literatuur

Rusland in de 20ste eeuw – 15: Verborgen boodschap in een Sovjet-liedje over de lente – met net geen Nederlands tintje

——————

Smeltend IJs in de Wolga. Kazan, lente 2018 (foto: Egbert Hartman)

————————

De muziek van onderstaand lied is van Sergej Nikitin, die hier ook zingt. De tekst is van… Dat zeg ik nog even niet. (Mijn vertaling staat onder het filmpje.)

—————

NOORDELIJKE LENTE

Kinderen van het zuiden,
Waar de rozen fonkelen in december
Waar je het woord ‘sneeuwstorm’
Vindt in geheugen noch woordenboek
Waar de blauwe hemel
Nog voor geen uur verbleekt
Waar sinds eeuwen tot op heden
Steeds die zomer het oog streelt.
Die zijn daar toch niet in staat, al is het maar even
Voor een minuut, al is het maar in een droom
Al is het per ongeluk, te vatten
Wat het is om te denken aan de lente.
Wat het betekent om in een ijskoude maart
Wanneer de wanhoop je grijpt,
Steeds maar te moeten wachten, wachten
Tot het logge ijs lomp in beweging komt.
Wíj kenden zulke winters
We gingen op in dusdanige kou
Dat er zelfs geen verdriet was
Enkel maar trots en onheil.
En in de krachtige, ijzeren krenking
Door een droge sneeuwwind verblind
Zagen we, zonder te zien,
De groene ogen van de lente.

———————

Wie hier anno 2026 voor het eerst naar luistert, zal vermoedelijk denken: een aardig niets-aan-de-hand-liedje. Een beetje vreemd misschien dat zanger Sergej Nikitin er zo’n somber gezicht bij trekt - maar mág het; hij vertolkt hier de stemming van iemand die het kennelijk wel héél erg koud heeft gehad, die terugdenkt aan veel te lange, veel te strenge winters. 

De gedachten van de luisteraar zullen al iets gaan schuiven, wanneer hij  verneemt in welk jaar de tekst is geschreven: 1957. En helemaal zal hij gaan vermoeden dat hier meer aan de hand is, wanneer hij ook hoort wie de auteur is: Ilja Ehrenburg. Als geen andere schrijver/dichter is Ehrenburg (1891-1967) verbonden met de periode na de dood van Stalin, ook wel  aangeduid als de Dooi – naar de titel van een verhaal van Ehrenburg: Оттепель / Dooi. Zijn gedicht Noordelijke lente werd in juli 1959 gepubliceerd in de Literatoernaja Gazeta. Nikitin zette het later op muziek.

Jaartal en auteur vormen de grondverf waartegen woorden beter uitkomen. Ben je je bewust van die grondverf, dan ben je al snel de boodschap op het spoor die Ehrenburg in zijn tekst heeft gestopt. De signalen lichten als rode vlaggetjes op.

- IJskoude maand maart (мартовские стужи). Elke lezer in de USSR in 1959 wist wat er een aantal jaren eerder in maart was gebeurd: op de vijfde van die maand in 1953 overleed Stalin. In de weken ervoor besteedde de Sovjet-pers uitgebreid aandacht aan de ‘Zaak van de artsen’: een groep voornamelijk joodse artsen, aangestuurd vanuit de VS, zou het voorzien hebben de hoogste leiders in het Kremlin. De angst voor een zoveelste golf van arrestaties was groot, zeker onder joden. Voor de jood Ehrenburg begon de maand maart ijskoud.

- Wanneer de wanhoop je grijpt. Zo was de stemming onder de joodse intelligentsia en ook buiten die kring; Ehrenburg verwachtte elk moment gearresteerd te worden. “Wanhoop” is in een gedichtje over de lente erg zwaar aangezet; de lezer begrijpt, ook door het samenspel met de andere vlaggetjes, dat hier meer aan de hand is.

- De nadrukkelijke herhaling van wij/we: het gaat hier niet over de emoties van een enkeling, maar over een groep (die groter is dan alleen de joodse intelligentsia).

- Door een droge sneeuwwind verblind: Begin maart 1953 worden de Sovjetburgers in nieuwsbulletins op de hoogte gehouden van de ernstige gezondheidsproblemen van Stalin. Maar wie de eerdere kou (terreurgolven, deportaties, oorlog) heeft overleefd, gelooft - door sneeuwwind verblind – nauwelijks nog in verlossing.

- Het logge ijs / грузный лед. Een fonetisch vlaggetje dat in mijn vertaling verloren gaat: lomp = грузный / groezni. Een Georgiër is in het Russisch een Groezin, Stalin was een Georgiër.

En wie waren dan die “kinderen van het zuiden”? Dat kan vrij algemeen worden begrepen: iedereen die niet vertrouwd was met de dodelijke kou die de Sovjetunie meermalen had overspoeld – en ‘kou’ dan natuurlijk niet in de zin van letterlijke vrieskou die je kan aflezen op een thermometer.

Deze toelichting op het gedicht Noordelijke lente kwam ik tegen in een artikel van de Russische cultureel-antropologe Aleksandra Archipova, in eigen land tot ‘buitenlands agent’ verklaard en tegenwoordig woonachtig en werkzaam in Parijs. Het artikel verscheen als inleiding bij een boek van literatuurvorser en Brodsky-biograaf Lev Losev (1937-2009) over verhullend taalgebruik in de Russische literatuur: Эзопов язык в русской литературе (Moskou, 2024). *)

Archipova (1976) schrijft in haar artikel dat “mijn scholieren” de tekst van Ehrenburg zongen op excursies en er de titel “Liedje over de lente” aan gaven: “Je kan scholieren, en ook studenten, nauwelijks verwijten dat ze echt het idee hebben dat dit een zoet gedicht is over verlangen naar de lente.” **)

Aan haar interpretatie van Ehrenburgs gedicht voeg ik nog een vlaggetje toe uit eigen koker: het woordje ‘trots’ (vijfde regel vanonder) zou kunnen wijzen op de overwinning op Nazi-Duitsland.

