nederland/rusland

Andere Tijden Sport over de EK-finale van 1988, gezien door Russische ogen

(Eerste publicatie: 17-5-2012)

“Ja, dit is een goed stel hoor!” Het zijn de legendarische woorden van Theo Reitsma over het Nederlands elftal, na de gewonnen EK-finale van 1988 tegen de Sovjetunie. Boven ziet u de elf tegenstanders van Oranje in die wedstrijd, met het Sovjet-embleem en CCCP trots  op de borst. En ook dat was een goed stel.

Overtuigt u zich daar nog eens van in de uitzending van 7 juni van Andere Tijden Sport (Ned1, 22.10 uur), die geheel gewijd is aan de EK-finale van 1988. Het verhaal wordt nu, 24 jaar later, verteld door Russische ogen.

De afgelopen weken ben ik druk met dat Sovjet-stel in de weer geweest. Ter vertaling kreeg ik door programmamaker Thomas Blom interviews toegestuurd met die prachtige doelman Rinat Dasajev, met Chidijatoelin (op de foto naast Dasajev), met Litovtsjenko (zittend, rechts) en Belanov (zittend, tweede van links). Natuurlijk Belanov, die, gezeten op een bankje in Odessa, nog eens uitlegt wat er misging bij zijn strafschop. Ook werd gesproken met Michailitsjenko (staande rechts), maar dat gebeurde met een simultaan-vertaling, daar was mijn hulp als vertaler naderhand niet bij nodig. En o ja, bij Dinamo Kiev werd ook nog een oude assistent van de legendarische trainer Lobanovski naar zijn herinneringen gevraagd. Die had hij helaas niet meer helemaal op orde.

Wat ook niet helemaal op orde was: het oude archief van de Sovjet-televisie. Het bezoek van de Nederlandse tv-ploeg leidde tot een spannende zoektocht naar de Russische band van de EK-finale … 

Het werk aan de uitzending zit er nog lang niet op, het grote monteren is nu gaande. Ook daarbij wordt van mij nog ondersteunend werk verwacht. Bovendien staat een druk verblijf van mij in Sint-Petersburg voor de deur (ik ben op tijd terug voor de uitzending!). Wat ik maar wil zeggen: het aantal stukjes op dit weblog zal de komende weken vermoedelijk wat minder zijn dan normaal.

En Dasajev, ach, Dasajev … [filmpje is niet meer beschikbaar]

Kind van het Ereveld – Remco Reidings speurtocht naar nabestaanden van in Amersfoort begraven Sovjet-soldaten. Een boek en een documentaire.

(Eerste publicatie: 6-4-2012)

In 1998 krijgt journalist Remco Reiding van de Amersfoortse Courant het verzoek (‘no cure  no pay’): zoek uit wie er begraven liggen op het Russisch Ereveld en probeer nabestaanden te traceren. Twee jaar later, op 4 mei 2000, staat de bejaarde Dima Botenko uit het verre Jalta aan het graf van zijn vader in Amersfoort. Dima heeft al die jaren niet geweten wat er was gebeurd met zijn vader Vladimir, die als ‘vermist’ te boek stond. Dima Botenko is de eerste nabestaande van de Sovjet-soldaten op het ereveld die door Remco, na jaren van vaak hopeloos lijkend speurwerk, is gevonden.

Inmiddels zijn verwanten van bijna tweehonderd soldaten getraceerd. Er is een stichting die adoptie van de graven mogelijk maakt. En de zoektocht in de republieken van de voormalige Sovjetunie gaat nog altijd door. Ook dit jaar staan in mei weer verwanten van gesneuvelde soldaten bij een graf op het Russische ereveld.Reiding schreef over zijn speurwerk het boek ‘Kind van  het Ereveld’, dat vanaf dinsdag in de winkel ligt.

