Astafjev

Twee veteranen: Rambo en Viktor Astafjev

(Eerste publicatie:  6-11-09)

Ten zeerste aanbevolen: de verzamelde brieven van schrijver Viktor Astafjev (1924-2001). De verzameling brieven begint in 1952, ik ben inmiddels bij januari 1986 en daar kwam ik iets opmerkelijks tegen.

Astafjev, Siberiër, oorlogsveteraan en een grote naam in de Russische literaire wereld, is in München. Hij logeert bij het gezin van zijn vertaalster en ze gaan naar de film: Rambo! Ik zou iets anders hebben uitgekozen, maar het blijkt een schot in de roos. Astafjev schrijft aan zijn vrouw:

“Geweldige film! Geweldig! Over hoe ze iemand uit onze tijd hebben verleid, een soldaat van hem hebben gemaakt, een held, en die daarna in een hoek wordt gejaagd door allerlei klein volk, waartegen hij zich moet verdedigen. En al verdedigend verandert hij in een verschrikkelijk, wraakzuchtig half mens-half dier, in een superreus. Maar daarbij blijft hij wel bij zijn positieven en vermoordt hij alleen de schoften… Een moderne Tarzan, maar wel een soort Tarzan met voortdurend droeve ogen. En aan het einde huilt hij als een kind op de borst van zijn vroegere commandant en laat hij zich de handboeien aandoen.”

Het kan bijna niet anders: Astafjev, zelf oorlogsveteraan, voelde zich verwant met die Amerikaanse Rambo. Als gewoon frontsoldaat zat hij in het heetst van de strijd, drie keer raakte hij gewond. Na 1945 streed hij – vooral op schrift – tegen het ‘hoera-beeld’ dat in de Russische literatuur en media van de oorlog werd geschetst. Verbitterd zag hij, hoe veel commandanten en politieke commissarissen zich steeds vaker voorstonden op hun dapperheid en militair vernuft, terwijl zij in werkelijkheid op veilige afstand van het front verbleven, ondertussen kwistig strooiend met de troepen in de vuurlinie. Voor de ervaringen van de gewone soldaat was in de literatuur en de geschiedschrijving weinig plaats, zo ondervond Astafjev aan den lijve. In zijn brieven duikt die verbittering, over de schoften die ‘zijn’ oorlog hadden geannexeerd, steeds weer op. Hetzelfde soort schoften waartegen Rambo, die veteraan uit een heel andere oorlog, ook tegen vocht.

Виктор Астафьев : Нет мне ответа. (Brievendagboek 1952-2001). Irkoetsk, 2009

Eerder plaatste ik al enkele vertaalde fragmenten uit de brieven.

Viktor Astafjev - een oud-frontstrijder schrijft ...

(Eerste publicatie: 8-5-2009)

Morgen rollen de tanks over het Rode Plein en zwelgt Rusland weer in trots. De overwinning op Duitsland in de Tweede Wereldoorlog wordt gevierd, met pracht, praal en pathos. De trots is natuurlijk terecht, maar de pracht en de praal verhullen een deel van de werkelijkheid, dat in Rusland steeds verder uit het zich verdwijnt.

Van schrijver en oorlogsveteraan Viktor Astafjev (1924-2001) verscheen onlangs een brievenboek. Astafjev verzette zich met groeiende verbittering tegen de mythevorming rond de oorlog. Hier enkele fragmenten, afgedrukt in Novaja Gazeta:

28 december 1987, aan schrijver V. Kondratjev:

Ook ik heb maar één keer een granaat gezien met daarop geschreven “Voor Stalin”, en “hoera” heb ik helemaal nooit gehoord. (…). Wij allen, al onze genen, botjes, bloed, zelfs onze stront is doordrenkt geraakt van de tijd en lucht gemaakt door Stalin. Wij zijn ook nu nog in veel opzichten zijn kinderen, al schamen we ons ervoor om dat toe te geven. God zij dank zijn we al niet meer bang, we schamen ons alleen.” (…)

Trouwens, wie “aan Zjoekov begint”, zal een echte Russische schrijver zijn (…). Ach, wat was dat een product van de “vader en leraar” [Stalin]! Wat een stroper van het Russische volk. Hij, hij en kameraad Stalin hebben in het vuur van de oorlog het Russische volk en Rusland verbrand. Met die zware beschuldiging moet je het verhaal van de oorlog beginnen (…)

1 april 1990, geadresseerde niet achterhaald:

Niet U, niet ik, niet ons leger heeft het fascisme overwonnen, maar ons volk dat zoveel te lijden heeft gehad. In zijn bloed hebben ze het fascisme verdronken, onder zijn lijken hebben ze de vijand bedolven. Het is de eerste en enige oorlog (…) waarin de verliezen in de achterhoede die aan het front overtroffen – 26 miljoen, voornamelijk Russische vrouwen en invaliden, kinderen en ouderen. Alleen misdadigers konden zo kwistig omgaan met het eigen volk (…). Alleen hufters konden het leger in angst en onder verdenking houden - al die speciale afdelingen (…) En bevel 227? Alleen al daarvoor hadden ze na de oolog de hele Kremlin-camarilla uiteen moeten jagen.

Wat zou ik U graag willen prijzen! Maar om wat? Omdat u, strijdend voor uw eigen ‘generaals-waarheid” vergeten bent om onze gevallen strijders te begraven, van wie de botten tot op de dag van vandaag nog verspreid liggen over de Russische bossen, velden en moerassen? (…), soldaatjes die onder de Sovjet-macht altijd een soort stro waren, alleen maar geschikt om te laten wegrotten en in het vuur te gooien.

(…) als u allen, zonder uniform, zonder met medailles te rinkelen, het Russische veld zou inlopen, omringd door lege dorpen (één van de reden van die leegte is de oorlog), als u op de knieën zou gaan, en met uw grijze hoofden gebogen de Allerhoogste om vergeving zou vragen, misschien zal hij u dan horen. Dat is de enige weg naar de redding van uw generaals-ziel (…).

Zomer 1995, aan generaal Koelikovski:

Voor u moet de manhaftigheid uit de oorlog (…) worden bezongen, waarbij u vergeet dat hoe meer je liegt over de oorlog, hoe dichterbij je de volgende oorlog brengt.