Biograaf: Museumdirecteur Antonova wist exact waar de Koenigs-collectie zich bevond

———————

Irina Antonova met Leonid Brezjnev bij de tentoonstelling Moskou - Parijs in het Poesjkin Museum (1981)

Irina Antonova, directeur van het Moskouse Poesjkin Museum voor Beeldende Kunst, was allang op de hoogte van de verblijfplaats van de Koenigs-collectie, terwijl ze tegenover de buitenwereld (in dit geval vooral de Nederlandse overheid) bleef volhouden niet te weten waar die zich bevond. Dat vermoeden leefde al zeer sterk en is nu bevestigd in de biografie die Lev Danilkin over de ‘grande dame’ van het  museum publiceerde, onder de wat moeizame titel: Палаццо Мадамы: Воображаемый музей Ирины Антоновой (Palazzo van Madam: het ingebeelde museum van Irina Antonova).

Antonova (1922 – 2020) schrijft op 10 april 1990 een brief aan het ministerie van Cultuur van de USSR. Danilkin noemt het document “schokkend” en drukt het in z’n geheel af. “In het Poesjkin Museum voor  Beeldende Kunst bevinden zich 306 tekeningen uit de collectie van Frans Koenigs”, meldt Antonova onder meer. In 1989, zo vervolgt ze, heeft het museum het ministerie voorgesteld “dat deel van de Koenigs-collectie dat zich bij ons bevindt onmiddellijk terug te geven aan de Nederlandse overheid, haar rechtmatige eigenaar. Middels deze brief bevestigen we onze diepste overtuiging van de noodzaak van de spoedige terugkeer naar Holland van de tekeningen uit de collectie van F. Koenigs.”

Een halve alinea verder: “Tot op heden waren we gedwongen de waarheid te verbergen. Nu we echter bewijzen hebben dat de Nederlandse overheid pogingen doet om de collectie op te sporen, achten we het niet langer mogelijk de goede naam van het Poesjkin Museum van Beelden Kunsten te compromitteren door de waarheid te verbergen.” (De teruggave vond uiteindelijk nooit plaats.)

Danilkin hanteert in zijn biografie geen chronologische volgorde; per hoofdstuk behandelt hij een onderwerp uit Antonova’s leven en loopbaan. Daarbij komt de Koenigs-brief pas op pagina 308 (van de 560) aan de orde. Dat is niet zo vreemd (hij heeft bijzonder veel te vertellen over de vrouw die 52 jaar aan het hoofd van het museum stond), maar voor de Nederlandse lezer springt het document er toch wel bovenuit. Antonova’s ‘bekentenis’ zal als een zekere genoegdoening worden ervaren door de vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid en museumwereld, die haar indertijd tegenover zich vonden. Pas eind 1992 gaf Rusland toe (niet bij monde van Antonova, maar met een verklaring van het ministerie van Cultuur) dat het vermiste deel van de Koenigs-collectie zich inderdaad in het Poesjkin Museum bevond.              

Danilkin heeft, ik zei het al, veel te vertellen over Irina Antonova. Een beetje té veel voor een lezer als ik, die niet vertrouwd is met de krochten, de mores en de geschreven en ongeschreven wetten van de internationale museumwereld. In Rusland zelf krijgt men er daarentegen geen genoeg van; ik kan me uit deze eeuw geen boek herinneren waar zó’n polemiek over is losgebarsten. (Het lijkt wel een soort bevrijding: over politieke zaken moeten we ons gedeisd houden, maar hierover kunnen we eindelijk eens luidkeels van ons laten horen!). Danilkin oogst veel lof en minstens zoveel kritiek. Omdat het onderwerp iets te ver van me afstaat, heb ik daar weinig aan toe te voegen. De biografie opent in elk geval met fascinerende ‘Duitse’ hoofdstukken, over Antonova’s kinderjaren die ze deels in Duitsland doorbracht, en over de confrontaties rond de trofee-kunst in haar museum (de Schliemann-collectie, werken uit de Dresden Galerie), maar gaandeweg wordt het geduld van de lezer nogal op de proef gesteld. Zo wordt er wel erg veel ‘gepsychologiseerd’ over Antonova’s karakter (ze zou door haar manier van leidinggeven een flinke bijdrage hebben geleverd aan het vroegtijdig overlijden van enkele medewerkers). Enigszins potsierlijk wordt het, wanneer Danilkin fantaseert over de geestelijke, bijna mystieke band die Antonova zou hebben met de dichter Aleksandr Poesjkin (de ‘naamgever’ van haar museum) en wijst op de overeenkomsten tussen haar en de gravin uit Poesjkins novelle Schoppenvrouw.

Je zou na het bovenstaande verwachten dat Danilkins oordeel over Antonova en haar rol als museumdirecteur negatief uitvalt, maar dat is niet het geval. Laverend tussen vele obstakels door (met als voornaamste de doorgaans over weinig culturele bagage beschikkende staatsbureaucratie en grijze Partij-kaders), deels ook in een tijd waarin de wereld om haar heen, met de ineenstorting van de Sovjetunie, een draai maakte van 180 graden, slaagde ze erin om van haar museum een vooraanstaande kunstinstelling te maken, vermaard in Rusland en daarbuiten. (Om maar een enkel obstakel te noemen waarmee Antonova – onkreukbaar, niet-corrupt - in de jaren negentig te maken kreeg: waar voorheen de Sovjetoverheid de risico’s dekte bij de uitleen van topstukken aan buitenlandse musea, kwam dat nu terecht op het bordje van het armlastige Poesjkin Museum zelf.)

Tot slot een alinea die typerend is voor de schrijfstijl van Danilkin (ik kwam ergens de opmerking tegen dat hij een roman had moeten schrijven in plaats van een biografie):

“Gezegd moet worden dat de meeste collega’s van Irina Antonva die op een of andere wijze van doen kregen met enig excentrisch gedrag van hun directeur – voor zover je van excentrieke handelingen kan spreken bij een scheepskanon dat tijdens een storm is losgeschoten van een affuit en alles wat maar kan op het dek heeft versplinterd – dat zij het haar of meteen bij zichzelf vergaven, aannemend dat niet zij per se ‘schuldig’ was, maar de omstandigheden (nou, en misschien had iemand gewoon het kanon slecht verankerd) of dat ze haar dehumaniserende capriolen nooit zagen als iets waar meteen een reactie op diende te volgen: dat ze het eerder interpreteerden als een soort art brut, – een creatie van mensen met eigenaardigheden die uit de gebaande kaders breekt, - aantrekkelijk zelfs, zoals ook Hals’ Malle Babbe ergens aantrekkelijk is – juist vanwege het doorbeken van alle conventies.”              