Op zijn zoektochten in Rusland ontmoet Remco zijn huidige vrouw. Hun zoon Dmitri is een kind van het ereveld. In zekere zin geldt dat ook voor Remco zelf. Zijn speurtocht hielp hem op de been en gaf hem zelfvertrouwen, nadat hij door de dood van zijn moeder in een flink dal was beland. Deze persoonlijke kant van het verhaal – niet het overtuigendste deel van het boek - loopt aanvankelijk parallel met de speurtocht naar nabestaanden. Gaandeweg komt die zoektocht, die voert langs Moskou, de Krim, oorlogsarchieven en voormalige Duitse kampen, centraal te staan. En dan word je als lezer gegrepen.

Er liggen op het ereveld in Amersfoort (strikt genomen bevindt het veld zich in de gemeente Leusden) 865 soldaten uit het Rode Leger: 101 van hen, voornamelijk Oezbeken, zaten in Kamp Amersfoort, waar ze zich onder erbarmelijk omstandigheden doodwerkten of waar ze uiteindelijk werden geëxecuteerd; 73 anderen werden overgebracht van andere begraafplaatsen in Nederland, de grootste groep (691 man) lag aanvankelijk op de Amerikaanse begraafplaats Margraten en werd enkele jaren na de oorlog herbegraven in Amersfoort.

Reiding richt zich eerst op de twee kleinere groepen, maar zonder enig resultaat.  Hij verlegt zijn aandacht naar de grote groep uit Margraten en dan doet hij zijn eerste belangrijke vondst: In het Centraal Archievendepot van het Nederlandse Ministerie van Defensie stuit hij op de door de Amerikanen opgemaakte Reports of Burial van alle 691 in Margraten begraven Sovjet-soldaten. Je bent als lezer dan al zo betrokken geraakt bij de zoektocht, dat je Reidings opwinding bijna kan meevoelen.

De ‘groep-Margraten’ bestaat voornamelijk uit krijgsgevangenen die als dwangarbeiders in Duitsland zijn beland. Velen zijn bevrijd door de Amerikanen, maar uiteindelijk toch nog overleden. In dertig gevallen vermeldt de overlijdensakte een emergency addressee, namen en adressen van familieleden. Die zijn echter door de Russisch-Engelse taalbarrière onvolledig, onduidelijk of verbasterd overgekomen, zodat ook voor die gevallen succes geenszins verzekerd is. Bovendien zijn in Rusland dorpen verdwenen, straatnamen gewijzigd en natuurlijk ook nabestaanden allang overleden. Er is nog heel wat hulp nodig van lokale archivarissen, museummedewerkers en veteranenorganisaties om eindelijk aan te kunnen kloppen bij een verbijsterde nabestaande.

Schrijnend is de desinteresse van de centrale instanties in Moskou, hartverwarmend de hulp die Reiding krijgt op lokaal niveau. In Kind van het Ereveld komt vooral het lot van Dima Botenko en de zoektocht naar zijn verwanten aan bod. Doordat Reiding de lezer ook meevoert langs de weg die de Sovjet-soldaten hebben moeten gaan, vanuit hun dorp via het slagveld naar een kamp in Duitsland, waar de bevrijding hen niet meer kon redden, krijgt de speurtocht en het uiteindelijke succes een extra lading.

De NCRV zendt op 4 mei een documentaire uit over het ereveld en Reidings speurwerk. Daarin wordt duidelijk – voor zover nog nodig – hoe belangrijk voor de nabestaanden het nieuws over hun vader, opa  of oom uit Nederland is. Een van de ontroerendste momenten zit in het gesprek met Lidija Tichonovna, aan haar Moskouse keukentafeltje. Enkele jaren geleden bezocht zij het graf van haar vader in Amersfoort. Op de vraag ‘wat betekent Remco voor u?’ breekt een warme lach door op haar vermoeide gezicht: “Remco is alles voor me”.

4 mei, 17.05, Nederland 2: Schepper & Co (NCRV) over de Sovjet-soldaten, begraven in Amersfoort, en de speurtocht naar nabestaanden in Rusland.

Aan het ereveld is ook een website gewijd.

Een verslagje van een feamiliebezoek u hier.

