Via de syntaxis uit een Sovjet-schoolboek naar een Russisch kookboek uit 19de eeuw - 1

—————————

De peuter brabbelde Frans en begreep Russisch. Ze stond in de Parijse boekwinkel Les Editeurs Reunie, een pracht van een Russisch antiquariaat, bij een stapel kinderboeken en maakte op overtuigende wijze duidelijk dat haar vader (die sprak Russisch) minstens twee daarvan mee naar huis moest nemen. Dankzij de peuter viel mijn oog op een half verscholen stapeltje boekwerken ernaast, van het type waar ik gek op ben: geïllustreerde Sovjet-uitgaven uit de jaren vijftig. Ik heb niks met de Russische syntaxis, grammatica en dergelijke beschouw ik als een noodzakelijk kwaad, maar hier (zie foto boven) had ik geen weerstand tegen: Prof. V. M. Tsjistjakov - Aanschouwelijk leermiddel voor de studie van de syntaxis van de Russische taal voor leerlingen van niet-Russische scholen. (Bedoeld wordt hier: scholen in de buitengewesten van de USSR.) Je gaat zo’n boek eens nader bekijken en gegarandeerd dat er dingetjes zijn die je opvallen, die iets vertellen over het Rusland (en de USSR) van de vorige eeuw. Verrassend genoeg voerde dit didactische boekwerk me zelfs – langs culinaire paden - nog een eeuw verder terug.

Ik zag op een van de eerste pagina’s de kop van Lenin (boven zo’n typisch opendeur-citaat van hem: “Taal is een uiterst belangrijk middel voor menselijke omgang”) en vroeg me meteen af: en waar is Stalin gebleven? Die kwam ik in het in het hele boek niet tegen. Wat niet vreemd was, want ik had de vierde editie aangeschaft uit 1961, en toen had de destalinatie natuurlijk al flink huisgehouden. Op een veilingsite trof ik de tweede editie aan, uit 1954, met wat foto’s van pagina’s uit het boek, en jawel, daar was de generalissimus wel degelijk aanwezig, prominent zelfs, met een foto op hetzelfde formaat als die van Lenin, maar met een citaat dat zes keer zo lang was. Onder meer las ik: “… zonder een taal die voor de maatschappij begrijpelijk is en gemeenschappelijk voor haar leden, produceert de maatschappij niets meer, valt ze uiteen en houdt ze op te bestaan als samenleving.” Ook dit lijkt een open deur, maar hier zit toch wel iets meer achter dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Stalin stipt enigszins omfloerst een probleem aan dat in zijn tijd al werd onderkend en dat uiteindelijk een hoofdpijndossier zou worden: de meertaligheid van de Sovjetbevolking, waarbij de positie van het Russisch als lingua franca steeds meer onder druk kwam te staan. Vooral in de Centraal-Aziatische republieken liet de kennis van het Russisch onder de niet-Russische bevolking nogal eens te wensen over. Een simpel voorbeeld: het Sovjet-leger kon vaak slecht overweg met rekruten uit die regio: die begrepen de bevelen niet. Die soldaten kregen dan de rotbaantjes (bijvoorbeeld in de zogeheten bouwbataljons voor de aanleg van wegen en dergelijke), wat hun sympathie voor Rusland (de grote broer in de USSR) nou niet bepaald deed toenemen.  

Taal en nationalisme vormden voor Moskou een middelpuntvliedend mengsel dat ingedamd diende te worden. Zie het citaat van Stalin hierboven. Onderwijs in de Russische taal “voor leerlingen van niet-Russische scholen” werd daarbij gezien als een belangrijk instrument.

Rechtsonder het Lenin - Stalin Mausoleum

Van de verdere aanwezigheid van Stalin in uitgaven van voor 1961 heb ik slechts een beperkt beeld,  want op genoemde veilingsite staan maar elf pagina’s afgebeeld uit de uitgave van 1954. Op een plaatje zien we nog wel het mausoleum op het Rode Plein, en dat heet daar nog Lenin – Stalin Mausoleum. Het bewuste plaatje ontbreekt in mijn duidelijk gezuiverde uitgave van 1961. (Het boek op de veilingsite bleef overigens onverkocht. Bieden kon tot 2 september 2023, 03.00 uur. Vraagprijs: 2.200 roebel.)   

Wat ik nog meer tegenkwam in de door mij aangeschafte editie: twee magere regeltjes van hofdichter Sergej Michalkov (die zich – maar dat terzijde – in ons een land een kanjer zou hebben betoond in het vervaardigen van Sinterklaasgedichtjes): “Werk, studeer en leef voor het volk van het Sovjet-land, pionier!” In het Nederlands klinkt dat natuurlijk niet. In het Russisch ook niet echt, maar wat blijkt: er ontbreken in mijn uitgave twee regels. Die zag ik wel staan in dat boek van de veiling: “Maak je op voor een reis van vele jaren, neem een voorbeeld aan de communisten.” Bij elkaar rollen de vier regels van Michalkov er in het Russisch heel gladjes uit. Waarom er in de uitgave van 1961 dan maar de helft van zijn dichtwerkje staat afgedrukt, weet ik niet.   