De naam van Archipova kwam overigens eerder al eens naar voren op dit weblog. Enkele jaren geleden schreef ik een stukje over ‘ondermijnende’ tekens en symbolen op ogenschijnlijk onschuldige voorwerpen ten tijde van de Stalinterreur (knopen, schoolschriftjes, luciferdoosjes), gebaseerd op een artikel van haar. 

En  toen dacht ik: laat ik eens kijken of ik nog een andere uitvoering kan vinden van bovenstaand lied. Het leverde deze versie op, ook weer van een sombere kijkende Sergej Nikitin:

Dezelfde interpretatie dus. Maar wacht eens, die locatie, dat balkon… Had ik daar niet ooit een glaasje wijn gedronken? Meerdere keren zelfs? Was dat niet het balkon van de ambtswoning van de Nederlandse consul in Sint-Petersburg, aan de Engelse Kade langs de Neva? Waar ik een foto van de Nederlandse vlag maakte, bijna – mijn hemel! - veertien jaar geleden. Ik stak mijn licht op bij alle oud-consuls in mijn kennissenkring (de heren Van der Togt en De Mol). Beiden wisten het niet zeker, achtten het niet onmogelijk. Een mailtje aan de huidige huismeester bracht uitsluitsel. Binnen tien minuten antwoordde hij: “Nee, dat is het huis van de buren.”

Sint-Petersburg, 2012 (foto: Egbert Hartman)

——————

*) Een kleine waarschuwing voor wie nu denkt: dat boek ga ik lezen!: in tegenstelling tot Archipova’s inleiding is het werk van Losev lastig leesbaar en moeilijk toegankelijk.

**) Ik neem aan dat Archipova met “mijn scholieren” doelt op deelnemers aan de Ecologische Zomerschool (Летняя экологическая школа – ЛЭШ), waaraan zij verbonden was. Deze zomerschool raakte enkele jaren geleden flink in opspraak vanwege seksueel misbruik door enkele leerkrachten. Ik schreef er een artikel over, gebaseerd op een aantal Russische podcasts. Dat artikel verdween in een la, omdat de oorlog in Oekraïne mij de lust ontnam om ook maar iets over het huidige Rusland te publiceren. Het accent op dit blog verschoof naar de geschiedenis, vooral die van de vorige eeuw. Mogelijk publiceer ik het artikel binnenkort alsnog.

———————

Prachtige hulp bij het (her)lezen van Anna Karenina – 2.

———————-

Vivien Leigh als Anna Karenina (1948)

Nog meer hulp voor de lezer van Anna Karenina en weer komt die van (onder anderen) Pavel Basinski. Over zijn fraaie boek Подлинная история Анны Карениной (De ware geschiedenis van Anna Karenina) schreef ik in mijn vorige stukje. In dat boek wijst Basinski op allerlei zaken – vooral op het gebied van de etiquette en mores in de hoogste sociale kringen - die volledig langs je heen gaan, wanneer je als lezer uit onze tijd Lev Tolstojs meesterwerk ter hand neemt. Dat Basinski met een soort vervolg op ‘zijn’ Anna Karenina komt, verbaast gezien zijn flinke productie van de afgelopen jaren eigenlijk nauwelijks. Ook door de titel voelt het als gewoon een nieuwe aflevering van een langere reeks : Подлинная история Константина Левина (De ware geschiedenis van Konstantin Levin), gewijd dus aan Konstantin Levin, die in het boek van Tolstoj de ondankbare taak heeft om diens opvattingen over de problemen en perspectieven van agrarisch Rusland voor het voetlicht te brengen      

De lotgevallen van Levin (en zijn uiteindelijke echtgenote Kiti) waren voor mij – en daarin sta ik ongetwijfeld niet alleen – niet de boeiendste van het boek. Laat het echter maar aan Pavel Basinski over om toch weer met een boeiende en zeer leesbare studie op de proppen te komen. Opnieuw ontleedt hij personages tot op hun ziel en laat hij je verbanden zien waar je zelf – ook hierin sta ik zeker niet alleen – nooit op was gekomen. Typerend is de manier waarop Basinski Dolly ten tonele voert, een personage dat “op het eerste gezicht het minst interessante is, gespeend van enig innerlijk drama” – om je vervolgens in dertig pagina’s duidelijk te maken dat die “minst interessante” Dolly bijzonder interessant is en dat zij door Tolstoj in het netwerk van het drama dat zich ontrolt een belangrijke rol toebedeeld heeft gekregen, een rol die veel verder gaat dan wat je als ‘gewone’ lezer uit onze tijd zelf had ontwaard.

Pavel Basinski

Tot zover - excuus voor deze anti-climax - Basinski. Enigszins van hetzelfde laken een pak, maar veel uitgebreider (en helaas ook een stuk minder toegankelijk), is het boek Жизнь творимого романа (Het leven van een gecrëerde roman – een betere vertaling heb ik zo snel niet paraat *) van Michail Dolbilov. In zo’n zeshonderd pagina’s voert Dolbilov je mee langs de gecompliceerde ontstaansgeschiedenis van Anna Karenina. Tolstoj werkte een aantal jaren met tussenpozen aan zijn creatie, schreef soms in sneltreinvaart, schoof het dan weer terzijde en worstelde zich via meerdere versies naar het eindpunt. Daarbij was er een voortdurende wisselwerking met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, die voor de lezer van toen min of meer (en voor de gemiddelde Nederlandse lezer van nu totaal niet) herkenbaar hun weg vonden naar de pagina’s van Tolstojs boek.   