Irina Antonova, 2014

——————

Twee recensie over de biografie (positief en negatief): hier en hier (beide in het Russisch). En hier een uitgebreid interview - met alleen Russische ondertiteling - met Danilkin zelf. Aan praten beleeft hij duidelijk minder plezier dan aan schrijven:

—————-

Rusland in de 20ste eeuw – 15: Verborgen boodschap in een Sovjet-liedje over de lente – met net geen Nederlands tintje

——————

Smeltend IJs in de Wolga. Kazan, lente 2018 (foto: Egbert Hartman)

————————

De muziek van onderstaand lied is van Sergej Nikitin, die hier ook zingt. De tekst is van… Dat zeg ik nog even niet. (Mijn vertaling staat onder het filmpje.)

—————

NOORDELIJKE LENTE

Kinderen van het zuiden,
Waar de rozen fonkelen in december
Waar je het woord ‘sneeuwstorm’
Vindt in geheugen noch woordenboek
Waar de blauwe hemel
Nog voor geen uur verbleekt
Waar sinds eeuwen tot op heden
Steeds die zomer het oog streelt.
Die zijn daar toch niet in staat, al is het maar even
Voor een minuut, al is het maar in een droom
Al is het per ongeluk, te vatten
Wat het is om te denken aan de lente.
Wat het betekent om in een ijskoude maart
Wanneer de wanhoop je grijpt,
Steeds maar te moeten wachten, wachten
Tot het logge ijs lomp in beweging komt.
Wíj kenden zulke winters
We gingen op in dusdanige kou
Dat er zelfs geen verdriet was
Enkel maar trots en onheil.
En in de krachtige, ijzeren krenking
Door een droge sneeuwwind verblind
Zagen we, zonder te zien,
De groene ogen van de lente.

———————

Wie hier anno 2026 voor het eerst naar luistert, zal vermoedelijk denken: een aardig niets-aan-de-hand-liedje. Een beetje vreemd misschien dat zanger Sergej Nikitin er zo’n somber gezicht bij trekt - maar mág het; hij vertolkt hier de stemming van iemand die het kennelijk wel héél erg koud heeft gehad, die terugdenkt aan veel te lange, veel te strenge winters. 

De gedachten van de luisteraar zullen al iets gaan schuiven, wanneer hij  verneemt in welk jaar de tekst is geschreven: 1957. En helemaal zal hij gaan vermoeden dat hier meer aan de hand is, wanneer hij ook hoort wie de auteur is: Ilja Ehrenburg. Als geen andere schrijver/dichter is Ehrenburg (1891-1967) verbonden met de periode na de dood van Stalin, ook wel  aangeduid als de Dooi – naar de titel van een verhaal van Ehrenburg: Оттепель / Dooi. Zijn gedicht Noordelijke lente werd in juli 1959 gepubliceerd in de Literatoernaja Gazeta. Nikitin zette het later op muziek.

Jaartal en auteur vormen de grondverf waartegen woorden beter uitkomen. Ben je je bewust van die grondverf, dan ben je al snel de boodschap op het spoor die Ehrenburg in zijn tekst heeft gestopt. De signalen lichten als rode vlaggetjes op.

- IJskoude maand maart (мартовские стужи). Elke lezer in de USSR in 1959 wist wat er een aantal jaren eerder in maart was gebeurd: op de vijfde van die maand in 1953 overleed Stalin. In de weken ervoor besteedde de Sovjet-pers uitgebreid aandacht aan de ‘Zaak van de artsen’: een groep voornamelijk joodse artsen, aangestuurd vanuit de VS, zou het voorzien hebben de hoogste leiders in het Kremlin. De angst voor een zoveelste golf van arrestaties was groot, zeker onder joden. Voor de jood Ehrenburg begon de maand maart ijskoud.

- Wanneer de wanhoop je grijpt. Zo was de stemming onder de joodse intelligentsia en ook buiten die kring; Ehrenburg verwachtte elk moment gearresteerd te worden. “Wanhoop” is in een gedichtje over de lente erg zwaar aangezet; de lezer begrijpt, ook door het samenspel met de andere vlaggetjes, dat hier meer aan de hand is.

- De nadrukkelijke herhaling van wij/we: het gaat hier niet over de emoties van een enkeling, maar over een groep (die groter is dan alleen de joodse intelligentsia).

- Door een droge sneeuwwind verblind: Begin maart 1953 worden de Sovjetburgers in nieuwsbulletins op de hoogte gehouden van de ernstige gezondheidsproblemen van Stalin. Maar wie de eerdere kou (terreurgolven, deportaties, oorlog) heeft overleefd, gelooft - door sneeuwwind verblind – nauwelijks nog in verlossing.

- Het logge ijs / грузный лед. Een fonetisch vlaggetje dat in mijn vertaling verloren gaat: lomp = грузный / groezni. Een Georgiër is in het Russisch een Groezin, Stalin was een Georgiër.

En wie waren dan die “kinderen van het zuiden”? Dat kan vrij algemeen worden begrepen: iedereen die niet vertrouwd was met de dodelijke kou die de Sovjetunie meermalen had overspoeld – en ‘kou’ dan natuurlijk niet in de zin van letterlijke vrieskou die je kan aflezen op een thermometer.

Deze toelichting op het gedicht Noordelijke lente kwam ik tegen in een artikel van de Russische cultureel-antropologe Aleksandra Archipova, in eigen land tot ‘buitenlands agent’ verklaard en tegenwoordig woonachtig en werkzaam in Parijs. Het artikel verscheen als inleiding bij een boek van literatuurvorser en Brodsky-biograaf Lev Losev (1937-2009) over verhullend taalgebruik in de Russische literatuur: Эзопов язык в русской литературе (Moskou, 2024). *)

Archipova (1976) schrijft in haar artikel dat “mijn scholieren” de tekst van Ehrenburg zongen op excursies en er de titel “Liedje over de lente” aan gaven: “Je kan scholieren, en ook studenten, nauwelijks verwijten dat ze echt het idee hebben dat dit een zoet gedicht is over verlangen naar de lente.” **)

Aan haar interpretatie van Ehrenburgs gedicht voeg ik nog een vlaggetje toe uit eigen koker: het woordje ‘trots’ (vijfde regel vanonder) zou kunnen wijzen op de overwinning op Nazi-Duitsland.

De naam van Archipova kwam overigens eerder al eens naar voren op dit weblog. Enkele jaren geleden schreef ik een stukje over ‘ondermijnende’ tekens en symbolen op ogenschijnlijk onschuldige voorwerpen ten tijde van de Stalinterreur (knopen, schoolschriftjes, luciferdoosjes), gebaseerd op een artikel van haar. 