————————-

Wat je niet verwacht in een leerboek Russisch bestemd voor de niet al te ver gevorderde leerling: dat je een woord tegenkomt dat je niet kent: юннатом / joennatom. Op de bijbehorende illustratie (rechtsonder) zien we een meisje staan, Nina, bij een vogelkooitje. Ze is een pioniertje, lezen we, ze houdt van vogels en: Скоро Нина будет юннáтoм / Binnenkort wordt Nina joennatom… Iedereen die is opgegroeid in de USSR, weet dan waarschijnlijk meteen waar het over gaat, maar ik niet. Het behulpzame accentje op de a (юннáтoм) werd door mijn hersens genegeerd, ik las: joennatóm,  en vertaalde dat automatisch als atoom. Maar wat werd Nina dan binnenkort? Ik schatte haar op de tekening een jaar of 10, en ging ze dan al – pioniertje tenslotte – met atomen aan de slag?  

Het tijdschrift Юный натуралист, oktober 1934

Nee. Joennatom is de vijfde naamval enkelvoud van joennat, en dat is een samenvoeging van  юный натуралист / joenny naturalist: jeugdnaturalist. Dat jeugdnaturalisme was een soort collectieve buitenschoolse activiteit gericht op de natuur. Het fenomeen bestaat overigens nog steeds.      

En hoe zit dat nu met die ‘culinaire paden’, die me dus via het boek van Prof. V. M. Tsjistjakov over de Russische syntaxis voor niet-Russische scholen terugvoerden naar de 19de eeuw? Voor het antwoord op die vraag moet u nog even geduld hebben, want bovenstaand stukje is al bijna twee keer zo lang geworden als ik vooraf had ingeschat.

Wordt vervolgd.

Russische antiquariaten en de sterfelijkheid van de mens: Heidelberg, Milaan, Parijs - 2

——————-

——————-

Mijn bezoek aan de Parijse boekwinkel Les Editeurs Réunis, een antiquarische schatkamer van heb ik jou daar, leverde op, naast de aankoop van acht boeken: een culinaire weddenschap en een zoektocht (tot nu toe tevergeefs) naar Vu Thu Hien uit – neem ik aan – Vietnam.

Les Editeurs Réunis is vermoedelijk het grootste Russischtalige antiquariaat buiten de grenzen van de voormalige USSR en in elk geval mijn favoriete boekwinkel buiten Rusland. Dit keer kwam ik naar buiten met (excuus aan mijn lezers die het Russisch niet machtig zijn):

1. Бенедикт Сарнов - Кому улыбался Блок. Omdat Sarnov (1927 – 2014) met afstand mijn favoriete literair criticus is (hoewel… Pavel Basinski mag er ook zijn) en ik dit boek van hem niet kende. Het ligt nu nog even bij mijn oude docente uit Rusland, tegenwoordig woonachtig in De Meern, maar zodra die het uit heeft, mag ik ermee aan de slag. (Over boeken van Sarnov schreef ik onder meer hier en hier. Voor Basinski: zie bijvoorbeeld hier).

2. Александр Пушкин - Капитанская дочка. Omdat elke slavist wel een geheim lijstje heeft met Russische klassieken die hij nu toch echt eens een keer moet gaan lezen.

3. Илья Ильф и Евгений Петров - Двенадцать стульев en Золотой теленок. Omdat elke slavist wel een lijstje heeft met Sovjet-klassieken die hij nu toch echt een keer moet gaan herlezen.

4. Александр Чудаков - Ложится мгла на старые ступени. Omdat dit boek door de Russische Bookerprijs in 2011 werd gekozen tot het beste boek van het decennia ervoor, ik me de inhoud ervan nauwelijks nog kan herinneren en het niet meer terug kan vinden in mijn boekenkast.

5. Борис Можаев - Земля ждет хозяинa. Omdat ik met enige weemoed terugdenk aan de jaren tachtig, toen ik de zogeheten dorpsschrijvers (Mozjajev was één van hen) had ontdekt. In hun boeken en artikelen kaartten ze sociale en economische problemen aan (vooral die van het Russische platteland) en zochten daarbij de grenzen op van wat was toegestaan. De spanning tussen de officiële Sovjet-ideologie en de omfloerste kritische toon van deze groep schrijvers maakte het lezen van hun werk tot een boeiend karwei. Ik schrijf met opzet ‘karwei’, want je moest vaak wel door een hoop ‘zware’ alinea’s heen zien te komen, voordat de politieke boodschap gestalte kreeg. Ik ben benieuwd wat deze hernieuwde kennismaking met Mozjajev oplevert. Herlezing van zijn ‘dorpscollega’ Valentin Raspoetin bleek eerder niet echt een genoegen.

Toch pakte ik nog een boek van diezelfde Raspoetin uit een van de kasten. Ik sloeg het open en zag het stempel staan van de vorige eigenaar: Vu Thu Hien. Dat leek me iemand uit Viëtnam. Was hij of zij Russisch gaan studeren tijdens de Viëtnam-oorlog? Was hij of zij als slachtoffer van het Amerikaans imperialisme van harte welkom geweest op een van de universiteiten in de Sovjetunie? Of zat het allemaal wat prozaïscher in elkaar en had hij of zij gewoon Russisch geleerd aan de Sorbonne? Google kwam met twee kandidaten op de proppen: een kunstenares van wie niets in haar biografie wees op enige belangstelling voor Rusland, laat staan voor Raspoetin, en een oudere man woonachtig in, jawel, Parijs. Een berichtje aan hem via Facebook leverde geen reactie op. Misschien moet ik nog eens verder gaan zoeken aan de hand van dat adres en telefoonnummer. Maar ach, wat levert dat op? Een discussie met een Viëtnamees - indien nog in leven - over het werk van Raspoetin? Een uitwisseling van ervaringen over studeren in Rusland? Nou, ik houd het nog even in mijn achterhoofd.     