Ondanks de ontoegankelijkheid – het literatuurwetenschappelijk jargon is af en toe niet te harden ­– biedt Dolbilov je net voldoende wetenswaardigheden om toch te blijven lezen. Tolstoj geeft in Anna Karenina bijvoorbeeld een inkijkje in het losbandige leven in de allerhoogste kringen, veelal versluierd, maar voor de oplettende Russische lezer van toen onmiskenbaar. Zo wordt Vronski door een kameraad gevraagd waarom hij het Franse theater niet had bezocht, waar de Franse actrice Numerova te bewonderen was geweest. De verzonnen naam van de Française is een regelrechte verwijzing naar een heel andere, Russische actrice, genaamd Tsjislova (tsjislo betekent getal, cijfer, nummer). Zij was de minnares van grootvorst Nikolaj, een broer van tsaar Alexander II.

En dan was daar Nikolaj Konstantinovitsj, een neef van Alexander II. Die presteerde het om een ster van briljanten los te wrikken uit de lijst van de huwelijksicoon van zijn ouders en ook nog enkele kostbaarheden van de tsarina te ontvreemden. Hij vond dat wel mooie cadeaus voor zijn minnares. Door Nikolaj geestelijk gestoord te verklaren, werd het schandaal nog enigszins gedempt, maar de schade voor de Romanov-familie was groot. Het doet je anders kijken naar de befaamde openingszinnen van Anna Karenina (in de vertaling van Hans Boland): “Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier. Alles stond op zijn kop in huize Oblonski.” Wanneer Dolbilov ook nog wijst op de openingszin in een versie van een nooit voltooide roman van Tolstoj over het tijdperk van Peter de Grote: “Alles stond op zijn kop in huize Romanov”, dan is de suggestie dat de schrijver in die eerste alinea van Anna Karenina een vette knipoog uitdeelde, opeens niet zo vergezocht meer.

Om te voorkomen dat u nu Dolbilovs boek bestelt om er eens lekker voor te gaan zitten, voeg ik twee afbeeldingen bij die representatiever voor het boek zijn dan de hierboven beschreven anekdotes.

En dan laat ik Anna Karenina verder maar met rust. Tot het moment uiteraard dat Basinski met nóg een boek over haar tevoorschijn komt. Bij hem acht ik dat zeker mogelijk. Een vervolg van Dolbilov op zíjn boek over Anna Karenina zie ik niet zo snel  voor me.

Deel 1.

*) Zie commentaar

Prachtige hulp bij het (her)lezen van Anna Karenina – 1.

————————

Keira Knightley (2012) en Sophie Marceau (1997) als Anna Karenina

——————-

In de vroege jaren van de twintigste eeuw zien voorbijgangers in Moskou af en toe een oude vrouw zitten bij het standbeeld van de dichter Aleksandr Poesjkin op de Tverskoj Boulevard. Het is Marija Aleksandrovna Gartoeng. De passanten zullen niet vermoed hebben dat daar de oudste dochter van Poesjkin zat, en al helemaal niet dat deze oude dame gediend had als prototype van de hoofdrolspeelster in Lev Tolstojs beroemde roman Anna Karenina.

Marija Gartoeng had geen gemakkelijk leven achter de rug, met een echtgenoot die zelfmoord had gepleegd na valselijk te zijn beschuldig van oplichting. Maar het was niet die ellendige levensloop waar Tolstoj inspiratie uit putte; Gartoeng vinden we in zijn roman slechts terug in het uiterlijk van Anna Karenina. De schrijver had Gartoeng ontmoet in 1868 op een soiree in Toela en was, zo herinnerde zijn zuster zich later, danig van haar onder de indruk. In een van de manuscripten van Anna Karenina wordt de hoofdpersoon zelfs een keer ‘Poesjkina’ genoemd en bij de beschrijvingen van haar haar uiterlijk moet Tolstoj haast wel de oudste dochter van Poesjkin voor zich hebben gezien.

I. Makarov: Marija Gartoeng (1860)

Voor doorgewinterde Tolstoj-vorsers is dit allemaal geen nieuws – voor mij was het dat wel. Ik las het in Подлинная история Анны Карениной (De ware geschiedenis van Anna Karenina) van Pavel Basinski. Basinski schreef eerder over leven en werk van Tolstoj en met zijn boeken maakte hij zich geliefd – ook bij mij. Vooral zijn Бегство из рая (Vlucht uit de hemel, in het Engels verschenen als Flight from paradise) maakte indruk. Ik schreef er indertijd een stukje over. Voor zijn De ware geschiedenis van Anna Karenina kreeg hij in 2022 de Grote Boek-prijs (премия Большая книга).  

Ook Подлинная история Анны Карениной is weer een heerlijk boek. Om Basinski zo veel mogelijk recht te kunnen doen, herlas ik eerst de roman van Tolstoj. Dankzij mijn verse lees-indrukken viel Basinski in vruchtbare aarde.

Je zou het op grond van de titel van zijn boek misschien verwachten, maar het is zeker niet zo dat Basinski allerlei geheimen onthuld rond Tolstojs roman. Deels geeft hij zíjn interpretatie van Anna’s zieleroerselen, deels belicht hij simpelweg concrete dingen uit het Rusland van toen.

Welke dans dansten Anna en Vronski op het befaamde bal? Ik hoor u zeggen, mogelijk op het verkeerde spoor gezet door de verschillende verfilmingen: een wals! Nee, Vronski danste die avond de wals met Kiti. Basinski beschrijft de ongeschreven wetten op zo’n avond van de hoogste kringen en legt uit waarom Vronski de wals niet met Anna kón dansen en juist wel met de van hoop vervulde Kiti. Die evengoed een flinke domper te verwerken krijgt, omdat Vronski de mazoerka dan weer niet met haar danst, maar juist met Anna. “De mazoerka was de belangrijkste dans, die sinds de 18de eeuw werd gezien als de ‘plek’ waar over het lot werd beslist en huwelijken werden gesmeed”, schrijft Basinski. De mazoerka was ook nog eens de dans waarmee het eerste deel van het bal werd afgesloten en bij de maaltijd die daarop volgde, zaten de partners van die laatste dans doorgaans bij elkaar. Dat alles zag Kiti aan haar neus voorbijgaan.