Een Nederlandse tabakshandelaar in bezet Oekraïne, 1944.

(Eerste publicatie: 31-1-2012)

Na het overlijden van zijn vader vindt Maarten van Bommel de oorlogsmemoires van zijn vader Jan. Dat Jan een oorlogsverleden met zich meedroeg, wist Maarten. De details kende hij niet. Die vindt hij in een map met veertig, aan beide zijden betypte bladen.

Ze zijn integraal opgenomen in het boek De Verbogen Schaduw. De tabakshandelaar van Nikolajev. Een Nederlander in de Oekraïne in 1944.

De memoires van vader Jan zijn gebaseerd op dagboeknotities. In de jaren tachtig en negentig heeft hij die uitgetypt en bewerkt tot een lopend verhaal. “A past interpreted not by the mind but by the heart”, aldus een briefje in de map.

De flaptekst meldt dat in De Verborgen Schaduw “de grote thema’s van de literatuur aan bod komen”.  Dat is – zelfs voor een flaptekst -  nogal potsierlijk. Vader Jan was geen groot schrijver. Toch is De Verborgen Schaduw een intrigerend boek, mede dankzij de twee begeleidende hoofdstukken van zoon Maarten. Daarin wordt verteld hoe het zo kon komen dat een Nederlandse jongen uit Den Haag in Nikolajev belandde, in bezet Oekraïne, en zich daar als een soort ritselaar in de tabakshandel stortte.

Met zijn in Nederland aangeschafte WA-uniform maakt Jan indruk op de meisjes en één daarvan, de knappe Lydia, groeit uit tot de liefde van zijn leven. Intrigerend is het perspectief van Jans verhaal. Oog voor de grote politiek heeft hij nauwelijks, hij is vooral bezig met de handel, feestjes en zijn Mercedes, die het op de Oekraïense wegen zwaar te verduren heeft. Nederlanders aan het Oostfront, daar kende ik al verhalen van. Een handige Nederlandse jongen in bezet Oekraïene, dat was nieuw voor me.

De memoires beslaan de periode januari – april 1944. Het lot van het Duitse leger in de Sovjetunie is bezegeld. In Nikolajev neemt de chaos toe. Pogingen om met de auto en de trein richting Wenen te vluchten, mislukken. Uiteindelijk lukt dat wel via Odessa, de Zwarte Zee en de Donau. Jan moet in Odessa afscheid nemen van Lydia. Ze heeft geen uitreispapieren, doet ook geen moeite om die in de wacht te slepen. Als liefje van een Duitser (in feite een Nederlander, maar dat zal geen verschil hebben gemaakt) kan zij van de nabije toekomst weinig goeds verwachten. 

Lydia is ‘de verborgen schaduw’ die voortaan over het rusteloze leven van Jan hangt. Hij trouwt nog wel, maar de geest van Lydia maakt een echt gelukkig huwelijk onmogelijk. Tegen zoon Maarten vertelde Jan kort voor zijn overlijden dat hij nergens spijt van had, behalve dat hij “dat Russische meisje niet had kunnen helpen”. Wie dat meisje precies was, begrijpt Maarten pas uit de map met Jans memoires.

Nog een klein detail. Jan zit in Odessa in een restaurant en daar speelt een orkestje de wals Tsjornye glaza (Zwarte ogen). Dat kan niet anders dan deze wals zijn: 

Word donateur van de Stichting Russisch Ereveld en maak een bezoek van nabestaanden mogelijk.

(Eerste publicatie: 23-12-2011)

Dit laatste stukje van 2011 (rond 10 januari gaan we verder) bestaat uit fragmenten uit de nieuwsbrief van de Stichting Russisch Ereveld, verstuurd aan graf-adoptanten en donateurs. De foto’s maakte ik afgelopen mei, toen de bejaarde Zoja Kozyreva het graf van haar vader bezocht, een Sovjet-soldaat die tientallen jaren als vermist te boek stond.  

