toerisme

Het Djatlov-mysterie – na 55 jaar nog onopgelost. Hoe kwamen negen jonge expeditieleden in de Oeral aan hun einde? Was het een lawine, waren het de Mansi, of toch de CIA? – Deel 3.

Wie zich een beetje wil verdiepen in het Djatlov-mysterie (en Russisch leest), kan beter maar meteen flink doorpakken en het vorig jaar verschenen boek Pereval Djatlov (De Djatlov Bergpas) van Aleksej Rakitin ter hand nemen. Uiterst gedetailleerd gaat hij in op de omstandigheden waaronder negen jonge expeditieleden op 1 februari 1959 in de Oeral de dood vonden. (Zie hierover deel 1 en deel 2.)

Een belangrijk onderdeel van Rakitins studie zijn de forensische rapporten die kort na de vondst van de negen lijken zijn opgesteld. Daarbij blijft de lezer weinig bespaard. Los van citaten uit de rapporten, bevat het boek talrijke, nogal lugubere foto’s van de lijken. Tekeningen van skeletten, mét de precieze locaties van de verwondingen, maken het beeld compleet.

Hoewel nergens iets over Rakitins achtergrond wordt vermeld (over dit punt later meer), wekken zijn beschrijvingen de stellige indruk dat hij, waar het forensisch onderzoek en lijkschouwingen betreft, weet van de hoed en de rand. Zijn conclusie is eenduidig: de verwondingen, variërend van gebroken ribben, een kapotte neus, een beschadigde schedel (“door een stomp voorwerp”) en een ontbrekende tong, kunnen uitsluitend door mensenhanden zijn toegebracht.

Wat die ene tong betreft (een van de meest besproken details in alle theorieën) maakt hij wel een voorbehoud: uit het rapport betreffende de stoffelijke resten van de ongelukkige Ljoeda Doebina valt niet op te maken wat daarmee is gebeurd. Muizen eten niet van bevroren lijken en treffen ze een nog niet bevroren lichaam, dan doen ze zich – net als ratten – veel eerder tegoed aan uitstekende delen, zoals de neus en de oren, aldus Rakitin. En bovendien: waarom ontbrak alleen bij Doebina de tong? Doebina miste overigens ook beide ogen. Wat daarmee is gebeurd, is volgens Rakitin wel duidelijk: die zijn uit de kassen gedrukt.

De meest genoemde verklaring voor de dood van de expeditieleden is een lawine. Rakitin komt met negen punten die deze versie volgens hem onderuithalen. Ik noem er een paar. De simpelste: niemand die in februari en maart 1959 – als redder of onderzoeker – op de plaats des onheils was, heeft sporen van een lawine gemeld. Naast de tent stonden skistokken gewoon nog overeind, onbeschadigd. Maar ook zijn het de verwondingen, aldus Rakitin. Die van Ljoeda, bijvoorbeeld. Haar gebroken ribben zijn het gevolg van “tenminste tweemalige uitoefening van een flinke kracht bij verschillende posities van het lichaam”. Een lawine, die twee keer over iemand heen raast?

 

Rakitin schrijft niet alleen als een expert over forensische zaken, ook in de geschiedenis van de KGB is hij thuis. Op dat terrein komt hij met gegevens die – naar mijn idee ook weer zeer overtuigend - duidelijk maken dat een van de drie van de omgekomen leden van de Djatlov-groep hechte banden had met de geheime dienst: Semjon Zolotarjov. Van hem weet Rakitin het zeker, bij twee anderen (Aleksandr Kolevatov en Georgi Krivonisjtsjenko) houdt hij nog een kleine slag om de arm.

Semjon Zolotarjov

Rakitin ziet in de levensloop van Zolotarjov een hoop eigenaardigheden. Hij wijdt er een compleet hoofdstuk aan. In één alinea samengevat: tijdens de Tweede Wereldoorlog wisselde Zolotarjov als ‘eenvoudige’ sergeant aan het tweede Wit-Russische front opvallend vaak van eenheid. Een dergelijke beweeglijkheid (in combinatie met tal van andere eigenaardigheden die Rakitin noemt) kan maar één ding betekenen: Zolotarjov voerde opdrachten uit voor de contraspionagedienst SMERSJ. Na de oorlog volgen meer eigenaardigheden. Hij belandt op het hoog in aanzien staande Instituut voor Lichamelijke Opvoeding in Minsk, een opleiding die voor hem – was hij een gewone student geweest – onbereikbaar zou zijn geweest. Hij studeert er ook nog eens af aan de ‘spetsialnyi fakoeltet’. Op dergelijke faculteiten kreeg men vaardigheden bijgebracht voor speciale, geheime operaties. Als ‘sportinstructeur’ reist Zolotarjov vervolgens in de jaren vijftig duizenden kilometers door het land – onbestaanbaar in die tijd voor een eenvoudige Sovjet-werknemer.