Nog zoiets waar je als lezer uit de 21ste eeuw even op gewezen moet worden: de gerechten die Stiva Oblonski bestelt wanneer hij Levin heeft uitgenodigd voor een lunch in een Moskous restaurant. Tot de vereiste ingrediënten (niet genoemd door Tolstoj, wel door Basinski) behoren onder meer tuinkruiden. En die moesten – het is februari - van ver worden aangevoerd. Voor de Russische lezer is dan meteen duidelijk dat deze “gastronomische liederlijkheid” (Basinski) zich afspeelt in een wel zeer exclusieve eetgelegenheid.

Veel dichter bij het drama van Anna komt Basinski met zijn details over de regels rond een scheiding in geval van overspel. Om zo’n scheiding rond te krijgen, dienden er van dat overspel verklarende getuigen te zijn. Die konden doorgaans wel ergens worden gevonden, tegen betaling uiteraard, zelfs al hadden die nog nooit van het gebrouilleerde echtpaar gehoord. Was de scheiding eenmaal uitgesproken, dan had de bedriegende partij niet meer het recht om met wie dan ook te hertrouwen. Voor Anna zou dat een veroordeling betekenen tot een ten diepste vernederend bestaan als verstotene. 

Anna’s echtgenoot, Aleksej Karenin, die bij de meeste lezers weinig sympathie zal oproepen, komt er bij Basinski redelijk goed vanaf. Hij zit ook maar gevangen in de strikte conventies van zijn stand. En hij toont zich bereid om bij de scheiding de rol van bedrieger op zich te nemen, waardoor Anna kan hertrouwen en ook haar zoon niet verliest. Die christelijke goedertierenheid, waarmee Karenin zichzelf op een voetstuk plaatst, ver verheven boven Anna, is voor haar niet te verdragen. Een kwaadaardige echtgenoot bedriegen, dat was te verdedigen. Daar kon men begrip voor opbrengen, dat kon, zolang het maar niet te openlijk gebeurde, door de beugel. Accepteert Anna de scheiding zoals aangeboden door haar echtgenoot, dan wordt ze in de rol gedwongen van een vrouw die misbruik maakt van de goedheid van haar man. Ze vlucht met Vronski naar Italië, zonder scheiding.

Pavel Basinski

In de ogen van Basinski is het dus niet echtgenoot Karenin die Anna tot zelfmoord drijft. Vronski dan? Ook niet. Die gedraagt zich “onberispelijk”. Hij offert zijn carrière voor haar op, gaat met haar naar het buitenland zodat ze tot zichzelf kan komen en biedt haar na terugkeer onderdak op zijn landgoed, uit de buurt van alle boze tongen in de hoofdstad. Basinski, verwijzend naar de harde val van Vronski tijdens de paardenrennen: “Vronski had geen schuld aan de zelfmoord van Anna, zoals hij ook geen schuld had aan de toevallige fout die hij tijdens de springwedstrijd maakte, waarbij hij de rug brak van Froe-Froe.”

Nee, het zijn volgens Basinski drie vrouwen die schuldig zijn aan Anna’s dood: Betsi Tverskaja, Lidija Ivanovna en vooral Vronski’s moeder, gravin Vronskaja. Zíj achtte een relatie van haar zoon met iemand uit de hogere kringen – niet per se met Anna Karenina – wenselijk, want zoiets gaf extra cachet, gaf extra aanzien, het maakte het imago van een veelbelovende jonge man af. Dat was geen uitzonderlijke opvatting. Een tante van Tolstoj, zo schrijft hij in het niet lang na Anna Karenina verschenen Mijn Biecht, wenste hem boven alles een liaison toe met een getrouwde vrouw, want “rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut”. Voor gravin Vronski verschafte de affaire van haar zoon met Anna daarnaast nog een ander, meer venijnig soort voldoening. Ze zag erin bevestigd dat de ontrouwe Anna in feite hetzelfde was “als alle mooie vrouwen”. 

Maar het spel verloopt niet zoals voorzien, vooral door het karakter van Anna. Die daagt, in de woorden van Basinski, “het systeem” uit. (Wat culmineert in – voor mij – de aangrijpendste scène in het boek: Anna’s bezoek aan het theater, waar ze de minachting trotseert van de kring die haar heeft verstoten.) Gravin Vronskaja ziet dat de affaire de reputatie van haar zoon helemaal niet dat extra beetje glans geeft, maar hem juist schade berokkent en hem richting de ondergang voert. Daarop haalt ze een nieuwe kaart uit haar mouw: de jonge prinses Sorokina. Zou het, zo stelt ze haar zoon voor, niet wat zijn als hij met haar zou trouwen? Vronski vertelt Anna lachend over dat “domme” idee van haar moeder. Maar Anna begrijpt meteen dat de gravin helemaal niet dom is en dat de machinaties om haar definitief uit te schakelen in gang zijn gezet. Wanneer ze Vronski en Sorokina in door de gravin bekokstoofde omstandigheden samen ziet, valt ze over de rand en verliest ze gaandeweg haar verstand.

“Anna Karenina lezen is niet alleen een genoegen, het is ook hard werken voor de lezer”, schrijft Basinski. Wat dat harde werken betreft: Basinski’s boek is daarbij een prachtige steun in de rug dat het genoegen aanzienlijk vergroot, zelfs al is dat achteraf. Eérst Basinski lezen en dan pas Anna Karenina? Dat lijkt me niet, dan krijg je wel heel veel spoilers op je bord. En bovendien geeft het, verrassend genoeg, veel voldoening, wanneer je door Basinski allerlei details krijgt voorgeschoteld waar je glad overheen had gelezen. Zo zou ik hier nog, dankzij De ware geschiedenis van Anna Karenina, iets kunnen vertellen over die naam van Vronski’s paard, Frou-Frou. Of over Vronski’s tanden. Maar het genoegen om dat te ontdekken is alleen maar groter wanneer u zelf Basinski leest.

———————

Deel 2.