6.   Михаил Зыгарь -  Империя должна умереть: История русских революций в лицах. 1900-1917, een heruitgave van een boek dat eerder in 2017 verscheen, over de aanloop naar de Russische Revolutie. Omdat ik het leuk vind om af en toe de geschiedenis in te duiken. En ik vond de omslag wel mooi. De eerste 50 pagina’s (van de bijna 700), waarin de confrontatie van Lev Tolstoj met kerk en staat aan bod komt, smaken in elk geval naar meer.

————————

“… voor het onderwijzen van de syntaxis…”

7. En dit is toch wel de aardigste vondst: Проф. В. М. Чистяков - Наглядное пособие к изучению синтаксиса русского языка для учащихся нерусских школ. Een aanschouwelijk leermiddel dus, voor het onderwijzen van de syntaxis van de Russische taal voor leerlingen van niet-Russische scholen. (Bedoeld wordt hier: scholen in de buitengewesten van de USSR.) Ik heb niks met de syntaxis van het Russisch, maar heb wel een groot zwak voor geïllustreerde Sovjet-boeken uit – ruim gemeten - de jaren vijftig. Dit boek is uit 1961. Als de illustraties dan ook nog (deels) in kleur zijn, ben ik helemaal verkocht.

Ik ga een apart stukje wijden aan deze mengeling van onderwijs en propaganda. Er valt genoeg over te zeggen. Zo zien we bijvoorbeeld bij één van de plaatjes twee regels van de onvermijdelijke Sergej Michalkov: “Werk, studeer en leef voor het volk van het Sovjet-land, pionier!” Wat zou het mooi zijn als een cultuurvorser van het kaliber Sarnov of Basinski zich zou zetten aan een liefst honderden pagina’s dikke kroniek over de niet bij iedereen even geliefde familie Michalkov.  

En hoe zit het met die culinaire weddenschap? Ook daarover meer in mijn volgend stukje. Want er blijkt een verrassend verband te zijn tussen dat aanschouwelijk leermiddel voor het onderwijzen van de syntaxis van de Russische taal voor leerlingen van niet-Russische scholen en het beroemde Russische kookboek Een geschenk voor de jonge huisvrouw, van Jelena Molochovets, uit 1861.

Deel 1.

Russische antiquariaten en de sterfelijkheid van de mens: Heidelberg, Milaan, Parijs - 1

—————————-

In Les Editeurs Réunis. (Schrijversportretten uit dezelfde serie prijkten aan de muur van ons collegezaaltje in Utrecht.)

——————————

Les Editeurs Réunis, aan de Rue de la Montagne Ste Geneviève in Parijs, zo ongeveer om de hoek bij het Panthéon, dat zal toch wel het grootste Russische antiquariaat zijn buiten de grenzen van het huidige Rusland en de voormalige USSR? Ik was vorig jaar in Finland en Estland, daar trof ik ook nog wel wat aan, en de leuke boekwinkel Interbok aan de Hantverkargatan 3 te Stockholm, gespecialiseerd in Rusland, had ook een paar planken met tweedehands spul, maar dat alles valt toch in het niet bij Les Editeurs Réunis. Daar zondigen ze wel tegen wat mij een ongeschreven regel lijkt: oud en nieuw staan er op een aantal plekken door elkaar – wat de pret overigens absoluut niet mocht drukken. *)

Ik was binnen tien dagen twee keer kort in Parijs, en gezien het feit dat antiquariaten – en boekwinkels überhaupt – in Rusland zelf voor mij voorgoed afgesloten jachtvelden zijn, leek het me verstandig om Les Editeurs Réunis, als een soort compensatie voor dat gevoelige verlies, beide keren met een bezoekje te vereren. Het bleek niet alleen verstandig, maar vooral ook heel leuk.

Maar voordat ik verder uitweid over die beide bezoeken (met onvermoede vondsten en een onverwachte ontmoeting op culinair gebied), gaan we eerst naar Heidelberg, een niet al te opwindend stadje aan de Neckar, in het noordwesten van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Ik verbleef er eerder in de zomer anderhalve dag, op doorreis naar Milaan. Op mijn slentertocht door de bloedhete straatjes trof ik geen boeken aan in het Russisch, maar wel boeken over Rusland. En ik werd weer eens hard met mijn neus op een simpel feit gedrukt: ik word er niet jonger op.  