En  toen dacht ik: laat ik eens kijken of ik nog een andere uitvoering kan vinden van bovenstaand lied. Het leverde deze versie op, ook weer van een sombere kijkende Sergej Nikitin:

Dezelfde interpretatie dus. Maar wacht eens, die locatie, dat balkon… Had ik daar niet ooit een glaasje wijn gedronken? Meerdere keren zelfs? Was dat niet het balkon van de ambtswoning van de Nederlandse consul in Sint-Petersburg, aan de Engelse Kade langs de Neva? Waar ik een foto van de Nederlandse vlag maakte, bijna – mijn hemel! - veertien jaar geleden. Ik stak mijn licht op bij alle oud-consuls in mijn kennissenkring (de heren Van der Togt en De Mol). Beiden wisten het niet zeker, achtten het niet onmogelijk. Een mailtje aan de huidige huismeester bracht uitsluitsel. Binnen tien minuten antwoordde hij: “Nee, dat is het huis van de buren.”

Sint-Petersburg, 2012 (foto: Egbert Hartman)

——————

*) Een kleine waarschuwing voor wie nu denkt: dat boek ga ik lezen!: in tegenstelling tot Archipova’s inleiding is het werk van Losev lastig leesbaar en moeilijk toegankelijk.

**) Ik neem aan dat Archipova met “mijn scholieren” doelt op deelnemers aan de Ecologische Zomerschool (Летняя экологическая школа – ЛЭШ), waaraan zij verbonden was. Deze zomerschool raakte enkele jaren geleden flink in opspraak vanwege seksueel misbruik door enkele leerkrachten. Ik schreef er een artikel over, gebaseerd op een aantal Russische podcasts. Dat artikel verdween in een la, omdat de oorlog in Oekraïne mij de lust ontnam om ook maar iets over het huidige Rusland te publiceren. Het accent op dit blog verschoof naar de geschiedenis, vooral die van de vorige eeuw. Mogelijk publiceer ik het artikel binnenkort alsnog.

———————

Rusland voor Nederlanders beschreven – met de toeslagenaffaire als voorbeeld

————————

Sint-Petersburg, 9 mei 2017 (foto: Egbert Hartman)

————————

Wat begrijpt de gemiddelde Rus van het leven in Nederland, van het reilen en zeilen hier? Niet veel, zo kan je over de meesten van hen wel zeggen. En omgekeerd? Wat begrijpt de gemiddelde Nederlander van de Russische samenleving? Van de (ongeschreven) regels en wetten daar? Nog veel minder, zo is mijn ervaring.

Misschien helpt het onderstaande artikel (van de uit Rusland naar Israël geëmigreerde Dmitri Tsernysjev) om het karakter van de Russische samenleving op z’n minst voor een deel te duiden. Het is bepaald geen glanzend proza, maar de grote lijn is duidelijk: de Russische maatschappij is doordrenkt van wantrouwen: van de overheid jegens de burger en omgekeerd, en – minstens zo funest – van burgers jegens elkaar. De rem die dat zet op de ontwikkeling van het land, het destructieve karakter ervan, is voor buitenstaanders (Nederlanders bijvoorbeeld) moeilijk voorstelbaar en nauwelijks invoelbaar.

Omgekeerd geldt hetzelfde. Een Russische kennis, al geruime tijd in Nederland wonend, vertelde me waar zij hier erg aan had moeten wennen: dat ze niet meer permanent op haar hoede hoefde te zijn. Dat ze niet meer alert hoefde te zijn, niet meer voortdurend bang voor list en bedrog, dat ze niet meer het idee had vroeg of laat met iets of iemand de strijd aan te moeten gaan. Die ‘bevrijding’ voelde nog lange tijd raar. Het wantrouwen waar ze in eigen land mee was vergroeid, had ze niet zo maar kunnen afleggen als een oude jas.

Om de voorspelbare, bozige reacties (“alsof in Nederland alles goed gaat!”) meteen maar voor te zijn: nee, ook de Nederlandse maatschappij is verre van ideaal, ook hier gaat van alles mis. Illustratief, in meerdere opzichten, is de toeslagenaffaire, zo ongeveer de grootste schandvlek uit onze naoorlogse, binnenlandse geschiedenis. En waaruit kwam die affaire voort? Juist ja, uit wantrouwen van de overheid jegens de burger. Een klein stukje Rusland in Nederland.

Hieronder de bijna complete vertaling van Tsjernysjevs artikel. (Bijna compleet, want een enkele zin ging mijn vertaalvermogen te boven. Aan de inhoud doet die enkele omissie geen afbreuk.) Voor het origineel klikt u hier.

——————

Kargopol, 2019 (foto: Egbert Hartman)

————————

ELKE DICTATUUR VEROORDEELT EEN LAND TOT ACHTEROP RAKEN
(Dmitri Tserjnysjev)

Alle dictaturen hebben het graag over een eigen weg en over hun unieke karakter, maar in werkelijkheid is de manier waarop zij functioneren uiterst primitief. De taak van elke willekeurige dictatuur is het vernietigen van horizontale verbanden en het vertrouwen tussen mensen, omdat elke informele verbintenis voor een dictatuur een potentiële bedreiging kan zijn. Vertrouwen vormt de infrastructuur van zelforganisatie. Mensen die elkaar vertrouwen, kunnen zich verenigen zonder toestemming van bovenaf, kunnen coördineren zonder leiding en op kritieke momenten samen handelen.

Daarom zaait elke willekeurige dictatuur onvermijdelijk wantrouwen. De buurman schrijft anonieme brieven, een collega is een potentiële bedreiging, initiatief kan worden bestraft, blijf stilzitten en steek je nek niet uit, wees zoals iedereen – ben je soms meer dan een ander? We verdenken jou ervan, m’n beste, dat je een verklikker bent. Op korte termijn heeft dat effect: de samenleving atomiseert, solidariteit maakt plaats voor angst.

Maar daarna wordt voor dat wantrouwen een enorme prijs betaald, door iedereen. Er komen bewakers, inspecteurs, controleurs, notarissen, geüniformeerde diensten, opzichters; verantwoording, pasjes, stempels, formulieren en eindeloze revisies. Dat ‘bewakerssyndroom’ kost de samenleving ongelooflijk veel geld. Er moet loon betaald worden aan de controleurs, en aan degenen die de controleurs controleren. Er moet een controle-systeem worden opgebouwd, overtreders moeten bestraft, gevallen van kruimelbedrog moeten worden onderzocht. Een dictatuur besteedt haar middelen niet aan vooruitgang, maar aan een voortdurende bevestiging van loyaliteit en controle. Mensen spenderen enorm veel energie om de hindernissen van het systeem te overwinnen.

Wantrouwen is dodelijk voor ingewikkelde projecten. Voor grote zaken is het geloof vereist dat anderen hun aandeel in het werk uitvoeren, ook als je hen niet elke seconde in de gaten kan houden. In omstandigheden van totale controle nemen mensen geen verantwoordelijkheid meer, mijden ze risico’s, komen ze niet meer met iets nieuws. Je krijgt een cultuur van “ik doe het minimale, zodat ik niet gestraft word”.