Sporen in Helsinki van de Krimoorlog, Voronezj en Cornélie de Wassenaer

———————-

Oespenski-kathedraal, Helsinki (foto: Egbert Hartman)

—————————

(Reisverslag, deel 3. Hier deel 1 en deel 2

In Helsinki, na Stockholm en Turku de derde stop op mijn bescheiden stedentrip, werd me al snel duidelijk dat ik wat Russische boeken betrof, niet hoefde te rekenen op de reguliere winkels. Zelfs niet op de ontzagwekkende – qua vierkante meters – boekwinkel Rosebud, volgens de website My Helsinki “a quality bookshop where you’ll find thousands of great books”. Dat klopte wel, van die thousands of books, maar cyrillische letters kwam ik bij Rosebud niet tegen. Wat ik wel aantrof was Rien Poortvliet.

Hertjes van Rien Poortvliet

En dat terwijl er in de stad verder genoeg was dat wel herinnerde aan dat enorme buurland waar Finland zelf toch vrij langdurig deel van had uitgemaakt: veel gebouwen die zo uit Sint-Petersburg leken te komen, met als top of the bill, on, jawel, top of the hill de Oespenski-kathedraal. Voor de bouw van die kathedraal werden 70.000 bakstenen gebruikt van de vesting van Bomarsund, die kapot werd geschoten tijdens de Krimoorlog, waarover straks meer.

Bij Antikvariaati Hagelstam, op de hoek van de Fredrikinkatu en de Uudenmaankatu, dat er aan de buitenkant al veelbelovend had uitgezien, boekte ik wel een succesje: twee aardige boeken, in het Engels weliswaar, maar toch de aanschaf waard. Het eerste, verwarrend genoeg uit het Frans vertaald, was geschreven door een Nederlandse: A visit to St Petersburg, van Cornélie de Wassenaer. Cornélie (voluit: Marie Cornélie gravin van Wassenaer, vrouwe van Wassenaar, Lage, Twickel, Weldam en Olidam, Obdam, Spierdijk, Hensbroek, Wogmeer, Zuidwijk en Kernheim) reisde in november 1824 met Anna Pavlovna (echtgenote van Willem II) mee naar de Russische hoofdstad, waar het gezelschap zeven maanden zou verblijven. Het reisverslag heb ik nog niet gelezen, wie er al wat meer van wil weten, vindt hier wat fragmenten in het Nederlands, ingeleid door onder meer deze uitnodigende zin: “De freule Van Wassenaer Obdam was de enige die zich niet verheugde op de reis.”

Antikvariaati Hagelstam

En toen stond ik opeens met The prisoners of Voronesh in m’n handen, van een zekere David Inglesant. Nu zat ik zelf ook ooit zeven maanden vast in Voronezj, dus u begrijpt: dit boek móest ik wel aanschaffen. (Neemt u dat ‘vastzitten’ niet te letterlijk. Ik kon me er vrijelijk bewegen, we hadden ook vaak en vrolijk bezoek op onze studentenflat, maar de stad verlaten – we hebben het over 1981 – dat mocht niet.) David Inglesant maakte deel uit van The Royal Welch Fusiliers en werd krijgsgevangen gemaakt tijdens - daar is ie weer - de Krimoorlog. Zijn boek viel een beetje tegen. Ik had gehoopt op uitgebreide beschrijvingen van Voronezj, van bijvoorbeeld de levendige Grote Adelstraat (later omgedoopt tot Revolutieboulevard) of anders wel de Oud-Moskoustraat (later omgedoopt in Friedrich Engelsstraat – op nummer 10A zat de studentenflat). Inglesant schrijft in plaats daarvan vooral over de vele ongemakken tijdens de lange voettocht van de Krim naar Voronezj, met een hoofdrol voor luizen en vlooien. De stad, en dat wist ik niet, was een verzamelplaats voor geallieerde gevangenen, dat werden er zo’n tweehonderd in totaal. Even dacht ik nog: hé leuk, toen hij op de proppen kwam met a Dutch tailor, maar eerder in het boek had hij melding gemaakt van ‘Hollandse’ kolonisten in het zuiden, en dat waren gegarandeerd Duitsers. Dus misschien zat hij er met dat Dutch van die tailor ook naast.

Aardig is wel zijn beschrijving van een bijna uitbundige paasviering. Hij bezoekt een kerkdienst en is getuige van een kleurrijke processie. Helaas noemt hij de naam niet van de kerk. Zou het die ene zijn waar ook ik indertijd een paasviering meemaakte? Die was allesbehalve uitbundig. Er stonden vrachtwagens rond het kerkgebouw die slechts een smalle doorgang voor de kerkgangers openlieten. Ik kon als buitenlander ongehinderd doorlopen. Hoe de lokale bevolking werd bejegend (werden ze aangesproken, moesten ze hun paspoort laten zien, werden er namen genoteerd?), herinner ik me vreemd genoeg niet meer. Uitnodigend was het in elk geval allerminst.

Voronezj, 1981. (Niet de kerk van mijn paasdienst.)

Intrigerend is nog de begrafenis die Inglesant beschrijft van een Britse soldaat, op de begraafplaats bij een kerk. Welke kerk precies wordt ook hier niet duidelijk. De arme ziel wordt opgevoerd onder de naam Donohoe, hij had gediend bij de 4th Royal Irish Dragoon Guards. Niet echt genoeg gegevens om eens op zoek te gaan naar zijn graf. Wie toch een poging wil wagen en dan misschien eerst nog wat extra informatie wil inwinnen bij Britse militaire archieven: volgens een noot in het boek van Inglesant heette de soldaat niet Donohoe, maar Donoghue. Waar ik nog aan toevoeg dat de 4th Royal Irish Dragoon Guards in 1922 opging in de 7th Dragoon Guards (Princess Royal) om samen de 4th/7th Dragoon Guards te vormen. Wat er van de administratie over is van de 4th Royal Irish Dragoon Guards weet ik natuurlijk niet. Dat de diverse begraafplaatsen van Voronezj zich niet meer in de originele staat zullen bevinden, lijkt me in elk geval wel zeker, want de Tweede Wereldoorlog heeft er vrij stevig huisgehouden.