Enige rommeligheid in een antiquariaat kan ik waarderen. Het draagt bij aan de voorpret bij het betreden van de winkel: híer ga ik zeker iets vinden waar ik al lang naar op zoek ben of waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Antiquariaat Hatry aan de Heidelbergse Hauptstrasse scoorde op rommeligheid een ruime voldoende (“hoopgevend, geen zooitje”), maar tot een aankoop – los van een paar oude boekenleggers – leidde dat niet. Wat ik wel aantrof: twee boeken die me herinnerden aan lang geleden, aan de jaren zeventig, een tijd waarin mijn fascinatie met Rusland en de USSR langzaam maar zeker gestalte begon te krijgen. Vroeg of laat overkomt dat iedereen: je ziet of leest een boek dat je terugbrengt naar je eigen verleden. In antiquariaat Hatry gebeurde dat dus twee keer. Op de plank met boeken over Rusland kwam ik tegen: Victims of Yalta van Nikolai Tolstoy en Die Russen van Hedrick Smith. 

Victims of Yalta (1977) was een vormend boek: het opende me de ogen voor het keiharde cynisme, de ongemene hypocrisie, van de ‘grote’ politiek. In dit geval van de Sovjetunie en Engeland, die over het lot beschikten van vele duizenden Sovjet-burgers die in de Tweede Wereldoorlog buiten de grenzen van de USSR waren beland. Zij werden, velen tegen hun zin, op onbarmhartige wijze terug de USSR in gebonjourd, waar ze nou niet bepaald met bloemen werden ontvangen. En dan Hedrick Smith, de Amerikaanse correspondent die met zijn The Russians in 1976 een boek afleverde dat je als student Russisch gelezen móest hebben. Het werd met klem aanbevolen door een van de Russische docentes op ons instituut. Verontwaardigd herhaalde ze, niet helemaal vlekkeloos, de afwerende reactie – volgens haar typisch Nederlands - van een van mijn medestudenten: “Wat een dikke boek!”

Daarmee was de confrontatie in Heidelberg met mijn verleden (en met de sterfelijkheid van de mens) nog niet voorbij. Terwijl de temperatuur akelig dicht in de buurt van de 40 graden was gekropen, viel mijn oog op een wat miezerig straatbibliotheekje. En wie trof ik daar aan: Klaus Mehnert! Een man met een bijzondere levensloop, waarover ik eerder schreef. Van hem is het boek Über die Russen heute. Was sie lesen, wie sie sind, waaraan ik indertijd – het verscheen in 1983 – zeer veel plezier beleefde. Ik vond het zo’n inspirerend boek dat ik bij Vrij Nederland aanklopte: waren zij misschien geïnteresseerd in een interview met deze Duitse Ruslandkenner? Dat waren ze, en ik stuurde een brief aan het instituut waar Mehnert aan verbonden was. Ik kreeg een vriendelijk antwoord: de heer Mehnert zou zeker ingestemd hebben met een interview, maar hij was kort daarvoor overleden. De berichten in de Duitse pers over zijn dood had ik gemist, de vorige eigenaar van het boek had duidelijk beter opgelet.

——————————

En in Milaan, trof ik daar nog iets aan? Het enige antiquariaat op mijn lijstje bleek gesloten, maar de kans dat ik daar iets leuks had gevonden, was toch al miniem. In een andere, moderne boekwinkel trof ik nog wel de eerste alinea’s van Tolstojs Anna Karenina, op een zuil geplakt, in het Russisch. Maar daar bleef het wat Rusland betreft bij.

Op naar Parijs!

*) Nadere instpectie thuis van de twee boeken waarop ik deze uitspraak baseerde, leerde dat deze wel degelijk tweedehands waren, maar in zeer goede staat: als nieuw.

Deel 2..

De billen van Poetin veilig verborgen: Hoera! Hoera! Hoera!

————————

Semjon Slepakov (Foto: Aleksandr Chanin, CC BY-SA 4.0)

Ik heb het niet gaan nageteld, maar Semjon Slepakov móet zo langzamerhand wel zijn  doorgedrongen tot de Top10 van meest genoemde Russische artiesten op dit blog. En ja, hier is hij weer. Niet verwonderlijk, want voor iemand met zijn vrolijk – of niet zo vrolijk - venijn biedt Rusland (waar hij niet meer woont) aanknopingspunten genoeg.

Een zo’n recent aanknopingspunt vormde een toespraak van Vladimir Poetin in het Kremlin, een maand of zo geleden, tot een zaal vol militairen. Hij stelde voor om de soldaten aan het front in Oekraïne een hart onder de riem te steken met een driewerf hoera! Dat moest zo luid mogelijk gebeuren, zodat de dappere strijders het daar in het buurland konden horen. Poetin zelf bracht het er vervolgens niet zo best vanaf. Zíjn driewerf hoera klonk zo zwakjes, dat her en der meteen weer gespeculeerd werd over zijn gezondheid. Voor het Kremlin genoeg reden, zo las ik, om het officiële filmpje van het plechtig samenzijn van zijn site te verwijderen. (Ik heb niet gecheckt of het filmpje daar ook echt verdwenen is – ik heb geen zin om bezoedeld raken.)

Om het nieuwe lied van Slepakov beter te kunnen plaatsen, hier eerst de president met zijn gemankeerd hoera!, hoera!, hoera!:    

———————-

En dat inspireerde Slepakov tot het volgende (de vertaling staat onder het filmpje):

——————————

Een oorlogje

Heb je een groot land, aan jou onderhorig
Maar heb je besloten dat het toch te klein is
Dan kan je op dat heldere moment tot de conclusie komen
Dat er een triomfrijk oorlogje nodig is met de buurman
Een oorlogje, een oorlogje
Na drie dagen met succes voltooid

Drones vliegen boven de hoofdstad, heel het land over de zeik
Vijf lange jaren al bijna duurt het oorlogje
En zelfs een ezel, en zelfs Sjaman, snapt dat het tijd is om vrede te sluiten
Maar er is iemand die volhoudt dat alles volgens plan gaat. Hoera! Hoera! Hoeraaa!