Waar het vertrouwen laag is, verkruimelt en verarmt de markt. Die wordt primitiever. Er wordt alleen nog gehandeld met familieleden, vrienden, met mensen uit eigen krijg. Al het andere wordt als gevaarlijk gezien. De economie zakt ineen tot de omvang van een dorp, zelfs als mensen in een megapolis leven.

Domme lui denken dat vertrouwen en goedheid tekenen van zwakte zijn. Dat naïevelingen er zijn om fijn misbruik van te maken. Russen zijn trots op hun vermogen om het systeem een hak te zetten en verboden te omzeilen. Ze snappen niet dat ze daarmee de cultuur van het strafkamp helpen verspreiden. En telkens wanneer de samenleving kiest voor wantrouwen als norm, verbindt ze zich aan het voortdurend betalen van de kosten, die elk jaar groeien en nooit worden terugverdiend.     

Zo veroordeelt elke dictatuur een land tot achterop raken en tot een zwak concurrentievermogen. Een dictator wint tactisch, maar verliest strategisch. De samenleving betaalt ervoor met armoede, stagnatie en de degradatie van de instituties. Een economie kan leven zonder olie en goud. Zonder vertrouwen verpietert ze snel en gaat ze over van een ontwikkelingsmodus naar een overlevingsmodus.

————————

Onder het stuk van Tsjernysjev is deze reactie te lezen: “Denkt u echt dat iemand van de geliefde inwoners van Rusland u begrijpt? Vertrouwen, net als waardigheid, zijn categorieën die voor die subgroep van de homo sapiens niet te vatten zijn.” Het is een reactie die je, omgedraaid, naar Nederland kan verplaatsen: het wantrouwen waar Russen van kinds af door omgeven zijn, is voor Nederlanders niet te vatten.  

————————-

Astrachan, 2019 (foto: Egbert Hartman)

Rusland in de 20ste eeuw - 14: Eigenaardig, beschamend, teleurstellend, boeiend: de biografie van Molotovs echtgenote Polina Zjemtsjzoejina.

—————————

—————————-

In de vroege morgen van 22 juni 1941 wordt ze, op de Krim, gebeld door haar man uit Moskou. Ze krijgt – want ze is niet zomaar iemand - eerder dan de rest van het land te horen dat Duitsland de Sovjetunie is binnengevallen, en dat ze zo snel mogelijk naar Moskou moet komen. Ze bestelt eerst nog de kapper en terwijl ze aan het eind van de ochtend ook nog haar nagels laat doen, luistert ze naar de toespraak van haar echtgenoot, minister van Buitenlandse Zaken Vjatsjeslav Molotov, na Stalin de feitelijke nummer twee van het land, die nu ook de gewone burgers op de hoogte brengt van de Duitse aanval.

De vrouw die het vroege telefoontje kreeg, was Perl Solomonovna Karpovskaja, die vanaf 1918 door het leven ging onder haar ‘communistennaam’ Polina Semjonovna Zjemtsjoezjina (zjemtsjoezjina is Russisch voor parel). In 1921 trouwde ze met Vjatsjeslav Michajlovitsj Skrjabin, beter bekend als Vjatsjeslav Michajlovitsj Molotov. Polina Zjemtsjoezjina droeg flink bij aan de ontwikkeling van de Sovjet-parfumindustrie en werd minister van Visserij. Haar echtgenoot wist haar niet te vrijwaren van de Stalinterreur. Ze verdween na de oorlog achter de tralies, maar overleefde. De dood van Stalin kwam voor haar net op tijd.

Vjatsjeslav Nikonov

Over Zjemtsjoezjina verscheen een lijvige (bijna 800 pagina’s) biografie, geschreven door haar kleinzoon Vjatsjeslav Nikonov, lid van de Doema namens Verenigd Rusland. Wil je zijn boek kort samenvatten, dan kom je tot: eigenaardig, beschamend, teleurstellend en boeiend.

De titel, daar begint het al mee: Жемчужина советского правительства (Parel van de Sovjet-regering). Dan kan zo iemand in de honderden pagina’s die volgen eigenlijk al niets meer fout doen. En dat doet Polina ook niet. Kleinzoon Nikonov portretteert haar als een onwankelbare communiste, zuiver in de leer, die tot het einde van haar leven blijft geloven in de genialiteit van Stalin. Een vasthoudendheid die in de ogen van de kleinzoon duidelijk tot aanbeveling strekt. De schaduw die over haar leven hangt, is natuurlijk die van Molotov, haar echtgenote, en van de onvermijdelijke vragen over diens betrokkenheid bij de terreur die Stalin ontketende. Mag je die vragen stellen bij een biografie over zijn vrouw? Ja, in dit geval mag dat, want die biografie gaat, enigszins eigenaardig, voor een belangrijk deel juist over Molotov.

Kleinzoon Nikonov was al een eind op streek met de biografie over zijn oma, toen er binnen de familie opeens een lading brieven van Polina aan Molotov opdook. Hij citeert er uitbundig uit en dat had wel een paar pondjes minder gemogen. De brieven zijn namelijk voor het overgrote deel totaal oninteressant. Beiden zijn veel, apart, op reis. Polina mist haar man, moppert dat hij te weinig schrijft en vraagt hem goed op zichzelf te passen. Beiden waren zich ervan bewust dat er ‘meelezers’ konden zijn en hielden zich op de vlakte. Molotov schrijft in een van de  weinige brieven die van hem bewaard zijn gebleven (Nikonov is er bijna zeker van dat Polina veel heeft vernietigd toen ook in hun kringen de arrestaties begonnen) dat hij “om begrijpelijke reden” niet gedetailleerd op “onze zaken” kan ingaan en dat ze later uitgebreid zullen bijpraten.          

Aardig zijn wel de impressies van Polina van haar bezoeken aan cosmetica-bedrijven in Frankrijk, Duitsland en de VS, waar ze, in haar hoedanigheid van functionaris op ministerieel niveau, gezien wordt als mogelijke koopster van machines en productielijnen. Kan Vjatsjeslav er niet voor zorgen dat haar budget omhoog gaat? Bij de beschrijving van Polina’s carrière krijg je  gaandeweg de indruk dat kleinzoon Nikonov in zijn jonge jaren heel veel Sovjet-kranten – altijd dol op productiecijfers - heeft gelezen en daar nooit meer helemaal van los is gekomen. Zo vernemen we dat de lichte industrie (ook daar speelde Zjemtsjoezina een vooraanstaande rol) gedurende 1941 aan het front had geleverd: “… 3 miljoen paar legerschoeisel, 320 duizend winterjassen en gewatteerde jacks, meer dan 1 miljoen gewatteerde bodywarmers, broeken, veldoverhemden, 640.000 duizend bontmutsen, bijna 1,5 miljoen wanten, camouflagejassen en veel warm ondergoed.” Productiecijfers van de Sovjetvisserij, uit de tijd dat Polina daar minister was, alsmede de voluit geciteerde getuigschriften bij haar vele decoraties (en diverse brieven van dankbare arbeiders) – ook dat had allemaal wel een flink stuk minder gemogen.             