——————

Wordt vervolgd, want: op naar Estland! Waar ik ook soldaten aantrof, kleiner van formaat en mij welbekend, en daarnaast ook nog Sovjet-ballen en Jan Brokken.

Hier deel 4.

In Scandinavische sferen op zoek naar Russische boeken – met onverwacht succes

——————-

Transsib. De trein vertrekt!

——————

(Reisverslag, deel 2. Hier deel 1.)

In Stockholm eindigde mijn eerste winkelbezoek met een vraag in het Russisch van de mevrouw bij wie ik afrekende, een vraag die me in die taal zes jaar geleden voor het laatst gesteld was: “Пакет вам нужен?” Wilt u een tasje? Een lichte ontroering overviel me. Waar had ik dat zinnetje de vorige keer gehoord? Het zal ergens in Sint-Petersburg zijn geweest, toen corona en oorlog nog geen streep hadden gehaald door reizen naar Rusland, in een supermarkt of, minstens zo waarschijnlijk, een boekwinkel. En nu hoorde ik dat zinnetje plots weer, in een boekwinkel in de Zweedse hoofdstad.  

Die winkel met Russische boeken, Interbok aan de Hantverkargatan 32, stond op mijn lijstje en bevond zich toevalligerwijs op twee straten van mijn hotel. De oogst daar overtrof mijn verwachtingen; ik had mijn hoop qua boeken in het Russisch veel meer gevestigd op Helsinki, Turku en Tallinn, de verdere haltes op mijn reis. De banden van Finland en Estland met het Russische rijk waren door de jaren heen immers veel hechter (of lees: knellender) geweest. Vooral antiquarisch moest daar nog het een en ander te vinden zijn.     

Katishonok, Kibirov…

Interbok bleek een klein Walhalla. Mijn favoriete Russische schrijvers van de afgelopen twee  decennia stonden bij elkaar op dezelfde plank en het was alsof ze die boeken daar speciaal zo hadden neergezet om dat ík er de afgelopen jaren een stukje op dit blog aan had gewijd. Elena Katishonok, Aleksej Ivanov, Viktor Remizov, Timoer Kibirov… Van die laatste kocht ik Лада, или Радость (Lada, of Vreugde), wat ik ooit met bijzonder veel plezier had gelezen, maar waarvan ik al een tijd geleden tot mijn niet geringe ergernis had vastgesteld dat ik het kwijt was. Nu zou het zijn plekje weer terugkrijgen in mijn boekenkast. (Van Лада, или Радость zweeft overigens ergens in Sint-Petersburg nog een door Kibirov speciaal voor mij gesigneerd exemplaar rond, maar ik weet niet waar. Mogelijk op het Nederlands Instituut aldaar.)      

Bijna meteen viel mijn oog ook op een boek waar ik niet eerder van had gehoord, maar waarvan ik direct begreep uit welke hoek het kwam; het leek heel erg op dat prachtige История старой квартиры (Geschiedenis van een oude flat) van Aleksandra Litvina en Anja Desnitskaja. Ook daar had ik ooit een stukje over geschreven. Weinig boeken in mijn bezit maken mijn vrienden- en kennissenkring zo jaloers; iedereen wil het hebben die veel voetstappen heeft liggen in Rusland en die weet hoe het ruikt in een kommoenalka. Bij Interbok in Stockholm trof ik nu een volgend boek van Litvina en Desnitskaja aan: Транссиб. Поезд отправляется! (Transsib. De trein vertrekt! - Transsib staat voor Transsiberië Express.) Ook weer een prachtig kinderboek voor volwassenen. Wie in Rusland verre treinreizen heeft gemaakt, wil ook dát boek hebben – en mooi dat ik het nu heb, gevonden in Zweden, op twee straten van mijn hotel.

En kijk, Interbok had in twee verscholen hoekjes ook nog planken met behoorlijk wat tweedehands boeken uit de USSR. Zou het, dat ik hier, in Zweden, nog een mooie geïllustreerde Sovjetuitgave van Tsjechov (mijn eeuwige queeste) zou vinden? Nee, maar wat ik wel boven water haalde, waren twee delen Verhalen van Maksim Gorki. Kort voor mijn vertrek uit Nederland had ik mijn oude docente uit Rusland – op haar literaire adviezen vaar ik blind – gevraagd wat ik van hem nou het beste kon lezen. Daarin was ze vrij helder: “Zijn verhalen. Laat de rest maar zitten.” Waarom nu opeens Gorki? Omdat ik thuis het laatste boek van Pavel Basinski heb liggen, over Gorki. Van Basinski ben ik een groot fan sinds zijn mooie boeken over Lev Tolstoj. Voordat ik aan zijn boek over Gorki begin, wil ik zelf ook wat meer van het onderwerp afweten. Vandaar dus die vraag aan mijn docente en de aanschaf van de Verhalen.

Op weg naar de kassa zag ik nog wat liggen, het slechtste boek dat ik in tijden heb gelezen: Футбол. Война. Холокост (Voetbal. Oorlog. Holocaust.). En ik zei tegen de vrouw van de kassa: “Dit is het slechtste boek dat ik in tijden heb gelezen.” Licht ontzet kwam ze aangelopen. Ik wees haar op de foto in het boek, waarop we volgens het onderschrift te maken hebben met een elftalfoto uit 1929 van Internazionale uit Milaan. In werkelijkheid zien we op de foto een elftal van DFC uit Dordrecht uit 1939. “Nee, dat kan echt niet”, zei de verkoopster.

Ik rekende af en verliet de winkel aan de Hantverkargatan 32, met de boeken uiteraard in een tasje en met het gevoel dat ik weer heel even terug was geweest in Rusland.         

Wordt vervolgd, want Helsinki en Tallinn komen ook nog aan de beurt.

Hier deel 3.