Officier van justitie Ivanov

Officier van justitie Ivanov

De lezer van Pereval Djatova weet op dit punt al van een andere eigenaardigheid. In mei 1959, kort nadat de laatste lijken zijn geborgen, worden de lichamen en de kleding van de Djatlovgroep onderzocht op straling. Hoogst ongebruikelijk, en iets wat officier van justitie Ivanov alleen maar kan hebben laten doen op bevel van hogerhand. Op de kleding (en níet in de grond- en watermonsters van de plekken waar de lijken zijn aangetroffen) worden sporen van radio-activiteit gevonden …

Kort daarna wordt het onderzoek, bijna inderhaast, afgesloten. De vage conclusie luidt (zie aflevering 2) dat de negen leden van de Djatlovgroep zijn omgekomen door een “oncontroleerbare kracht die zij niet de baas konden worden”.

 

Wordt vervolgd

(Hier aflevering 1, 2 en 4.)

Het Djatlov-mysterie – na 55 jaar nog onopgelost. Hoe kwamen negen jonge expeditieleden in de Oeral aan hun einde? Was het een lawine, waren het de Mansi, of toch de CIA? – Deel 2.

Op 1 februari 1959 vonden negen jonge expeditieleden de dood in de Oeral, onder omstandigheden die de gemoederen in Rusland 55 jaar laten nog altijd bezighouden (zie aflevering 1). Twee vorig jaar verschenen boeken proberen een nieuw licht te werpen op het lot van de groep, die onder leiding stond van Igor Djatlov: Перевал Дятлова (Pereval Djatlova / De Djatlov Bergpas) van Aleksej Rakitin en Dead Mountain van de Amerikaan Donnie Eichar.  

De trailer van Eichars boek mag er zijn:

Een prachtige trailer, die een beter boek verdient.

Eichar heeft nogal wat pretenties. Een jonge Amerikaan die geen Russisch spreekt en nog nooit in Rusland is geweest, reist twee keer naar de Oeral en lost vervolgens thuis, in de VS, het mysterie op. Waarom lukt hem wel, wat tientallen anderen voor hem, in Rusland, niet is gelukt? Omdat hij hulp krijgt van “modern science”. Wat de Amerikaan (mooie pet!) doet, is echter niet meer dan een zoveelste versie op tafel leggen, die op mij (toegegeven: een leek) niet veel indruk maakt.

Voorbereidingen op de expeditie. Midden: Igor Djatlov

Op weg naar het startpunt

Voor wie ongeduldig lezend op zoek is naar de verlossende verklaring voor wat de Djatlov-groep overkwam, is Dead Moutain een nogal irritant boek. Ongeveer een derde bevat een beschrijving van Eichars reis naar Jekaterinburg, indertijd (de stad heette toen nog Sverdlovsk) de thuisbasis van de expeditieleden. En ja, als je nog nooit in Rusland bent geweest, dan is er van alles waar je je over verbaast. Dat kan je opschrijven, maar veel verband met het mysterie van 55 jaar geleden heeft het niet.

Nou, vooruit. Wie niks van Rusland weet, krijgt in Dead Moutain wel een aardige introductie. Ook de geschiedenis van Igor Djatlov en zijn vrienden wordt bondig en helder neergezet, tot aan – uiteraard – de laatste dagboekaantekeningen van de groepsleden en de laatste foto’s die naderhand werden ontwikkeld. En Eichar gaat zelf naar de plek van het mysterie. Hij komt ook met een aardige troef: hij ontmoet Joeri Joedin, de enige overlevende, die wegens rugpijn vlak voor de start van de expeditie moest afhaken.