Parallel aan Zjemtsjoezjina’s loopbaan spelen zich de ‘avonturen’ af van echtgenoot Molotov. Die leggen op het toneel van de geschiedenis natuurlijk veel meer gewicht in de schaal. Bij de zeer uitgebreide beschrijvingen ervan wordt het af en toe gênant. Molotov was een van de uitvoerende krachten achter de misdadige collectivisatie op het platteland. Wanneer Nikonov wijst op de hongersnood die mede daardoor grote delen van het land teisterde, krijgt hij de volgende zin uit zijn pen: “Er kwam enorm veel hulp voor Oekraïne.” Om er nog aan toe te voegen dat het thema van de Holodomor “uiterst gepolitiseerd” is geraakt.

Ik onderdrukte de neiging om het boek weg te leggen, omdat ik nog wat vragen had: hoe zat het met die arrestatie van Polina, en had Molotov – mede-ondertekenaar van  honderden executie-lijsten - ooit enige berouw getoond over zijn aandeel in de Stalinterreur?

Polina wordt in januari 1949 gearresteerd en na elf maanden gevangenschap verbannen naar een vlek in Kazachstan. Daar wordt ze begin 1953 opnieuw opgepakt en naar Moskou gebracht. Nikonov gaat ervanuit dat Stalin Molotov op deze manier als mogelijke rivaal ‘klein’ wilde houden. Boeiend zijn de verslagen van Polina’s verhoren. Ze laten zien hoe in die jaren een zaak tegen iemand werd gefabriceerd. In haar geval luidde de beschuldiging onder meer: banden met het Joods Anti-fascistisch Comité. Zjemtsjoezjina wordt geen haar gekrenkt, maar wie de ellenlange lijst van de vaak nachtelijke verhoren opgesomd ziet, inclusief begin- en eindtijd, kan er alleen maar bewondering voor opbrengen dat ze, op een paar ondergeschikte punten na, haar onschuld heeft weten vol te houden. Kort na Stalins dood wordt ze vrijgelaten. Een broer en zus overleven hun gevangenschap niet. Hoe Molotov deze jaren heeft beleefd, weet Nikonov niet. Hij sprak vaak genoeg met zijn grootvader, maar dit onderwerp was taboe.

Molotov blijft na Stalins dood, tot hij onder Chroesjtjov op een zijspoor beland, nog enige tijd een belangrijke rol spelen. In Nikonovs woorden: “Op Molotovs schouders rustte, als nooit tevoren, in volle zwaarte de verantwoordelijkheid voor de buitenlandse politiek van een supermacht. En dus voor het leven van onze mensen, van de gehele mensheid.” Het kan na zulke woorden niet verbazen dat bij alle beschrijvingen van Molotovs inspanningen, van zijn ontmoetingen op het hoogste niveau, het Westen steevast als enige aanstichter van de Koude Oorlog wordt aangewezen.

Nikonov komt nog met aardige inkijkjes in het privé-leven van het echtpaar Molotov nadat ze uit het centrum van de macht zijn verdwenen. Hoe ze nog (dankzij bonnen van Polina) aan luxe levensmiddelen kunnen komen, hoe ze nog regelmatig gasten ontvangen op hun datsja. Pijnlijk is wel dat Molotov niet meer kan beschikken over een auto. Wanneer Polina, terminaal ziek, is opgenomen in het ziekenhuis, moet hij elke dag een boemeltrein, de metro en de bus nemen om haar te bezoeken.        

Zjemtsjoezjina overlijdt in 1970, Molotov overleeft haar zestien jaar. Hoe keek hij aan het einde van zijn leven terug op de Stalinterreur? Was er enig berouw? Nauwelijks. Het beeld dat naar voren komt, was al bekend, onder meer uit Molotovs interviews met Sovjet-historicus Feliks Tsjoejev. Ja, er waren helaas excessen, veel onschuldige mensen werden het slachtoffer, maar ‘1937’ was noodzakelijk. Het land diende zich voor te bereiden op een oorlog en er was een vijfde colonne die uitgeschakeld moest worden. Mocht Molotov zich in gesprekken met Nikonov anderszins hebben uitgelaten, dan maakt zijn kleinzoon daar geen melding van.              

Overigens verscheen er eerder al, in 2017, een biografie van de hand van Nikonov over grootvader Molotov. Dat maakt de hoeveelheid pagina’s over hem in de biografie over grootmoeder Polina extra opvallend. Of die pagina’s vooral herhalingen bevatten, weet ik niet. Ik heb die eerdere biografie niet gelezen. Ik voel ook weinig aandrang om dat alsnog te doen.  

——————

Met kleinzoon Vjatsjeslav in 1963

Enkele bonus-alinea’s:

Molotov wordt in 1957 weggepromoveerd naar Mongolië, waar hij als ambassadeur van de USSR op goede voet komt te staan met kameraad Joemzjagijn Tsedenbal, secretaris-generaal van de lokale communistische partij, en diens echtgenote Anastasija Ivanovna Tsedenbal-Filatova. Hun arts Jevgeni Tsjazov (ook werkzaam voor de Sovjet-elite in Moskou) schrijft over dat tweetal in zijn memoires, zich weinig aantrekkend van zijn beroepsgeheim (geciteerd door Nikonov):

“Ik kende twee Tsedenbalovs: die van eind jaren zestig, begin jaren zeventig, toen hij de indruk wekte van een erudiet, nadenkend iemand met een uitstekende kijk op politieke zaken – en die van begin jaren tachtig, toen aderverkalking en drankmisbruik leidden tot een duidelijke degradatie van zijn persoonlijkheid. Dat was ook triest omdat zijn gezinsleven niet makkelijk was. Als jonge man had hij een Russische vrouw ontmoet uit de regio Rjazan, aan wie hij zijn lot verbond. De zachtmoedige, aardige, intelligente Tsedenbal raakte volledig onder de invloed van zijn niet al te wijze vrouw, met haar, voorzichtig uitgedrukt, eigenaardige gedrag. Een historicus heeft eens gezegd dat je een Russische vrouw niet de volledige macht moet geven, want dan wordt ze een despoot. De echtgenote van de Mongoolse partij- en staatsleider werd de schrik van  het politburo en de regering van dat land.”

Kan iemand misschien de archieven duiken en gaan werken aan een biografie van mevrouw  Anastasija Ivanovna Tsedenbal-Filatova? Die zou ik graag lezen.