——————-

In Turku op zoek naar Tsjechov, stuitte ik op Stalin en het Leven der blinden

————————

Antiquariaat Juvekim Oy, aan de Läntinen Pitkäkatu 26 in Turku

De vrouw van het wat smoezelige antiquariaat Juvekim Oy in het Finse Turku antwoordde vriendelijk op mijn vraag of ze misschien ook geïllustreerde Sovjet-uitgaven van Tsjechov had: “I don’t know, we have a lot of stuff.” Dat vond ik wel meevallen (ik heb in mijn leven talloze antiquariaten van binnen gezien die stukken groter waren) - de uitstalling van alle boeken, posters, kranten, tijdschriften, gidsen, foldertjes, speldjes, poppetjes, vlaggetjes en ansichtkaarten was alleen wat rottig georganiseerd. Dat ze niet meteen wist of ze geïllustreerde Sovjet-uitgaven van Tsjechov in huis had - daar kon ik inkomen

Ze schoof een grote plastic zak opzij en wees me op drie planken met boeken in het Russisch. Er zat niets van mijn gading bij, al trof ik wel weer zo’n boek aan waar ze volgens mij in de Sovjetunie het patent op hadden, zo’n werkje met instructies voor - vermoed ik - niet al te wijdverbreide activiteiten, in dit geval “Gerichte opvoeding van bijenfamilies”, geschreven door T.V. Vinogradova en M.P. Vinogradov (die zullen wel met elkaar getrouwd zijn geweest), uitgegeven in 1953 door Selchozgiz, een verzameling lettergrepen die staat voor Landbouwstaatsuitgeverij. Het deed me meteen denken aan dat prachtige boek dat ik ooit in Sint-Petersburg op de kop tikte, waarin gedetailleerd wordt uitgelegd wat je moet doen als je een olifant wilt opzetten. (En ik voeg daar graag nog aan toe het grammofoonplaatje met uitleg hoe je met jank-achtig gehuil wolven kan lokken, om die vervolgens overhoop te schieten.)

Naast het bijenboek stond een mapje uit de jaren zestig, vergeeld, verstoft en ingescheurd, met een aantal afleveringen van het maandblad “Het leven der blinden”. Op de foto is in de linkerbovenhoek nog net wat braille te zien. Omdat ik lang geleden besloten heb om geen onnodige spullen meer in huis te halen (geïllustreerde Sovjet-uitgaven van Tsjechov zijn wél nodig - die verzamel ik), zette ik het bijenboek en de braillemap weer netjes terug in de kast Terwijl ik het stof van mijn vingertoppen veegde, vroeg ik de vrouw van de winkel of ze dan misschien wel ergens Sovjetposters had liggen. “I don’t know, I will call my husband. He is in the east of the country.” Dat vond ik een aardig antwoord, want je voelde meteen dat Finland een stuk groter is dan Nederland. Je zegt bij ons toch niet dat iemand die zich een dagje achter, pak ‘m beet, Arnhem bevindt, “in het oosten van het land zit”?

Ik verliet het antiquariaat met lege handen, maar dat gaf niks. Ik wist van tevoren dat de kans op succes gering was. En had ik bovendien niet een uurtje eerder in een ander antiquariaat wel degelijk een Sovjet-uitgave van Tsjechov met illustraties van een plank gevist? Bepaald geen topstuk (die heb ik volgens mij allemaal al), maar toch aardig. In hetzelfde antiquariaat trof ik een plank lager in een nummer van het tijdschrift Novi Mir uit 1949 ook Stalin nog aan. Let vooral even op de inhoudsopgave, voor zover zichtbaar. Daar zien we onder meer staan: Een groet aan Stalin, De Grote Vriend en De Dierbaarste Mens, de eerste twee artikelen vertaald uit respectievelijk het Koreaans en het Tsjechisch. Nee, 1949 was geen goed jaar.

——————

Wordt vervolgd. Want deze reis, die me in korte tijd en in een veel te haastig tempo, naast Turku bracht naar Stockholm, Helsinki en Tallinn, leverde meer antiquarische verrassingen op, waaronder een paar fijne versieringen voor in de kerstboom..

Hier deel 2.

—————-

Rusland in de 20ste eeuw – 11: Een reis in de tijd aan de hand van kinderboekenschrijver Tsjoekovski

—————

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————-

Kornej Tsjoekovski

——————-

Het is lang geleden dat ik de dagboeken van Kornej Tsjoekovski las. Daaruit bleef de jaren daarna het beeld hangen van een schrijver die, niet door eigen toedoen, hopeloos veel tijd en energie verspeelde aan zaken die hem weghielden van pen en schrijfmachine. Of beter gezegd: die maakten dat hij pen en schrijfmachine te vaak moest inzetten voor allerlei aangelegenheden die hem weghielden van wat voor hem centraal stond in zijn leven: schrijver zijn. Dat beeld behoefde geen bijstelling na lezing van De dagen branden als papier. De eeuw van de familie Tsjoekovski, van de Leidse slaviste Petra Couvée.

Twee leden van de familie Tsjoekovski verworven in de 20ste eeuw naam en faam: Lidija (1907-1996) en vooral haar vader Kornej (1882-1969). De eerste als steun en toeverlaat van dichteres Anna Achmatova en schrijfster van een klein oeuvre, de tweede vooral als kinderboekenschrijver. In die hoedanigheid geniet Kornej Tsjoekovski in Rusland een onaantastbare status – weinig kinderen van na 1960 zijn niet groot geworden met zijn sprookjes en vertellingen op rijm.    

Van de beide Tsjoekovski’s is werk in het Nederlands vertaald, maar tot bekendheid bij een breed publiek heeft dat niet geleid. Om dan een boek uit te brengen over de lotgevallen van zo’n weinig bekende familie is een gok - maar die heeft goed uitgepakt. De lezer reist met (vooral) Kornej mee door de twintigste eeuw. Aan de hand van diens lotgevallen, zijn tegenslagen en successen, zijn geworstel met de censuur en met moeilijke keuzes (meebuigen met het regime of niet?), worden telkens luikjes opengezet die een blik gunnen op het politieke en culturele klimaat in de USSR. Het is de mengeling van dat bredere panorama met het leven van de schrijversfamilie op ‘huiselijk’ niveau die De dagen branden als papier de moeite waard maakt.  

