubs en stapt in 1947 over naar Torpedo Moskou. Hij is een van de leiders van het team dat in 1949 en 1952 de nationale beker wint. In dat laatste jaar krijgt de Bask, die inmiddels Sovjet-staatsburger is, de officiële graad Verdienstelijk sportmeester. Als enige speler van Torpedo wordt Gómez, inmiddels 30 jaar oud, geselecteerd voor het Sovjetelftal dat in 1952 meedoet aan de Olympische Spelen in Helsinki. Hij blijft er op de bank, tot een debuut in het Sovjet-shirt komt het niet. Hieronder beelden van de bekerfinale van 1952, die Torpedeo met 1-0 wint van Spartak Moskou.  


Gómez is dan al politiek actief binnen de Spaanse gemeenschap in Moskou, waar hij nauwe contacten onderhoudt met Dolores Ibárruri, de vooraanstaande Spaanse communiste die net als Gomez uit Spanje is gevlucht. In 1954 speelt Gomez geen enkele wedstrijd. Aangenomen wordt dat hij in dat jaar, in opdracht (of in elk geval met medeweten) van de Russische geheime dienst, ondergronds werk verricht in Spanje. Officieel mogen Spaanse vluchtelingen de Sovjetunie dan nog niet verlaten. Wanneer dat twee jaar later wel het geval is, keert Gómez met zijn vrouw en twee kinderen terug naar Spanje. Dat zijn banden met Moskou hecht blijven en zijn vertrek niet als definitief wordt gezien, blijkt uit het feit dat hij Verdienstelijk sportman blijft. Wie zich voorgoed elders vestigde, raakte die graad kwijt.

Gómez tekent een contract bij Atlético Madrid. Dat wordt geen succes en al snelt verhuist hij naar het Baskenland, waar hij jeugdtrainer wordt. Onder anderen heeft hij Miguel Ángel Alonso onder zijn hoede, de vader van de toekomstige Spaans international Xabi. Hij blijft actief in de communistische beweging en dat komt hem duur te staan. In 1961 wordt hij opgepakt en zwaar gemarteld. In Moskou worden manifestaties gehouden, onder meer op de fabriek waar hij ooit werkte. Het Spaanse Franco-regime, dat juist bezig is om de internationale relaties te verbeteren, zwicht onder de internationale druk: Gomez komt vrij.

Agustín Gómez in het shirt van Atlético Madrid

De eenvoudig toegangbare bronnen (archiefonderzoek valt buiten de marges van dit blog) hebben over de jaren die volgen weinig te melden. Gómez blijft gelieerd aan de communistische partij in Spanje, de CPE, maar zet, gestuurd door Moskou, zijn clandestiene activiteiten voort in Zuid-Amerika. Hij blijft trouw aan Moskou en spreekt in 1968 zijn steun uit voor de invasie van Tsjechoslowakije door troepen van het Warschaupact. Dat leidt tot een botsing met de partijtop van de CPE, die de invasie veroordeelt. Gómez wordt uit de partij gezet en richt met andere Sovjet-getrouwen een eigen partij op.

Gomez' graf in Moskou

Dat Gómez trouw blijft aan ‘zijn’ Moskou is gezien zijn levensloop niet verbazingwekkend. De bevrijding van zijn vaderland van het Franco-juk maakt hij net niet mee. Hij overlijdt op 16 november 1975 in een ziekenhuis in Moskou, vier dagen eerder dan Franco. Gómez wordt begraven op de begraafplaats van het Donskoj klooster, niet ver van het graf van één van de grootste tegenstanders van het Sovjetbewind, Aleksandr Solzjenitsyn.

Misjka is zoek. De mascotte van de Spelen in Moskou werd wereldberoemd, maar waar is het origineel?

-----------------------

Misjka Tsjizjikov Olympische Spelen 1980 Moskou beertje ontwerp auteursrechten

Eén iemand in Rusland zal met extra aandacht – en gemengde gevoelens - de verkiezing hebben gevolgd van de officiële mascotte voor het WK voetbal van 2018: Viktor Tsjizjikov. De inmiddels bejaarde Tsjizjikov ontwierp de wereldberoemde mascotte voor de Olympische Spelen van 1980 in Moskou: het goedmoedige beertje Misjka. Het diertje bezorgde hem roem in binnen- en buitenland, maar verder vooral veel ergernis, en weinig inkomsten. “Nee, de auteursrechten heb ik niet, daar is nooit een contract voor afgesloten", vertelt Tsjizjizkov in elk interview. Waardoor Misjka, in de optiek van Tzjizjikov, vogelvrij is en iedereen zijn beeltenis maar kan gebruiken, te pas en te onpas.