———————-

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————————

Humor in Rusland is er zeker nog, maar het kan je wel geld kosten

——————

Aleksandr Goedkov

De vondst is simpel, een klein taalkundig vonkje. Het resultaat is een parodie op een nummer waarvan u de originele video hier - ik houd dit blog graag onbevlekt - niet gaat aantreffen. Het filmpje met de parodie daarentegen laat ik u met alle plezier zien.

Het lijdend voorwerp van de bewuste parodie is een tamelijk chauvinistisch getint lied van de geblondeerde, en in nogal wat kringen zeer populaire zanger Sjaman – supporter van president Poetin, wiens zegenrijk werk in Oekraïne hij van harte toejuicht. Eerst maar even de tekst van het origineel, waarbij ik me – neemt u mij dat niet kwalijk - beperk tot het refrein.

Я русский!, я иду до конца
Я русский!, моя кровь от отца, xeй
Я русский!, и мне повезло
Я русский! всему миру назло

Ik ben Russisch!, ik ga tot het einde
Ik ben Russisch!, mijn bloed komt van mijn vader, hé
Ik ben Russisch!, dat is mijn geluk
Ik ben Russisch!, en heb zo de hele wereld tuk.

Ja mensen, ik kan rijmen en dichten zonder mijn hemd op te lichten.

En toen was daar de acteur/komiek Aleksandr Goedkov en die dacht: hier kan ik wel wat mee:

——————-

De volledige vertaling (de tekst loopt mee in beeld) volgt onderaan dit stukje. Hier beperk ik me even tot de eerste regel van het refrein. Ja Roesski – Ik ben Russisch is door Goedkov veranderd in Ja oezki – Ik ben dun. Wat ik al zei: een simpele vondst, maar wel effectief.

De nieuwe versie verscheen in augustus 2022 online. Afgelopen week werd Goedkov door een rechtbank in Krasnogorsk in de provincie Moskou veroordeeld tot een boete van 11.000 roebel. Waarom dat nou zo lang heeft moeten duren, weet ik niet. De zaak werd in elk geval aanhangig gemaakt door ene Artoer Sljykov, die sinds vorig deel uitmaakt van, jawel, de Presidentiële Raad voor de Ontwikkeling van Burgermaatschappij en Mensenrechten. Volgens de rechter had Goedkov zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20.3.1 van het Wetboek van de Russische Federatie inzake administratieve overtredingen (КоАП): het aanzetten tot haat of vijandigheid, alsook aantasting van de menselijke waardigheid. Met die 11.000 roebel kwam de komiek nog goed weg; het had hem ook een boete kunnen opleveren van 20.000 roebel, een taakstraf van honderd uur of vijftien dagen cel.

Maar goed, oordeelt u zelf. Met nog de aantekening dat het Russische узкий naast dun of nauw ook kan betekenen bekrompen. Die dubbelzinnigheid gaat in mijn vertalinkje verloren.

IK BEN DUN!
Ik adem deze lucht
De zon aan de hemel kijkt naar me
Boven me vliegt een stuk karton
Het is net als ik
Met mij kan je makkelijk op een stoel zitten
Ik heb weinig ruimte nodig
’t Is was het is – mij raak je niet
En dat is allemaal zo, want …

Ik ben dun! Niet in de vorm van een ei
Ik ben dun! Schouders dunner dan m’n gezicht
Ik ben dun! En dat is mijn geluk
Ik ben dun! Ik heb iedereen die breed is tuk

Een dunne borstkas
Een arm als een dun riempje
En mijn opvattingen over het leven zijn dun
Maar ik vind het prima zo
Opa bedankt voor mijn dunne bekken
Een breder bekken heb ik niet nodig
‘t Is wat het is, je krijgt me simpel kapot
En dat is allemaal zo, want …

Ik ben dun! In plaats van flosdraad
Ik ben dun! Kruip ik in je mond
Ik ben dun! En dat is mijn geluk
Ik ben dun! Ik heb iedereen die breed is tuk

We kunnen alle dunne lui verzamelen
En achter een bosje verbergen.
Achter een bosje! Achter een bosje! 
(кустик kan naast ‘bosje’ ook ‘toilet’ betekenen.)

———————-

Afijn. Oezki in plaats van Roesski, het is een doeltreffende vondst. Verder is de tekst niet echt briljant. Aleksandr Goedkov is duidelijk geen Semjon Slepakov, van wie ik een fan ben. (Zie over hem een eerder stukje van me.) Al is zijn lied volgens de Moskouse rechtbank kennelijk toch nog ondermijnend genoeg.

——————

Slepakov … Geloof het of niet, maar terwijl ik op YouTube het werkje van Goedkov nog eens bekijk, zie ik bij de reeks filmpjes rechts op het scherm verschijnen: Slepakov! Met ook een bewerking van het liedje van Sjaman! Ook een paar jaar oud en indertijd volledig langs me heen gegaan. Zijn versie is veel ironischer en bijtender. Slepakov steekt met kop en schouders boven Goedkov uit. Het is dan ook geen toeval dat híj de wijk heeft genomen naar het buitenland.

En nu zou ik natuurlijk ook met een vertaling van die versie van Slepakov moeten komen. Nou, binnenkort misschien. Eerst ga ik mijn aandacht maar eens wijden aan de vrouw van Vjatsjeslav Molotov.      

——————-

Prachtige hulp bij het (her)lezen van Anna Karenina – 2.

———————-

Vivien Leigh als Anna Karenina (1948)

Nog meer hulp voor de lezer van Anna Karenina en weer komt die van (onder anderen) Pavel Basinski. Over zijn fraaie boek Подлинная история Анны Карениной (De ware geschiedenis van Anna Karenina) schreef ik in mijn vorige stukje. In dat boek wijst Basinski op allerlei zaken – vooral op het gebied van de etiquette en mores in de hoogste sociale kringen - die volledig langs je heen gaan, wanneer je als lezer uit onze tijd Lev Tolstojs meesterwerk ter hand neemt. Dat Basinski met een soort vervolg op ‘zijn’ Anna Karenina komt, verbaast gezien zijn flinke productie van de afgelopen jaren eigenlijk nauwelijks. Ook door de titel voelt het als gewoon een nieuwe aflevering van een langere reeks : Подлинная история Константина Левина (De ware geschiedenis van Konstantin Levin), gewijd dus aan Konstantin Levin, die in het boek van Tolstoj de ondankbare taak heeft om diens opvattingen over de problemen en perspectieven van agrarisch Rusland voor het voetlicht te brengen      

De lotgevallen van Levin (en zijn uiteindelijke echtgenote Kiti) waren voor mij – en daarin sta ik ongetwijfeld niet alleen – niet de boeiendste van het boek. Laat het echter maar aan Pavel Basinski over om toch weer met een boeiende en zeer leesbare studie op de proppen te komen. Opnieuw ontleedt hij personages tot op hun ziel en laat hij je verbanden zien waar je zelf – ook hierin sta ik zeker niet alleen – nooit op was gekomen. Typerend is de manier waarop Basinski Dolly ten tonele voert, een personage dat “op het eerste gezicht het minst interessante is, gespeend van enig innerlijk drama” – om je vervolgens in dertig pagina’s duidelijk te maken dat die “minst interessante” Dolly bijzonder interessant is en dat zij door Tolstoj in het netwerk van het drama dat zich ontrolt een belangrijke rol toebedeeld heeft gekregen, een rol die veel verder gaat dan wat je als ‘gewone’ lezer uit onze tijd zelf had ontwaard.