Het grootste deel van zijn leven was Tsjoekovski’s status bepaald níet onaantastbaar. Zo vormde zijn afkomst, een onwettig kind uit een arm milieu, een flink obstakel bij het volgen van onderwijs – een belangrijke reden waarom hij het Sovjetbewind en ook Stalin met sympathie verwelkomde; in de grondwet van de USSR werd ieders recht op scholing vastgelegd. Tsjoekovski weet zich op te werken tot een gewaardeerd journalist en literair criticus. Hij is een begaafd spreker en met lezingen weet hij zijn inkomen voor hem en zijn gezin enigszins op peil te houden. Zijn kinderboeken (Krokodil is zijn eerste grote succes) bezorgen hem een breed lezerspubliek, maar bezorgen hem ook flinke problemen.

Onder aanvoering van Lenins weduwe Kroepskaja vegen pedagogen (“opvallend veel vrouwen”) de vloer aan met Tsjoekovski’s werk. Ideologisch klopt er niks van, de jonge lezertjes worden er niet door opgevoed tot burgers die het collectief als hoogste goed beschouwen. Herdrukken worden stopgezet, nieuwe boeken worden tegengehouden. Tsjoekovski voelt zich zo onder druk gezet, dat hij door de knieën gaat. Eind 1929 neemt hij in de Literatoernaja Gazeta afstand van zijn sprookjes. Daar doet hij zichzelf geweld mee aan en de rest van zijn leven draagt hij deze episode als een loden last met zich mee. Hij is ervan overtuigd dat de vroege dood van zijn dochtertje Moera, zijn muze die hij ‘verraden’ heeft, de prijs is die hij hiervoor heeft moeten betalen.

Met jeugdherinneringen, wetenschappelijke publicaties over de dichter Nikolaj Nekrasov en de novelle Zonnepaviljoen (over het sanatorium waar tbc-patiënte Moera verbleef) keert het tij. Tsjoekovski treedt alsnog toe tot de artistieke elite en wordt een man in bonis, met een auto, een datsja en tenslotte, in 1939, ook een eigen woning aan de centrale Gorkistraat in Moskou. Tussendoor krijgt de lezer uitleg over zaken als de collectivisatie, de terreur onder Stalin en de latere dooi. Wie al enigszins ingevoerd is in Ruslands 20ste kan die alinea’s overslaan. Zelf beleefde ik vooral plezier aan uitgebreid rondgestrooide faits divers. Nooit geweten (of allang weer vergeten) dat Tsjoekovski even aan boord was van de muitende kruiser Potjomkin in de haven van Odesa. Dat de mij onbekende (nooit geweten, niet vergeten) dichter Sergej Gorodetski ooit een gedicht schreef waarin een verband wordt gelegd tussen Dostojevski en het eerste vijfjarenplan van Stalin. Ook leuk: de kronkelroute die het door Ilja Repin geschilderde, enige tijd uit het zicht verdwenen portret van Tsjoekovski aflegde, om via onder meer Rome, New York en Jeruzalem te eindigen in het Konstantinpaleis (dat tegenwoordig dienstdoet als zomerresidentie van Vladimir Poetin) – en op de omslag van het boek.   

Al treedt Tsjoekovski toe tot de elite, het tapijt onder zijn voeten blijft bewegen. Dreigend is de terreur, met arrestaties in zijn directe omgeving. En in 1944 moet hij opnieuw door het stof, na niets ontziende kritiek in de Pravda op zijn sprookje Wij vernietigen Barlamee (“Het vulgaire en schadelijke brouwsel van K. Tsjoekovski.”) – al lijkt zijn spijtbetuiging dit keer oprechter dan vijftien jaar eerder en is hij nu ook zelf niet tevreden over zijn schrijfsel. De perikelen rond Barlamee leveren in elk geval wel een duidelijk spoor op van Tsjoekovski’s opvattingen in die tijd over het politieke bestel in zijn land, niet uit eerste hand, maar, typerend genoeg, uit een rapport van de geheime dienst. Tegen een collega had hij zijn hart gelucht over het verbod van zijn sprookje: “Ik leef in een land […] met een dictatuur, en daarom moet ik voorbereid zijn op alles wat die dictatuur met zich meebrengt.” En: “Met de val van de nazidictatuur zal de democratische wereld oog in oog komen te staan met de Sovjet-dictatuur. We wachten het af!” Later, wanneer de dooi onder Chroesjtsjov in gang is gezet, noemt hij Stalin en diens helpers in zijn dagboek “geteisem” dat uit was op de vernietiging van de intelligentsia.

Tsjoekovski wordt in die latere jaren overladen met prijzen. Hij heeft vier man personeel en mag afreizen naar Oxford om er een eredoctoraat in ontvangst te nemen. In maart 1967 schrijft hij in zijn dagboek dat zijn boeken zijn verschenen in 64 talen met een totale oplage van 82 miljoen. Zijn laatste grote klus, een kinderbijbel, eindigt toch weer in mineur. Uitstel leidt uiteindelijk tot afstel: in 1968 wordt vrijwel de totale oplage vernietigd. Het jaar daarop overlijdt de 87-jarige Tsjoekovski. Kleindochter Jelena vindt in zijn archief een exemplaar van de bijbel. Die verschijnt eind jaren tachtig alsnog.

—————-

Petre Couvée schreef eerder (met Peter Finn) De zaak Zjivago. Werk van Tsjoekovski is in het Nederlands verschenen in het alom geprezen Bij mij op de maan. Russische Kindergedichten, vertaald door  Robbert-Jan Henkes. Dochter Lidija Tsjoekovskaja schreef een van de beste literaire werken over de Stalinterreur, de novelle Sofja Petrovna. Daarover schreef ik eerder al eens een stukje.        

————-