De benzineprijs stijgt, maar het land, daar gaat het niet om
Het gaat erom dat één bepaalde kont daar stevig wordt beschermd
Dat drones niet ontdekken waar die zit, waar die zit.
Om dat niet te verraden, komt er een heel zacht geluid uit: Hoera! Hoera! Hoeraaa!

——————-

Sjaman is een nationalistisch angehauchte zanger, die – om terug te grijpen naar termen uit onze jaren 1940-45 – fout is tot in de hoogste graad. De melodie is overigens niet van Slepakov, die komt van een liedje uit de jaren negentig van Natasja Koroleva:

———————-

En tot slot hier nog een langere, gepolijste studioversie van Slepakovs lied:

———————

Liedjes van Slepakov passeerden op dit blog eerder de revue onder meer hier en hier.

De toekomst is aan Oekraïne

————————

Odesa, 2016. (Foto: Egbert Hartman)

——————-

Dmitry Chernyshev, publicist*)

Wat heeft Oekraïne dat Rusland niet heeft? En waarom kan Oekraïne uit de oorlog komen als een vernieuwd, zich snel ontwikkelend en modern land en Rusland niet?

1. Iedereen kijkt naar de militaire hulp van Europa aan Oekraïne, maar niet minder belangrijk is de financiële steun. Europa draagt de gehele economie van de oorlogvoerende Oekraïne op zijn schouders. Na de oorlog wacht Oekraïne een nieuw Marshall Plan. Heel het Westen zal dan belang hebben in zijn opbloei. Feitelijk heeft juist Oekraïne Europa gered – de armada’s van tanks die in drie maanden Het Kanaal zouden moeten bereiken, hebben zelfs Charkiv niet kunnen innemen, op 40 km van de grens met Rusland. Voor de wederopbouw van wat is vernietigd komen de bevroren Russische tegoeden beschikbaar – 300 miljard dollar in de EU plus bijna 60 miljard in de VS. Er komt steun van de Europese banken en het IMF.

2. Voor Oekraïense goederen gaat de Europese en Amerikaanse markt open. De integratie met de EU is al gaande. Vandaag de dag krijgt de Oekraïense economie datgene, wat Rusland niet heeft en niet zal krijgen: de mogelijkheid van export van de meeste goederen naar de EU zonder tarieven, een geleidelijke unificatie van standaarden en toegang tot Europese leveringsketens. Dit is een economisch voordeel dat alleen maar groter wordt naarmate de integratie toeneemt. Zelfs tijdens de oorlog is Oekraïne een van de grootste exporteurs van graan en zonnebloemolie ter wereld. Dat is een bron van valuta waar geen hoogtechnologische ketens voor nodig zijn.

3. Alles hangt af van het beleid van Oekraïne, maar er zijn volop mogelijkheden om miljoenen Oekraïners te laten terugkeren die het land na het begin van de oorlog hebben verlaten. Ze keren terug met Europese werkervaring en gewoontes, vaak met gespaard geld, soms met actieve bedrijven.

De it-sector is een verhaal apart. Die heeft de oorlog overleefd en is in belangrijke mate gericht op export en geïntegreerd in internationale ketens. Het is een sector met een hoge toegevoegde waarde en het vermogen om gekwalificeerde veteranen op te nemen – zeker na programma’s van herscholing.

4. De veteranen in Oekraïne worden een politieke bron – en geen gevaar. Ze hebben een leger tegengehouden dat Oekraïne op vele parameters tienvoudig overtrof. Zelfs wanneer de frontlinie wordt bevroren en het niet  lukt om alle bezette gebieden meteen terug te krijgen, komt Oekraïne uit de oorlog met het staatsbestel intact, met een Europees perspectief en met herstelbetalingen. De Oekraïense veteranen zullen helden zijn en geen schandalige bezetters.

In Oekraïne wordt een G.I. Bill voorbereid: onderwijsvouchers, woonprogramma’s, steun bij het starten van een bedrijf en psychologische revalidatie. Veteranen in Oekraïne kunnen deelnemen aan de politiek: eigen partijen oprichten, gekozen worden en hun eigen belangen behartigen. In Rusland zal geprobeerd worden om veteranen snel de mond te snoeren.  

Oekraïne zal na de oorlog behoefte hebben aan een enorme hoeveelheid mensen met serieuze vaardigheden: voor mijnen ruimen (dat is werk voor tientallen jaren), voor het herstel van infrastructuur, voor de beveiliging van grensgebieden, in de bouw. Dat werk past bij oud-militairen.

5. Wanneer Oekraïne lid wordt van de EU, zal het gedwongen worden zijn instituties te hervormen – het rechtssysteem, de anticorruptie-organen, het civiele bestuur. En de maatschappij zal bereid zijn tot zulke hervormingen. Wat was anders de zin van het verzet tegen alles zoals het in Rusland is.

Odesa, 20216. (Foto: Egbert Hartman)

——————-

En dan nu over datgene wat Rusland wacht.