De mascotte van het WK voetbal, komend jaar in Rusland, is een wolfje geworden. Ik heb nog geen reactie van Viktor Tsjizjikov gelezen, maar ik vermoed dat hij opgelucht is. Niet wéér een beertje, zoals bij de Olympische Winterspelen van 2014 in Sotsji. Tsjizjikov, die in Rusland een grote naam heeft als illustrator van kinderboeken, vond dat ijsbeertje wel erg veel weg hebben van zijn Misjka. Maar hij stond machteloos. Want ja, die auteursrechten …

Links een van de mascottes van Sotsji 2014. Rechts Tsjizjikovs Misjka.

Zabivaka, de mascotte van het WK voetbal

Zijn Misjka kwam pas laat in beeld als mascotte voor de Spelen van 1980. Russische tv-kijkers hadden al gekozen voor een beer als symbool. Dat leverde een stortvloed aan ontwerpen op, maar de ideale beer zat er volgens het Olympisch Comité van de USSR niet bij. Tsjizjikov hoorde met twee bevriende illustratoren van de zoektocht en met een flink aantal inderhaast getekende potloodschetsen meldden zij zich bij het Comité. Dat koos tenslotte voor één van de beertjes van Tsjizjikov, die als Misjka wereldberoemd zou worden. Wat nog wel ontbrak waren de kleuren en een verwijzing naar de Olympische Spelen. De kleuren waren geen probleem – al is Tzjizjikov kleurenblind (hij levert zijn ontwerpen in met instructies voor de te gebruiken kleuren). Voor de olympische symboliek had hij nog een paar maanden nodig. Toen was hij er eindelijk uit: een riem met de vijf ringen.

Tsjizjikov is trots op zijn Misjka. “Ik had alle eerdere olympische mascottes bestudeerd [de eerste dateert van de Winterspelen van 1968 in Grenoble – EH], niet één kijkt je aan. Mijn Misjka is de eerste mascotte die zich rechtstreeks tot de kijker wendt.” Misschien viel het beertje daarom in de smaak bij Lord Killanin, de toenmalige voorzitter van het IOC, die bij een bezoek aan Moskou zijn voorkeur voor Misjka uitsprak. En nadat ook het Centraal Comité van de Communistische Partij de mascotte had goedgekeurd, restte nog één detail: de auteursrechten.

En daar ging het mis, volgens Tsjizjikov. Maar of hij helemaal gelijk heeft? In ieder geval werd er geen contract opgesteld waarin zijn auteursrechten werden vastgelegd. Het Olympisch Comité in Moskou gaf hem te verstaan dat het ontwerp toebehoorde aan het Sovjet-volk, dat zich immers had uitgesproken voor een beer als mascotte. Voor de schepper van Misjka zat er uiteindelijk niet meer in dan een vergoeding van zo’n 2.000 roebel, een stevig bedrag in die tijd, maar gezien de vele reproducties, ook al tijdens de Spelen zelf, een schijntje.

De vraag is of Tsjizjikov ook echt aanspraak had kunnen maken op de auteursrechten. Het Internationaal Olympisch Comité beschermt zijn symbolen en weet zich sinds 1981 (het Verdrag van Naïrobi) in auteursrechtelijke zin de exclusieve eigenaar van bijvoorbeeld de olympische ringen, de mascottes en zelfs woordcombinaties als ‘Sotjsji 2014’. Ik heb – tevergeefs - geprobeerd om enig inzicht te krijgen in de materie. Wordt er tegenwoordig eenmalig afgerekend met de ontwerper van een mascotte? Valt Tsjizjikovs mascotte, met terugwerkende kracht, onder dat verdrag uit 1981? Dit laatste zal - denk aan de olympische ringen om zijn middel - ongetwijfeld het geval zijn, maar dan nog vermoed ik dat de regelingen voor ontwerpers tegenwoordig heel wat ruimhartiger zijn dan die tussen Tsjizjikov en het Moskouse Olympisch Comité van 1979. 