Opsporing

De Stichting Russisch Ereveld is deze zomer een slotoffensief begonnen om nog zoveel mogelijk nabestaanden van in Leusden begraven soldaten te traceren. Als gevolg daarvan zijn het afgelopen halfjaar de families van zes Sovjetrussische oorlogsslachtoffers gevonden en geïnformeerd. De laatste loodjes wegen het zwaarst, nu de families die tamelijk gemakkelijk waren te vinden reeds zijn geïnformeerd.

Na jaren tevergeefs zoeken, werd de dochter van Roman Sikidin getraceerd. Zij verkeerde sinds de oorlog in onwetendheid over het lot van haar vader, die officieel nog altijd als vermist te boek staat. Met dank aan nieuwe gegevens konden de families van Michail Nadobnych en Semjon Minajev worden getraceerd. Aan de hand van onlangs gevonden documenten kon ook een nicht van Nikolaj Tormozov, die in Bad Hermannsborn overleed, worden geïnformeerd dat hij in Leusden is terechtgekomen. In Georgië werden de families van Pido Pitschelaoeri en Severjan Kankia opgespoord en geïnformeerd.

Grafbezoek

In mei organiseert de Stichting Russisch Ereveld een groepsreis voor kinderen van soldaten, die nooit eerder het graf van hun vader konden bezoeken. Nu zij eindelijk weten waar hij gebleven is, willen ze hem graag de laatste eer bewijzen. De stichting zoekt naar sponsoring, omdat deze nabestaanden niet over voldoende middelen beschikken om de reis zelf te betalen.

De reis wordt mogelijk gemaakt door het Wilhelmina E. Jansen Fonds, Rotaryclubs in Amersfoort en bijdragen voor grafadoptie. In totaal is 17.000 euro beschikbaar. Om alle kinderen op onze wachtlijst uit te kunnen nodigen is nog tenminste 10.000 euro nodig.

Om kosten te besparen en om de nabestaanden een warm nest te bieden tijdens hun verblijf in Nederland worden zij ondergebracht bij gastgezinnen. Als u begin mei slaapplekken kunt aanbieden, dan verzoeken wij u contact op te nemen met secretaris Remco Reiding (zie de contactgegevens onder aan deze nieuwsbrief).

Mocht u of uw bedrijf de reis mede mogelijk willen maken, dan kunt u een donatie doen op onze rekening of contact opnemen met de secretaris. De Stichting Russisch Ereveld is een ANBI, waardoor uw gift in aanmerking komt voor aftrek van de belasting. (Verdere gegevens onderaan).

Televisie

Het televisieprogramma Westbroek! heeft deze week uitgebreid aandacht besteed aan het Russisch Ereveld. Presentator Henk Westbroek kwam recentelijk met een cameraploeg van RTV Utrecht voor het eerst naar de begraafplaats. [Het programma is niet meer te bekijken.] (Het item over de begraafplaats begint op 8.25.)

Vordering grafadoptie

De afgelopen zes maanden hebben zich nog eens 20 adoptanten aangemeld. Inmiddels zijn de graven van 190 soldaten geadopteerd die op het ereveld in Leusden begraven liggen.

De Stichting Russisch Ereveld ging in juni 2010 van start met grafadoptie. De stichting wil door middel van grafadoptie de samenleving meer betrekken bij het in de vergetelheid geraakte ereveld en zo de herinnering aan de soldaten levend houden. De jaarlijkse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor de reis van nabestaanden die het graf van hun familielid willen bezoeken.

Bankrekening: Rabobank 1276.54.739 t.n.v. Stichting Russisch Ereveld.
Meer informatie op www.russisch-ereveld.nl.

