Requiem voor een mus. Mijn avonturen als drummer in de Russische provincie.

---------------

 Niet in Rusland, wel ongeveer in hetzelfde jaar.

Niet in Rusland, wel ongeveer in hetzelfde jaar.


Mannen van zekere leeftijd doen (op materieel gebied) grofweg twee dingen: ze kopen een motor of een drumstel. Ik rijd geen motor – trek uw conclusies.

De laatste tijd drijven mijn herinneringen - uit de eerste alinea valt af te leiden waardoor - regelmatig terug naar de tijd dat ik als drummer in bescheiden bandjes mijn beste beentje voorzette – en niet alleen in Nederland. Onderstaand stukje schreef ik voor het Utrechts Nieuwsblad. Het beschrijft een avond in Voronezj in de winter van 1981-1982. De versie die u hier leest is op een enkel punt aangepast. *)  

*****

Af en toe ga ik mee met bevriende muzikanten die in het bruiloftencircuit van Voronezj regelmatig een centje bijverdienen. Een beetje bruiloft kan in Rusland allang niet meer zonder een bandje, dat popmuziek ten gehore brengt.

Het zaaltje waar we ditmaal terechtkomen is overdag de kantine van een vleesverwerkende fabriek en ’s avonds is het er, ondanks uitvoerig gedekte tafels, niet echt gezellig. We ontdekken dat er tussen de grote dubbele ramen, door een spleet bovenin, een musje terecht is gekomen. Ze is onbereikbaar en gedoemd een langzame dood te sterven. Ze hopt onhandig heen en weer tussen de schedeltjes van de mussen die haar voorgingen. Af en toe fladdert ze een stukje op. We wijzen naar boven en moedigen haar aan. Maar het mag niet baten, de ruimte tussen de ramen is te klein om de vleugeltjes goed uit te kunnen slaan. We besluiten die avond een requiem voor haar te spelen.

Russen drinken veel, zeker op bruiloften. Ook mijn vrienden laten zich deze keer met een eigen voorraadje achter het podium niet onbetuigd. Tussen de nummers door wordt er stevig ingenomen en in de pauzes schuift men aan bij de bruiloftsgasten om broederlijk me te toosten op het geluk van de jonggehuwden.

Tijdens de tweede set worden de gevolgen zichtbaar. De band zakt langzaam weg in dronkenschap, daarbij gelijke tred houdend met de bruiloftsgasten. De bassist doet een stapje opzij en valt van het podium, bovenop een bouwvallige versterker. Ik zie vonken. Ik speel mee tijdens Hotel California. De vaste drummer hangt om m’n nek en probeert me uit te leggen welke trommels ik moet raken. Veel keus heb ik niet meer. Het pedaal van de basdrum is allang doormidden en het vel van een andere trommel is sinds het vorige optreden nog niet hersteld. De andere muzikanten brengen er evenmin veel van terecht. Ze hebben de macht over hun snaren goeddeels verloren.

De vader van de bruid uit zijn ongenoegen over de muzikale wanprestaties. De dronken bassist ontsteekt hierop in woede. Ik trek hem opzij en probeer hem te kalmeren. Prompt valt hij me om de hals. Hij vertrouwt me toe dat ik ‘zijn lieveling’ ben en of ik met hem mee naar huis wil. De vaste drummer verzekert me dat ik ‘wel leuk’ speel, maar dat m’n linkerhand nog veel te zwak is. “Kom mee”, zegt hij en begint aan een privé-les, waarbij hij zo hard op het tafelblad slaat dat ik vrees voor zijn polsen. “Nu jij”, gebaart hij.

De derde en laatste set wordt door een van de gitaristen solo gespeeld. Halverwege krijgt hij ongevraagd steun van twee beschonken bruiloftsgasten. Ze kunnen nauwelijks een instrument vasthouden, maar hebben samen lol voor tien. Niemand schenkt enige aandacht aan hen. Gedanst wordt er allang niet meer.

Na afloop staan we met de apparatuur op straat. De band heeft geen eigen vervoer. Na twintig minuten vergeefs auto’s aanhouden, stopt er een stadsbus, op weg naar de garage. Voor tien roebel (bijna veertig gulden) mogen we de spullen inladen. In de eerste bocht valt alles om, de bekkens kletteren tegen de kaartjesautomaat. Het schiet me te binnen dat we vergeten zijn het requiem te spelen voor onze mus.

*****

*) Het artikel schreef ik in 1985 voor mijn column MOSKVA, op de opiniepagina van het Utrechts Nieuwsblad. De gehanteerde tegenwoordige tijd is dus geschiedvervalsing, de beschreven avond was drie jaar eerder. In de krantenversie staat in de eerste alinea ‘Moskou’- en ook dat klopt niet. Het gebeurde allemaal echt in Voronezj, maar dat botste met de titel van m’n rubriek: MOSKVA. Waarmee ik dus twee keer zondigde tegen de ijzeren regel van Nico Scheepmaker: alles in een column moet waar zijn. Voor de rest van het stukje heb ik me aan die regel gehouden.  

En waarom ik voorlopig niet meer terug wil naar Voronezj, leest u hier.