'Misjka' bij het Loezjniki stadion

'Misjka' bij het Loezjniki stadion

De gemiste inkomsten zijn niet Tzjizjkiovs grootste ergernis. Het steekt hem vooral dat hij nooit meer enige zeggenschap heeft gehad over Misjka en de manier waarop zijn beertje is gebruikt. Dat begon al tijdens de Spelen in Moskou zelf. Bij de sluitingsceremonie, met een hoofdrol voor Misjka, werd hij niet betrokken. Vol lof is hij over de manier waarop honderden militairen de mascotte uitbeeldden op de tribune, over de traan die over Misjka’s wang biggelde. De proporties klopten volledig. Maar de Misjka die tenslotte als ballon opsteeg en wegdreef richting Moskouse Mussenheuvels, dat was een aanfluiting, van dat beest klopte helemaal niks, aldus Tzjizjikov. En wanneer je kijkt naar de nogal misvormde, ingezakte ‘Misjka’ die dertig jaar na de Spelen op de Heldenlaan bij het Loezjnikistadion als standbeeld werd geplaatst, dan voel je met Tzjizjikov mee. Ook hier ging de vormgeving buiten hem om. 

Hier het afscheid van Misjka tijdens  de sluitingsceremonie van de Spelen in Moskou: 


Ook nogal pijnlijk is dat niemand weet waar de originele tekening van Misjka is gebleven. De befaamde Tretjakovgalerij wilde hem kopen en belde Tsjizjikov. Die verwees het museum door naar het Russisch Olympisch Comité, waar hij de tekening ooit had ingeleverd. Daar had men geen idee waar Tsjizjikovs schepping was gebleven. De tekening is nog altijd zoek. 

De olympische Bloed-in-het-waterwedstrijd. Hoe het Hongaarse waterpoloteam in 1956 afrekent met de Sovjetunie.

-------------------

Was het de meest beladen wedstrijd ooit in de geschiedenis van de Olympische Spelen? De waterpolowedstrijd die op 6 december 1956 om 15.25 uur begon in het Olympisch zwembad van Melbourne, tussen Hongarije en de Sovjetunie? Dat is natuurlijk moeilijk meetbaar, maar onwaarschijnlijk is het niet. “De Hongaren hadden geen tanks, ze hadden alleen een bal in het water. Ze maakten er een oorlog van.”

Bijna hadden de Hongaarse waterpoloërs, oppermachtig in de jaren vijftig, op de Spelen in Melbourne ontbroken. In 1952 hadden ze in Helsinki olympisch goud veroverd en het staat wel vast dat de titelverdediger in Melbourne opnieuw zal toeslaan. Maar op 4 november 1956, achttien dagen voor het begin van de Spelen, vallen tanks van het Warschaupact Hongarije binnen. Moskou wil een einde maken aan de democratische aspiraties van de Hongaren, die zich los aan het wringen zijn uit het keurslijf van het Kremlin, 

Terwijl de tanks Boedapest binnenrollen en er bij straatgevechten honderden doden vallen, zit het Hongaarse waterpoloteam geïsoleerd in een trainingskamp in de heuvels boven de stad. Ervin Zádor, de jonge ster van het team, glipt ’s nachts de stad in, loopt door de gehavende straten om zijn familie op te zoeken. “Het kan zijn dat ik voorlopig niet thuiskom”, zegt hij tegen zijn moeder. Zádor heeft zijn besluit dan al genomen: hij zal na de Spelen niet terugkeren.


Even is het onzeker of de waterpoloploeg wel kan afreizen naar Australië, maar met een bus wordt Tsjechoslowakije bereikt en vandaar reist de ploeg verder, verscheurd door angst en twijfel. In Melbourne begrijpen de sporters uit de kranten pas echt wat er in hun land allemaal gebeurd is. In het Olympisch dorp wordt een kleine protestactie gehouden: de communistische Hongaarse vlag wordt vervangen dooreen ‘schone’; zonder hamer en rode ster. Achter zo’n schone vlag lopen de Hongaren ook mee in de openingsceremonie.