IMG_7098.jpg

Mijn avonturen als pisteknecht in het Russische staatscircus – 3

(Eerste publicatie: 12-11-2011)

Het trapezenummer! Al na één voorstelling was dat mijn favoriet, want nooit zag ik publiek zo schrikken en daarna zo opgelucht lachen. Bovenin de nok stond een van de artiesten met een kapiteinspet op. Beneden op de grond goot een van de clowns een gietertje leeg in een emmer, en hij riep naar boven: Kapitajn! Dojken! En daar dook de kapitajn omlaag …

Er klonken - het was vóór het bungyjump-tijdperk – kreten van ontzetting! Wat het publiek niet wist – ik na één voorstelling wel – was dat de kapitajn om zijn middel een stevig elastiek had zitten. Dat trok hem vlak boven de emmer weer omhoog richting nok…

Van het programma bestaan polygoonbeelden, van een voorstelling in Amsterdam. De trapeze-kapitein (daar zonder pet) is er op te zien, clown Popov, het spannende paardenummer en ook de act met drie beresterke mannen, die een menselijke toren torsen. Gaandeweg kregen we rond de voorstellingen wat contact met de artiesten. Dat je bij Russen niet met drop moet aankomen, wist ik toen nog niet, maar mijn stroopwafels gingen er bij de zware jongens van de toren in als koek.

Met handtekening. Van popov, neem ik maar aan.

Met handtekening. Van popov, neem ik maar aan.

Met twee artiesten maakten we een autoritje. Langs Soestdijk (“Daar woont onze koningin”) en langs mijn studentenflat aan de Ina Boudier Bakkerlaan. “Ze nodigen ons uit naar binnen”, hoorde ik de een tegen de ander zeggen. De ander knikte van: kunnen we wel doen, hoewel het ongetwijfeld tegen de voorschriften was. Ik weet niet meer wat we ze aangeboden hebben, misschien had ik nog stroopwafels over.

De volgende zomer was ik met een groepsreis in Moskou en jawel, het circus stond op het programma. Ik stapte onze bus uit en liep tegen een van de zware jongens op. De begroeting was allerhartelijkst. Tijdens de artiestenparade, de opening van het programma, liepen ze mee en ze zochten me op de tribune. Ze vonden me en knikten nadrukkelijk. Even later kwamen ze achterom de tribune op en ik kreeg een circusposter.

Eén ding krijg ik nooit meer uit mijn hoofd. Zie ik iemand met een kapiteinspet op, dan roep ik in gedachten steevast: Kapitajn! Dojken! 

Hier deel 1 en deel 2.

Mijn avonturen als pisteknecht in het Russische staatscircus – 2

(Eerste publicatie: 7-11-2011)

Het paardenummer! Daar deed maar één paard aan mee, maar dat was meer dan genoeg. Dat beest kwam de piste in en begon meteen als een bezetene te galopperen, in de rondte, met z’n hoeven bonkend tegen de rand. Wij, de pisteknechten, moesten het scharnierende deel van die rand (ter hoogte van het gordijn) openzetten om het paard binnen te laten en het achter hem als de sodeju weer sluiten. Dat was precisiewerk, het haakje van het scharnierende deel moest in het oogje vallen van het vaste deel, terwijl dat galopperende beest al met zijn eerste ronde bezig was. Tegen de tijd dat het paard met z’n hoeven tegen de pisterand langs kwam denderen, moest dat scharnierende deel echt wel vast op z’n plek zitten.

Op de foto ziet u mijn gespannen koppie, links van de schouder van de man met de zweep. M’n rechtervoet staat stevig tegen het scharnierende deel geplant. Dat was om het op z’n plek te houden, zodat het paard niet uit de bocht zou vliegen en in de orkestbak zou belanden. 

Het ging een keer fout, maar dat was niet mijn schuld.

Tussen de twee voorstellingen van de zaterdag in maakte ik een praatje met Martin (ik geloof dat hij zo heette – het is vrij lang geleden). Martin was al sinds het begin van de tournee als pisteknecht mee. “Hoe kom je aan zo’n baantje?”, vroeg ik jaloers. “Hoe kom je er weer vanaf?”, mompelde Martin. De volgende dag was hij verdwenen. Een ervaren kracht minder, een onervaren uitzendkracht erbij, wat moest dat worden, met het paardenummer! Martin was de man geweest van het haakje en het oogje…