Pavel Basinski

Tot zover - excuus voor deze anti-climax - Basinski. Enigszins van hetzelfde laken een pak, maar veel uitgebreider (en helaas ook een stuk minder toegankelijk), is het boek Жизнь творимого романа (Het leven van een gecrëerde roman – een betere vertaling heb ik zo snel niet paraat *) van Michail Dolbilov. In zo’n zeshonderd pagina’s voert Dolbilov je mee langs de gecompliceerde ontstaansgeschiedenis van Anna Karenina. Tolstoj werkte een aantal jaren met tussenpozen aan zijn creatie, schreef soms in sneltreinvaart, schoof het dan weer terzijde en worstelde zich via meerdere versies naar het eindpunt. Daarbij was er een voortdurende wisselwerking met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, die voor de lezer van toen min of meer (en voor de gemiddelde Nederlandse lezer van nu totaal niet) herkenbaar hun weg vonden naar de pagina’s van Tolstojs boek.   

Ondanks de ontoegankelijkheid – het literatuurwetenschappelijk jargon is af en toe niet te harden ­– biedt Dolbilov je net voldoende wetenswaardigheden om toch te blijven lezen. Tolstoj geeft in Anna Karenina bijvoorbeeld een inkijkje in het losbandige leven in de allerhoogste kringen, veelal versluierd, maar voor de oplettende Russische lezer van toen onmiskenbaar. Zo wordt Vronski door een kameraad gevraagd waarom hij het Franse theater niet had bezocht, waar de Franse actrice Numerova te bewonderen was geweest. De verzonnen naam van de Française is een regelrechte verwijzing naar een heel andere, Russische actrice, genaamd Tsjislova (tsjislo betekent getal, cijfer, nummer). Zij was de minnares van grootvorst Nikolaj, een broer van tsaar Alexander II.

En dan was daar Nikolaj Konstantinovitsj, een neef van Alexander II. Die presteerde het om een ster van briljanten los te wrikken uit de lijst van de huwelijksicoon van zijn ouders en ook nog enkele kostbaarheden van de tsarina te ontvreemden. Hij vond dat wel mooie cadeaus voor zijn minnares. Door Nikolaj geestelijk gestoord te verklaren, werd het schandaal nog enigszins gedempt, maar de schade voor de Romanov-familie was groot. Het doet je anders kijken naar de befaamde openingszinnen van Anna Karenina (in de vertaling van Hans Boland): “Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier. Alles stond op zijn kop in huize Oblonski.” Wanneer Dolbilov ook nog wijst op de openingszin in een versie van een nooit voltooide roman van Tolstoj over het tijdperk van Peter de Grote: “Alles stond op zijn kop in huize Romanov”, dan is de suggestie dat de schrijver in die eerste alinea van Anna Karenina een vette knipoog uitdeelde, opeens niet zo vergezocht meer.

Om te voorkomen dat u nu Dolbilovs boek bestelt om er eens lekker voor te gaan zitten, voeg ik twee afbeeldingen bij die representatiever voor het boek zijn dan de hierboven beschreven anekdotes.

En dan laat ik Anna Karenina verder maar met rust. Tot het moment uiteraard dat Basinski met nóg een boek over haar tevoorschijn komt. Bij hem acht ik dat zeker mogelijk. Een vervolg van Dolbilov op zíjn boek over Anna Karenina zie ik niet zo snel  voor me.

Deel 1.

*) Zie commentaar

Prachtige hulp bij het (her)lezen van Anna Karenina – 1.

————————

Keira Knightley (2012) en Sophie Marceau (1997) als Anna Karenina

——————-

In de vroege jaren van de twintigste eeuw zien voorbijgangers in Moskou af en toe een oude vrouw zitten bij het standbeeld van de dichter Aleksandr Poesjkin op de Tverskoj Boulevard. Het is Marija Aleksandrovna Gartoeng. De passanten zullen niet vermoed hebben dat daar de oudste dochter van Poesjkin zat, en al helemaal niet dat deze oude dame gediend had als prototype van de hoofdrolspeelster in Lev Tolstojs beroemde roman Anna Karenina.

Marija Gartoeng had geen gemakkelijk leven achter de rug, met een echtgenoot die zelfmoord had gepleegd na valselijk te zijn beschuldig van oplichting. Maar het was niet die ellendige levensloop waar Tolstoj inspiratie uit putte; Gartoeng vinden we in zijn roman slechts terug in het uiterlijk van Anna Karenina. De schrijver had Gartoeng ontmoet in 1868 op een soiree in Toela en was, zo herinnerde zijn zuster zich later, danig van haar onder de indruk. In een van de manuscripten van Anna Karenina wordt de hoofdpersoon zelfs een keer ‘Poesjkina’ genoemd en bij de beschrijvingen van haar haar uiterlijk moet Tolstoj haast wel de oudste dochter van Poesjkin voor zich hebben gezien.

I. Makarov: Marija Gartoeng (1860)

Voor doorgewinterde Tolstoj-vorsers is dit allemaal geen nieuws – voor mij was het dat wel. Ik las het in Подлинная история Анны Карениной (De ware geschiedenis van Anna Karenina) van Pavel Basinski. Basinski schreef eerder over leven en werk van Tolstoj en met zijn boeken maakte hij zich geliefd – ook bij mij. Vooral zijn Бегство из рая (Vlucht uit de hemel, in het Engels verschenen als Flight from paradise) maakte indruk. Ik schreef er indertijd een stukje over. Voor zijn De ware geschiedenis van Anna Karenina kreeg hij in 2022 de Grote Boek-prijs (премия Большая книга).  

Ook Подлинная история Анны Карениной is weer een heerlijk boek. Om Basinski zo veel mogelijk recht te kunnen doen, herlas ik eerst de roman van Tolstoj. Dankzij mijn verse lees-indrukken viel Basinski in vruchtbare aarde.

Je zou het op grond van de titel van zijn boek misschien verwachten, maar het is zeker niet zo dat Basinski allerlei geheimen onthuld rond Tolstojs roman. Deels geeft hij zíjn interpretatie van Anna’s zieleroerselen, deels belicht hij simpelweg concrete dingen uit het Rusland van toen.