Hongarije plaatst zich ondanks de bizarre ‘voorbereiding’ zonder problemen voor de halve finales van het waterpolotoernooi. De volgende tegenstander in het water: de Sovjetunie.

De ploegen kennen elkaar goed. In 1954 is er in Boedapest gezamenlijk getraind. De Russen maken opnames en proberen de speelwijze van de Hongaren te imiteren. Boris Markarov, lid van de Russische waterpoloploeg: “Zij waren de meesters. Wij konden veel van hen leren.”

Mocht dat tot enige warme gevoelens hebben geleid, dan is daar op 6 december 1956 niets meer van over. István Hevesi: “De schoften! Het vuur van binnen brandde zo fel.” Alex Tarics, in 1936 met Hongarije winnaar van Olympisch goud: “Ze hadden geen geweren, geen tanks, geen vliegtuigen; ze hadden alleen maar een bal. Van een gewone wedstrijd maakten ze een oorlog.“ Voor de Russen is het anders. Joeri Sljapin: "Voor ons was het een sportwedstrijd. Niemand zei: voor het vaderland, voor Stalin! We wilden gewoon winnen.”  

Hongarije kán die middag niet verliezen – en dat gebeurt ook niet. Het gaat er snoeihard aan toe en de Hongaren delen flink uit. Oud-speler Nick Martin denkt er nog altijd met een grijns aan terug: “Zoals de Russen zeggen: waterpolo is geen pingpong.” Hongarije neemt een 4-0 voorsprong. Zádor treitert zijn directe tegenstander Valentin Prokopov: “Je ben een looser, je moeder is een looser en nog veel meer. De wedstrijd is gepeeld en je bent een zielige looser.” Kort voor tijd, wanneer Zador even een andere kant opkijkt, haalt Prokopov uit. Het levert het beeld op, boven aan dit verhaal, dat de wereld rondgaat en de wedstrijd zijn bijnaam verschaft: de Bloed-in-het-waterwedstrijd.

Het zwemstadion, waar de sfeer toch al geladen was, ontploft. “Hongarije, Boedapest!” klinkt het massaal. De toeschouwers moeten worden tegengehouden en wanneer de ploegen naar de kleedkamer gaan (het duel wordt niet meer hervat), houdt politie beide teams gescheiden.

Deszö Gyarmati relativeert: “Het was allemaal niet zo verschrikkelijk als de pers het deed voorkomen. Dat de Russen barbaren waren en hun imago hadden bezoedeld. Ze waren barbaren op een andere manier, maar niet in deze wedstrijd.”  


Hongarije - zonder Zádor - wint de finale met 2-1 van Joegoslavië. De USSR klopt Duitsland en wint brons. Na afloop van het toernooi moet elke Hongaar voor zichzelf beslissen: gaat hij terug naar Hongarije? “We waren een team. De volgende dag waren we individuen”, aldus Zádor. Zijn ploeggenoten zeggen dat hij terug moet gaan naar Hongarije, waar hij de beste waterpoloër van de eeuw kan worden. Maar hij wil niet gemuilkorfd worden en vertrekt naar Amerika, waar hij zwemtrainer wordt, van onder anderen een heel jonge Mark Spitz. Hij heeft nooit meer waterpolo gespeeld.

Ervin Zádor

In 2002 ontmoeten alle acht nog in levende zijnde spelers van het gouden Hongaarse team elkaar in Boedapest. Vier van de overlevende Russische spelers zijn ook aanwezig. Het levert prachtige beelden op van mannen op leeftijd, die elkaar in het water van het beroemde Gellértbad een balletje toegooien. Van enige animositeit is geen sprake meer.” Zádor: “We hebben de Russen een pak slaag gegeven, wat altijd leuk is. Maar zij waren net zozeer slachtoffer van de omstandigheden als wij.”  

----------------------

(Bovenstaand verhaal is grotendeels gebaseerd op de documentaire Freedom's Fury uit 2006. De historische achtergrond van de waterpolowedstrijd krijgt daarin niet minder aandacht dan het waterpolo zelf.) 

(Hongarije heeft op de Spelen in Rio de Janeiro zijn eerste twee wedstrijden gelijkgespeeld. Rusland heeft zich niet voor het toernooi weten te plaatsen.)