Het paard de piste in, dat ging nog goed. Het haakje in het oogje (het was gelukkig niet aan mij toevertrouwd) lukte ook nog op tijd, het nummer ging perfect. Maar toen moest het paard de piste weer uit! Daarbij bleef het haakje hangen achter het gordijn, dat zodoende voor de uitgang werd getrokken. Het paard, dat er niet uitkon, begon maar weer rondjes te lopen, gelukkig in een sukkeldrafje, want anders waren er onder de muzikanten (en pisteknechten) slachtoffers gevallen. Afijn, het gordijn werd losgehaakt en het beest kon naar buiten. Achter de schermen werd de Nederlandse hoofdknecht stijfgevloekt door de paardeman. De preciese bewoordingen ben ik helaas vergeten.

De beloning voor alle zenuwen kwam telkens tegen het einde van het programma: het trapezenummer!

Hier deel 1 en deel 3.

Mijn avonturen als pisteknecht in het Russische staatscircus – 1

(Eerste publicatie: 4-11-2011)

Ooit werkte ik in het Russische staatscircus. Hoog tijd om daar eens wat meer over te vertellen.

Het was de vroege zomer van 1979.  Ik liep over de Oude Gracht in Utrecht en zag in grote letters op de ruit van een uitzendbureau: HET CIRCUS IS IN DE STAD! En niet zo maar een circus, nee het Russische staatscircus! Nu ben ik geen groot circusvriend, maar ik studeerde in die tijd Russisch en dacht: daar moet ik wezen! Er werden jongens gevraagd die tijdens de voorstelling konden assisteren. Kennis van het Russisch was geen vereiste, maar kon natuurlijk geen kwaad.

En daar stond ik een dag later aan de rand van de piste, samen met studiegenoot Geert-Jan Mellink, in een groene overal met op de achterkant CCCP Tsyrk, stijf van de zenuwen. We kregen onze instructies met enige urgentie ingefluisterd door een Nederlandse ‘hoofdknecht’, die de voorstelling – in tegenstelling tot ons -  al helemaal kende. ‘Knotsen aanpakken en achter het gordijn brengen, nu!’ ‘Piano uit de piste! Nee, wachten! Ja, nu!’ En daar liepen Geert-Jan en ik naar achteren met de piano in onze handen, een meter langs de beren die – niet al te enthousiast - klaarstonden voor het volgende nummer. Gelukkig was de piano van triplex en helemaal leeg, dat scheelde nogal in gewicht.

Na twee dagen kende ik de voorstelling redelijk goed. Je zag soms wat misgaan en er vielen ook andere dingen op. De opening werd verzorgd door een man en vrouw die zich rondslingerend aan een touw omhoog werkten. Kort voor hun opkomst kwam hij ergens van links aangelopen, zij van rechts. Ze negeerden elkaar volledig, totdat ze op moesten. Na het nummer kwamen ze met strakke gezichten weer naar achteren. De man verdween naar links, de vrouw naar rechts – ik heb ze in die week in Utrecht geen woord met elkaar zien wisselen. Hoe anders was dat met de man van de honden! Die was net zo vrolijk en enthousiast als de keffende beestjes die hij door de piste dirigeerde. Na de eerste voorstelling schudde hij ons lachend de hand: s natsjalom! Op het begin!

Voor veruit de meeste zenuwen zorgde het paardenummer, zeker toen we te maken kregen met een deserteur in ons midden.

Hier deel 2 en deel 3.

Hoe ik oplichter Boris Abarov leerde kennen en met kalasjnikovs in de trein zat - 3

(Eerste publicatie: 14-10-2011)

Ter afsluiting van mijn stukjes over soldaat Boris en soldaat Felix wat herinneringen van direct betrokkenen. (Deel 1 en 2 vindt u hier en hier.)

Dini Bangma (ze werkt nog altijd bij de VPRO) mailde me dat het met die uniformen helemaal niet zo makkelijk was gegaan. Ze kocht er vier bij een legerdump en maakte daar twee passende exemplaren uit, wat gezien het verschillende postuur van beide heren nog knap lastig was. Op de rommelmarkt kocht ze wat Russische parafernalia om het af te maken. “Het wonderlijke was dat Felix en Boris zoooo overtuigend waren in hun uniformen, dat niemand de herkomst ervan in twijfel trok.”  