Zina Kolmogorova

Wat denkt Joedin? Waarom verlieten de zeven mannen en twee vrouwen in het duister hun veilige tent, bij -25 graden, zonder schoenen en op één na zonder iets op hun hoofd? Volgens Joedin was het geen lawine of een ander natuurverschijnsel. ”The number one possibility in my mind is that it was people who came with guns because they were in an area they shouldn’t have been in or they saw something they shouldn’t have seen.” Joedin denkt vooral aan menselijk geweld, omdat het lijk van Ljoeda Doebina werd gevonden zonder tong. 

Joedin vermoedt dat de Sovjet-overheid een rol in het mysterie speelt. Dit tot teleurstelling van Eichar, die de oude man wegzet als wéér iemand die geloof in een complot. Nee, Eichar komt met een eigen oplossing, gebaseerd op de moderne wetenschap.

Als uitgangspunt neemt hij de conclusie uit het eindrapport van officier van jusitie Lev Ivanov. Die schrijft in 1959, enkele weken nadat de laatste lijken zijn geborgen, dat de dood van de expeditieleden is veroorzaakt door een “oncontroleebare kracht [стихийная сила] die zij niet de baas konden”. (Waarbij het bijvoeglijk naamwoord стихийная voor verwarring kan zorgen, omdat dit vaak wordt gebruikt om natuurgeweld aan te duiden. Dat wordt  hier echter niet bedoeld.)

Eichar spreekt van een “compelling force” en probeert die vage omschrijving een concrete inhoud te geven. Hij praat met Amerikaanse geleerden en komt tot de conclusie dat de Djatlov-groep het slachtoffer is geworden van een Kármán vortex street, een verschijnsel dat optreedt bij een bepaalde combinatie van landschap en weersomstandigheden, harde wind in het bijzonder. Een donderend geluid met sterke vibraties leidt daarbij tot angst en paniek. Ziehier de “oncontroleerbare kracht” die de negen leden uit de tent heeft gedreven.

Tweede van links: Ljoeda Doebina

En de deels zware verwondingen? De ontbrekende tong bij Ljoeda? Daar doet Eichar niet moeilijk over. De verwondingen komen door een val in een ravijn en die tong is het werk van knaagdieren. 

Eichars Dead Mountain valt in het niet bij Pereval Djatlova (De Djatlov Bergpas) van Aleksej Rakitin, in elk geval qua omvang en gedetailleerdheid. In 670 pagina’s analyseert Rakitin de gegevens die al beschikbaar waren en voegt daar de resultaten van eigen speurwerk aan toe. Twee conclusies lijken mij na lezing van zijn boek onweerlegbaar: de verwondingen van de expeditieleden zijn het werk van mensenhanden en drie van de negen leden hadden banden met de KGB.   

Wordt vervolgd

(Hier deel 1deel 3 en deel 4.)

Het Djatlov-mysterie – na 55 jaar nog onopgelost. Hoe kwamen negen jonge expeditieleden in de Oeral aan hun einde? Was het een lawine, waren het de Mansi, of toch de CIA? – Deel 1.

Het is januari 1959.  Een groep van tien studenten en oud-studenten van het Polytechnisch Instituut van Sverdlovsk (het huidige Jekaterinburg) vertrekt voor een expeditie naar de Otorten, een bergtop in het noorden van de Oeral. De groep, acht mannen en twee vrouwen, zijn voorbereid op barre omstandigheden met sneeuwstormen en temperaturen van -20, -30 graden. In 16 dagen moeten ze 350 kilometer afleggen. De route valt onder Categorie III, de zwaarste volgens de toenmalige expeditienormen.

De tien maken zich geen zorgen. Ze behoren tot de beste expeditieclub van het instituut en hebben ruime ervaring met lange skitochten in het gebied. Hun dagboekaantekeningen getuigen van een gedegen voorbereiding en een prima sfeer. Met enkele tussenstops, nog in de bewoonde wereld, reist de groep naar het eigenlijke startpunt. Daar, bij een verlaten hut, neemt één van de tien afscheid. Joeri Joedin heeft te veel last van zijn rug en moet omkeren. Het redt hem zijn leven.

28 januari 1959 – Joeri Joedin neemt afscheid van de groep

Igor Djatlov

De andere negen, onder leiding van de 23-jarige Igor Djatlov, trekken verder en bereiken in de middag van 1 februari de Dode Berg, of, in de taal van de oorspronkelijke bevolking, de Cholat-Sjachyl. Het wordt vroeg donker en de groep slaat op de oostelijke heuvel haar tent op.