1. Allereerst: de afwezigheid van buitenlandse, koopkrachtige vraag. Het Amerikaanse model werkte, omdat Europa Amerikaanse goederen nodig had en Europa het geld had (dankzij het Marshall Plan) om die te kopen. Wie bestelt na de oorlog goederen bij de Russische industrie? China? Dat heeft al een overcapaciteit in alle sectoren waar Rusland iets te bieden heeft. En het gaat niks Russisch importeren waar het iets zelf kan produceren. India? Dat koopt alleen grondstoffen met een flinke korting. Afrika? Dat heeft een beperkte koopkracht.

2. De Rusland opgelegde sancties worden niet volledig opgeheven, zelfs niet na de beëindiging van de oorlog. Het schrappen van de sancties, in hun volle omvang, wordt een langdurig proces, gekoppeld aan het erkennen van de nederlaag, aan een teruggave van de bezette gebieden en aan een wisseling van het regime. De sancties blijven dus nog tientallen jaren van kracht, zoals dat het geval was met Iran en Cuba. De technologische achterstand groeit snel, omdat de sancties de toegang tot moderne technologieën hebben afgesneden. Met als resultaat: tientallen jaren van stagnatie en verrotting.

Zonder koopkrachtige vraag uit het buitenland heeft de industrie, bij het inzakken van de militaire opdrachten, geen alternatieve afzetmarkt. De productie richt zich op de binnenlandse vraag, die krimpt door de daling van militaire uitgaven, of op exportketens die afgesneden zijn. Het resultaat is een crisis van overproductie in een geïsoleerd land zonder uitweg.

3. Inflatie en een extreem hoge rente die bijna elk zelfstandig bedrijf de kop kosten. De rente verlagen wakkert de inflatie aan die toch al moeilijk beheersbaar is. De rente niet verlagen verstikt de civiele economie die de soldaten die uit de oorlog komen moet zien te absorberen.

Idioten in Rusland denken dat Amerika dankzij de Tweede Wereldoorlog sterker is geworden en dat dus ook bij ons het BNP zal stijgen. Maar Amerika is sterker geworden doordat de oorlog zich niet op zijn grondgebied afspeelde en de complete industrie van Europa geruïneerd was (vergeet niet dat de Russische industrie regelmatig beschadigd wordt door Oekraïense aanvallen en dat de effectiviteit van die aanvallen voortdurend toeneemt). Onderzoeken tonen aan dat de multiplier van militaire uitgaven doorgaans 0,6 tot 1.2 bedraagt. De multiplier van uitgaven aan de civiele infrastructuur ligt volgens dezelfde schattingen op 1,5 tot 2,5. Voor investeringen in het onderwijs is dat op de lange termijn nog hoger. Dus zelfs wat betreft het ‘opschudden van de economie’ is oorlog een van de minst effectiever middelen. En de complete militaire productie van Rusland gaat aan het front meteen in rook op.

Nizjni Novgorod, 2018. (Foto: Egbert Hartman)

4. Rusland heeft al zijn geld in de oorlog gestopt. De kas is leeg. De crisis van betalingsachterstanden groeit. Op het moment dat geld het hardst nodig is, is het het minst beschikbaar.

5. In Rusland ontbreken functionerende instellingen die een ‘Russische G.I. Bill’ mogelijk maken. Er is geen functionerend banksysteem dat in staat is tegen een werkbare rente hypotheken en zakelijke kredieten te verstrekken aan miljoenen veteranen. Een hypotheek afsluiten tegen een commerciële rente is in Rusland momenteel onmogelijk, dat kan alleen met steun van de overheid (die geen geld heeft). Het onderwijs dat in staat zou moeten zijn om miljoenen mensen om te scholen, gaat razendsnel achteruit, vooral op het gebied van specialistische techniek. Er zijn geen instituten die ondernemers ondersteunen. Het grootste probleem op dit gebied zijn de tsjekisten: elk succesvol bedrijf loopt het risico ingepikt te worden door diensten in uniform of door de lokale elite.

6. Een langdurige negatieve selectie heeft geleid tot een uiterst laag niveau van bestuurders in alle lagen. Een persoon in uniform die aan het hoofd is gesteld van een re-integratieprogramma van veteranen, zal zijn werk uitvoeren zoals hij dat verstaat: met rapporten, controle, streefcijfers, straf voor het niet halen van streefcijfers, maar bovenal: met zelfverrijking en vervalsing van de cijfers.

7. Democratieën zijn beter in staat tot ingewikkelde transities dan autoritaire regimes, om meerdere redenen. Een regering kan vervangen worden; lukt het hun niet, dan komen er anderen. Een vrije pers legt mislukkingen bloot en dwingt die te herstellen. Een onafhankelijk parlement kan impopulaire maatregelen nemen over herverdeling van bronnen. Een burgermaatschappij helpt veteranen rechtstreeks, zonder tussenkomst van de overheid. Niets van dat alles bestaat in Rusland.

Nizjni Novgorod, 2018. (Foto: Egbert Hartman)

PS. Er is één enkele weg die Rusland enige kans geeft op ontwikkeling: het afzetten van Poetin, het erkennen van de eigen misdaden, ontmanteling van het tsjekistische systeem, de teruggave van alle bezette gebieden, herstelbetalingen, afzien van confrontaties met het Westen en een geleidelijke terugkeer in de wereldbeschaving. En “kunnen we nog een keer doen”**) moet “nooit weer” worden.