Felix Kaplan: “Ik heb in het Sovjet-leger gezeten. De verschrikkelijkste tijd van mijn leven. Maar nu was ik een acteur. De enige keer dat ik me als soldaat gedroeg, was in Eindhoven. Er kwam politie op ons af. Toen heb ik de kalasjnikovs uit elkaar gehaald, om te laten zien dat je er niet mee kon schieten. In Antwerpen was er iemand die de kalasjnikovs wilden kopen. En er was ook iemand die begon te schreeuwen: ‘Als ik zo op het Rode Plein loop, word ik naar Siberië gestuurd!’ Hij liep op een agent af, maar die zat in het complot en draaide zich om. De man pakte de agent bij de schouder, draaide hem terug en riep: ‘Ze lopen hier met geweren!’ Ik heb me regelmatig verscholen achter m’n grote pet. We moesten zó lachten!”

Radiomaker Philippe Scheltema: “Het idee ontstond na een brainstorming met Hylke Tromp, toen hoogleraar Polemologie: ‘Hoe zetten we het koude-oorlogscliché van de Sovjet-dreiging zó neer dat het publiek er zich direct mee geconfronteerd voelt en reageert’.” Volgens Philippe verloren Felix en Boris die doelstelling nogal eens uit het oog en gooiden er dan een beetje met de pet naar. “Dat gaf problemen bij de montages, het was soms een heksentoer om er een samenhangend verhaal van te maken. Hilarisch was de reactie van de Sovjet-ambassadeur. Die dreigde onze visumaanvragen af te wijzen.” 

Het bezoek aan Den Helder (zonder wapens, maar met een lege camera + gigantische telelens op de buik van Boris) eindigde op het bureau. Nadat een gepensioneerde marineman (!) de soldaten vriendelijk de weg richting haven had gewezen, ontstond er een opstootje. Philippe: “Een hysterische jonge vrouw waarschuwde de politie en De Telegraaf. De Militaire Inlichtingen Dienst werd er nog bijgehaald. Die haalden hun schouders op en vertrokken, zonder zelfs maar vragen te stellen. MISLUKTE GRAP VPRO, kopte De Telegraaf.”   

En dan Boris Abarov, de charmeur die iedereen moeiteloos om zijn vingers wond. Zijn naam kwam ik jaren later pas weer tegen in het boek Meesters, marodeurs van Hella Rottenberg. De Volkskrant-journaliste doet daarin nauwgezet uit de doeken hoe er op gewetenloze wijze gesold was met de nalatenschap van kunstverzamelaar Nikolaj Chardzjiëv, die in 1996 op 92-jarige leeftijd in Amsterdam overleed.

De collectie van Chardzjiëv, een verwoed collectioneur van Russische avantgarde, was vele miljoenen waard. In samenwerking met een Nederlands notariskantoor werd de nalatenschap door Abarov geplunderd. Aan een schimmige deal met de stichting die de collectie diende te beheren, hield de Russische emigrant (die ten tijde van zijn acteurswerk voor de VPRO de eindjes maar moeizaam aan elkaar knoopte) uiteindelijk miljoenen over, en ook de flat van Chardzjiëv in Moskou.

Zeven maanden voor de dood van Chardzjiëv was diens vrouw, Lidia Tsjaga, overleden na een val in hun Amsterdamse woning. Artikelen in de Russische pers wijzen met een beschuldigende vinger naar Abarov. Bewijzen voor moord of doodslag zijn er echter niet en tot een rechtszaak is het nooit gekomen.

Abarov vertrok naar Moskou, waar hij zijn vak van acteur weer oppakte. Ook als zanger is hij actief (u kunt hem hier [linkje werkt niet meer] horen). Of onderstaande foto in de flat van Chardzjiëv is gemaakt, weet ik niet.