Dan gaat er iets heel erg mis. Wát precies, dat is tot op de dag van vandaag onderwerp van  allerlei speculaties, wilde theorieën en heftige disputen.

De negen verlaten de tent, onvoldoende gekleed en zonder schoeisel en gaan hun dood tegemoet. Pas in mei zijn alle verspreid liggende stoffelijke resten gevonden. De forensische rapporten noemen bevriezing als doodsoorzaak, maar beschrijven ook gedetailleerd zware verwondingen, die in enkele gevallen op zich al dodelijk moeten zijn geweest. Een van de twee vrouwen, Ljoedmila Doebina, mist haar tong en beide ogen.

Wie of wat heeft de negen ertoe gebracht de veilige tent te verlaten, in het donker, bij -25 graden? Een plotse ontmoeting met ontsnapte kampgevangenen? Een angstaanjagende testlancering van een raket? Een kernproef? Buitenaardse wezens? Lokale Mansi die geen indringers duldden op hun jachtterrein?

Twee vorig jaar verschenen boeken proberen een nieuw licht te werpen op de zaak: Перевал Дятлова (Pereval Djatlova / De Djatlov Bergpas) van Aleksej Rakitin en Dead Mountain van de Amerikaan Donnie Eichar.

Wordt vervolgd.

(Hier deel 2deel 3 en deel 4.)

Toeristisch goud in Sint-Petersburg: een machtige wandkaart van de USSR in edelstenen. Deel 1.

Ze hebben het, geloof ik, niet zo in de gaten bij het Geologisch Museum in Sint-Petersburg. Ze hebben toeristisch goud in handen, in de vorm van een enorme kaart van de Sovjetunie, uitgevoerd in edelstenen. Een mozaïek van 45.000 stukjes, bij elkaar 26,6 vierkante meter groot en 3.500 kilo zwaar. De kaart wordt gerestaureerd, kan al wel worden bekeken, maar erg uitnodigend oogt het museum vooralsnog niet.

Eerst even de geschiedenis, die op zich al mooie verhalen oplevert. De kaart was aanvankelijk bestemd voor de tentoonstelling Industrie van het Socialisme, die gepland stond voor 1937, naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van de USSR. De geografische kaart moest – in edelstenen – de belangrijkste industriële objecten van het land weergeven, naast uiteraard de steden, rivieren, bergen, enzovoort.

Eind 1936 werd de doelstelling ambitieuzer. De kaart moest naar de Wereldtentoonstelling in Parijs, die in mei 1937 zou worden geopend. Alle verloven werden ingetrokken, steenslijpers werkten dag en nacht, en alleen al voor het mozaïek leggen werden 150 man ingeschakeld. Naast de kaart werden ook de wapens van de elf toenmalige Sovjet-republieken vervaardigd.

De kaart was op tijd klaar en maakte in Parijs flink wat indruk. Hoe kon het ook anders. Kijk alleen al naar deze twee voorbeelden. Voor watergebieden werd lazurit gebruikt, zoals hier voor de Aral Zee.

De grenzen van de USSR werden aangeduid met drie lagen rodonit en een laag jaspis:

e349d17fef7d77d2021fef8c8978da25.jpg

Dat de plaatsnamen, spoorwegen en meridianen met platinazilver staan aangegeven, nou ja, dat verbaast dan al niet meer.

 

Het succes van de kaart in Parijs bracht de Sovjet-regering op een idee: de kaart moest ook naar de Wereldtentoonstelling van twee jaar later in New York. Om de successen van de industrialisatie te onderstrepen, moesten er nog wel zo’n duizend nieuwe industriële objecten worden toegevoegd. Om de poolexepeditie van Pananin van 1938 uit te beelden, kwam aan de bovenkant van het toch al omvangrijke paneel de Noordelijke IJszee erbij. De route van Panin werd aangegeven met fenatiek en topaas.

De kaart van edelstenen had een plek moeten krijgen in het Moskouse Paleis der Sovjets, maar dat kwam er niet. Wat overigens ook gold voor de tentoonstelling Industrie van het Socialisme, waar het kunstwerk aanvankelijk voor bedoeld was.

Over de naoorlogse geschiedenis van de kaart in deel 2.

(Het Geologisch Museum bevindt zich aan de Srednii Prospekt 74 in het gebouw van het Karpinski Instituut. Telefoon: (812) 321-5706) 

Rechts de kaart in New York