*) Het iets uitgebreidere Russische origineel vindt u hier. Twee eerder vertaalde artikelen van Chernyshev op dit weblog vindt u hier en hier. Chernyshev woont tegenwoordig in Israël.

**) Deze kreet – nogal eens te horen in nationalistische kringen - verwijst naar de opmars van het Sovjet-leger naar Berlijn in de Tweede Wereldoorlog.

Columns in een krant gaan weleens gepaard met de mededeling dat de mening van de columnist niet hoeft samen te vallen met die van de redactie. Die nuancering is hier ook op zijn plaats (van economie bijvoorbeeld heb ik te weinig verstand om de voorspellingen in het artikel te beoordelen), maar dan wel met de toevoeging dat ik op dezelfde lijn zit als Chernyshev: Oekraïne zal, in elk geval op de lange termijn, als winnaar uit de strijd komen.   

Vylkove, Oekraïne, 2016. (Foto: Egbert Hartman

———————

Biograaf: Museumdirecteur Antonova wist exact waar de Koenigs-collectie zich bevond

———————

Irina Antonova, directeur van het Moskouse Poesjkin Museum voor Beeldende Kunst, was allang op de hoogte van de verblijfplaats van de Koenigs-collectie, terwijl ze tegenover de buitenwereld (in dit geval vooral de Nederlandse overheid) bleef volhouden niet te weten waar die zich bevond. Dat vermoeden leefde al zeer sterk en is nu bevestigd in de biografie die Lev Danilkin over de ‘grande dame’ van het  museum publiceerde, onder de wat moeizame titel: Палаццо Мадамы: Воображаемый музей Ирины Антоновой (Palazzo van Madam: het ingebeelde museum van Irina Antonova).

Antonova (1922 – 2020) schrijft op 10 april 1990 een brief aan het ministerie van Cultuur van de USSR. Danilkin noemt het document “schokkend” en drukt het in z’n geheel af. “In het Poesjkin Museum voor  Beeldende Kunst bevinden zich 306 tekeningen uit de collectie van Frans Koenigs”, meldt Antonova onder meer. In 1989, zo vervolgt ze, heeft het museum het ministerie voorgesteld “dat deel van de Koenigs-collectie dat zich bij ons bevindt onmiddellijk terug te geven aan de Nederlandse overheid, haar rechtmatige eigenaar. Middels deze brief bevestigen we onze diepste overtuiging van de noodzaak van de spoedige terugkeer naar Holland van de tekeningen uit de collectie van F. Koenigs.”

Een halve alinea verder: “Tot op heden waren we gedwongen de waarheid te verbergen. Nu we echter bewijzen hebben dat de Nederlandse overheid pogingen doet om de collectie op te sporen, achten we het niet langer mogelijk de goede naam van het Poesjkin Museum van Beelden Kunsten te compromitteren door de waarheid te verbergen.” (De teruggave vond uiteindelijk nooit plaats.)

Danilkin hanteert in zijn biografie geen chronologische volgorde; per hoofdstuk behandelt hij een onderwerp uit Antonova’s leven en loopbaan. Daarbij komt de Koenigs-brief pas op pagina 308 (van de 560) aan de orde. Dat is niet zo vreemd (hij heeft bijzonder veel te vertellen over de vrouw die 52 jaar aan het hoofd van het museum stond), maar voor de Nederlandse lezer springt het document er toch wel bovenuit. Antonova’s ‘bekentenis’ zal als een zekere genoegdoening worden ervaren door de vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid en museumwereld, die haar indertijd tegenover zich vonden. Pas eind 1992 gaf Rusland toe (niet bij monde van Antonova, maar met een verklaring van het ministerie van Cultuur) dat het vermiste deel van de Koenigs-collectie zich inderdaad in het Poesjkin Museum bevond.              

Danilkin heeft, ik zei het al, veel te vertellen over Irina Antonova. Een beetje té veel voor een lezer als ik, die niet vertrouwd is met de krochten, de mores en de geschreven en ongeschreven wetten van de internationale museumwereld. In Rusland zelf krijgt men er daarentegen geen genoeg van; ik kan me uit deze eeuw geen boek herinneren waar zó’n polemiek over is losgebarsten. (Het lijkt wel een soort bevrijding: over politieke zaken moeten we ons gedeisd houden, maar hierover kunnen we eindelijk eens luidkeels van ons laten horen!). Danilkin oogst veel lof en minstens zoveel kritiek. Omdat het onderwerp iets te ver van me afstaat, heb ik daar weinig aan toe te voegen. De biografie opent in elk geval met fascinerende ‘Duitse’ hoofdstukken, over Antonova’s kinderjaren die ze deels in Duitsland doorbracht, en over de confrontaties rond de trofee-kunst in haar museum (de Schliemann-collectie, werken uit de Dresden Galerie), maar gaandeweg wordt het geduld van de lezer nogal op de proef gesteld. Zo wordt er wel erg veel ‘gepsychologiseerd’ over Antonova’s karakter (ze zou door haar manier van leidinggeven een flinke bijdrage hebben geleverd aan het vroegtijdig overlijden van enkele medewerkers). Enigszins potsierlijk wordt het, wanneer Danilkin fantaseert over de geestelijke, bijna mystieke band die Antonova zou hebben met de dichter Aleksandr Poesjkin (de ‘naamgever’ van haar museum) en wijst op de overeenkomsten tussen haar en de gravin uit Poesjkins novelle Schoppenvrouw.