Welke dans dansten Anna en Vronski op het befaamde bal? Ik hoor u zeggen, mogelijk op het verkeerde spoor gezet door de verschillende verfilmingen: een wals! Nee, Vronski danste die avond de wals met Kiti. Basinski beschrijft de ongeschreven wetten op zo’n avond van de hoogste kringen en legt uit waarom Vronski de wals niet met Anna kón dansen en juist wel met de van hoop vervulde Kiti. Die evengoed een flinke domper te verwerken krijgt, omdat Vronski de mazoerka dan weer niet met haar danst, maar juist met Anna. “De mazoerka was de belangrijkste dans, die sinds de 18de eeuw werd gezien als de ‘plek’ waar over het lot werd beslist en huwelijken werden gesmeed”, schrijft Basinski. De mazoerka was ook nog eens de dans waarmee het eerste deel van het bal werd afgesloten en bij de maaltijd die daarop volgde, zaten de partners van die laatste dans doorgaans bij elkaar. Dat alles zag Kiti aan haar neus voorbijgaan.

Nog zoiets waar je als lezer uit de 21ste eeuw even op gewezen moet worden: de gerechten die Stiva Oblonski bestelt wanneer hij Levin heeft uitgenodigd voor een lunch in een Moskous restaurant. Tot de vereiste ingrediënten (niet genoemd door Tolstoj, wel door Basinski) behoren onder meer tuinkruiden. En die moesten – het is februari - van ver worden aangevoerd. Voor de Russische lezer is dan meteen duidelijk dat deze “gastronomische liederlijkheid” (Basinski) zich afspeelt in een wel zeer exclusieve eetgelegenheid.

Veel dichter bij het drama van Anna komt Basinski met zijn details over de regels rond een scheiding in geval van overspel. Om zo’n scheiding rond te krijgen, dienden er van dat overspel verklarende getuigen te zijn. Die konden doorgaans wel ergens worden gevonden, tegen betaling uiteraard, zelfs al hadden die nog nooit van het gebrouilleerde echtpaar gehoord. Was de scheiding eenmaal uitgesproken, dan had de bedriegende partij niet meer het recht om met wie dan ook te hertrouwen. Voor Anna zou dat een veroordeling betekenen tot een ten diepste vernederend bestaan als verstotene. 

Anna’s echtgenoot, Aleksej Karenin, die bij de meeste lezers weinig sympathie zal oproepen, komt er bij Basinski redelijk goed vanaf. Hij zit ook maar gevangen in de strikte conventies van zijn stand. En hij toont zich bereid om bij de scheiding de rol van bedrieger op zich te nemen, waardoor Anna kan hertrouwen en ook haar zoon niet verliest. Die christelijke goedertierenheid, waarmee Karenin zichzelf op een voetstuk plaatst, ver verheven boven Anna, is voor haar niet te verdragen. Een kwaadaardige echtgenoot bedriegen, dat was te verdedigen. Daar kon men begrip voor opbrengen, dat kon, zolang het maar niet te openlijk gebeurde, door de beugel. Accepteert Anna de scheiding zoals aangeboden door haar echtgenoot, dan wordt ze in de rol gedwongen van een vrouw die misbruik maakt van de goedheid van haar man. Ze vlucht met Vronski naar Italië, zonder scheiding.

Pavel Basinski

In de ogen van Basinski is het dus niet echtgenoot Karenin die Anna tot zelfmoord drijft. Vronski dan? Ook niet. Die gedraagt zich “onberispelijk”. Hij offert zijn carrière voor haar op, gaat met haar naar het buitenland zodat ze tot zichzelf kan komen en biedt haar na terugkeer onderdak op zijn landgoed, uit de buurt van alle boze tongen in de hoofdstad. Basinski, verwijzend naar de harde val van Vronski tijdens de paardenrennen: “Vronski had geen schuld aan de zelfmoord van Anna, zoals hij ook geen schuld had aan de toevallige fout die hij tijdens de springwedstrijd maakte, waarbij hij de rug brak van Froe-Froe.”

Nee, het zijn volgens Basinski drie vrouwen die schuldig zijn aan Anna’s dood: Betsi Tverskaja, Lidija Ivanovna en vooral Vronski’s moeder, gravin Vronskaja. Zíj achtte een relatie van haar zoon met iemand uit de hogere kringen – niet per se met Anna Karenina – wenselijk, want zoiets gaf extra cachet, gaf extra aanzien, het maakte het imago van een veelbelovende jonge man af. Dat was geen uitzonderlijke opvatting. Een tante van Tolstoj, zo schrijft hij in het niet lang na Anna Karenina verschenen Mijn Biecht, wenste hem boven alles een liaison toe met een getrouwde vrouw, want “rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut”. Voor gravin Vronski verschafte de affaire van haar zoon met Anna daarnaast nog een ander, meer venijnig soort voldoening. Ze zag erin bevestigd dat de ontrouwe Anna in feite hetzelfde was “als alle mooie vrouwen”. 

Maar het spel verloopt niet zoals voorzien, vooral door het karakter van Anna. Die daagt, in de woorden van Basinski, “het systeem” uit. (Wat culmineert in – voor mij – de aangrijpendste scène in het boek: Anna’s bezoek aan het theater, waar ze de minachting trotseert van de kring die haar heeft verstoten.) Gravin Vronskaja ziet dat de affaire de reputatie van haar zoon helemaal niet dat extra beetje glans geeft, maar hem juist schade berokkent en hem richting de ondergang voert. Daarop haalt ze een nieuwe kaart uit haar mouw: de jonge prinses Sorokina. Zou het, zo stelt ze haar zoon voor, niet wat zijn als hij met haar zou trouwen? Vronski vertelt Anna lachend over dat “domme” idee van haar moeder. Maar Anna begrijpt meteen dat de gravin helemaal niet dom is en dat de machinaties om haar definitief uit te schakelen in gang zijn gezet. Wanneer ze Vronski en Sorokina in door de gravin bekokstoofde omstandigheden samen ziet, valt ze over de rand en verliest ze gaandeweg haar verstand.

“Anna Karenina lezen is niet alleen een genoegen, het is ook hard werken voor de lezer”, schrijft Basinski. Wat dat harde werken betreft: Basinski’s boek is daarbij een prachtige steun in de rug dat het genoegen aanzienlijk vergroot, zelfs al is dat achteraf. Eérst Basinski lezen en dan pas Anna Karenina? Dat lijkt me niet, dan krijg je wel heel veel spoilers op je bord. En bovendien geeft het, verrassend genoeg, veel voldoening, wanneer je door Basinski allerlei details krijgt voorgeschoteld waar je glad overheen had gelezen. Zo zou ik hier nog, dankzij De ware geschiedenis van Anna Karenina, iets kunnen vertellen over die naam van Vronski’s paard, Frou-Frou. Of over Vronski’s tanden. Maar het genoegen om dat te ontdekken is alleen maar groter wanneer u zelf Basinski leest.

———————

Deel 2.