Je zou na het bovenstaande verwachten dat Danilkins oordeel over Antonova en haar rol als museumdirecteur negatief uitvalt, maar dat is niet het geval. Laverend tussen vele obstakels door (met als voornaamste de doorgaans over weinig culturele bagage beschikkende staatsbureaucratie en grijze Partij-kaders), deels ook in een tijd waarin de wereld om haar heen, met de ineenstorting van de Sovjetunie, een draai maakte van 180 graden, slaagde ze erin om van haar museum een vooraanstaande kunstinstelling te maken, vermaard in Rusland en daarbuiten. (Om maar een enkel obstakel te noemen waarmee Antonova – onkreukbaar, niet-corrupt - in de jaren negentig te maken kreeg: waar voorheen de Sovjetoverheid de risico’s dekte bij de uitleen van topstukken aan buitenlandse musea, kwam dat nu terecht op het bordje van het armlastige Poesjkin Museum zelf.)

Tot slot een alinea die typerend is voor de schrijfstijl van Danilkin (ik kwam ergens de opmerking tegen dat hij een roman had moeten schrijven in plaats van een biografie):

“Gezegd moet worden dat de meeste collega’s van Irina Antonva die op een of andere wijze van doen kregen met enig excentrisch gedrag van hun directeur – voor zover je van excentrieke handelingen kan spreken bij een scheepskanon dat tijdens een storm is losgeschoten van een affuit en alles wat maar kan op het dek heeft versplinterd – dat zij het haar of meteen bij zichzelf vergaven, aannemend dat niet zij per se ‘schuldig’ was, maar de omstandigheden (nou, en misschien had iemand gewoon het kanon slecht verankerd) of dat ze haar dehumaniserende capriolen nooit zagen als iets waar meteen een reactie op diende te volgen: dat ze het eerder interpreteerden als een soort art brut, – een creatie van mensen met eigenaardigheden die uit de gebaande kaders breekt, - aantrekkelijk zelfs, zoals ook Hals’ Malle Babbe ergens aantrekkelijk is – juist vanwege het doorbeken van alle conventies.”              

——————

Twee recensie over de biografie (positief en negatief): hier en hier (beide in het Russisch). En hier een uitgebreid interview - met alleen Russische ondertiteling - met Danilkin zelf. Aan praten beleeft hij duidelijk minder plezier dan aan schrijven:

—————-

Rusland in de 20ste eeuw – 15: Verborgen boodschap in een Sovjet-liedje over de lente – met net geen Nederlands tintje

——————

Smeltend IJs in de Wolga. Kazan, lente 2018 (foto: Egbert Hartman)

————————

De muziek van onderstaand lied is van Sergej Nikitin, die hier ook zingt. De tekst is van… Dat zeg ik nog even niet. (Mijn vertaling staat onder het filmpje.)

—————

NOORDELIJKE LENTE

Kinderen van het zuiden,
Waar de rozen fonkelen in december
Waar je het woord ‘sneeuwstorm’
Vindt in geheugen noch woordenboek
Waar de blauwe hemel
Nog voor geen uur verbleekt
Waar sinds eeuwen tot op heden
Steeds die zomer het oog streelt.
Die zijn daar toch niet in staat, al is het maar even
Voor een minuut, al is het maar in een droom
Al is het per ongeluk, te vatten
Wat het is om te denken aan de lente.
Wat het betekent om in een ijskoude maart
Wanneer de wanhoop je grijpt,
Steeds maar te moeten wachten, wachten
Tot het logge ijs lomp in beweging komt.
Wíj kenden zulke winters
We gingen op in dusdanige kou
Dat er zelfs geen verdriet was
Enkel maar trots en onheil.
En in de krachtige, ijzeren krenking
Door een droge sneeuwwind verblind
Zagen we, zonder te zien,
De groene ogen van de lente.

———————

Wie hier anno 2026 voor het eerst naar luistert, zal vermoedelijk denken: een aardig niets-aan-de-hand-liedje. Een beetje vreemd misschien dat zanger Sergej Nikitin er zo’n somber gezicht bij trekt - maar mág het; hij vertolkt hier de stemming van iemand die het kennelijk wel héél erg koud heeft gehad, die terugdenkt aan veel te lange, veel te strenge winters. 

De gedachten van de luisteraar zullen al iets gaan schuiven, wanneer hij  verneemt in welk jaar de tekst is geschreven: 1957. En helemaal zal hij gaan vermoeden dat hier meer aan de hand is, wanneer hij ook hoort wie de auteur is: Ilja Ehrenburg. Als geen andere schrijver/dichter is Ehrenburg (1891-1967) verbonden met de periode na de dood van Stalin, ook wel  aangeduid als de Dooi – naar de titel van een verhaal van Ehrenburg: Оттепель / Dooi. Zijn gedicht Noordelijke lente werd in juli 1959 gepubliceerd in de Literatoernaja Gazeta. Nikitin zette het later op muziek.

Jaartal en auteur vormen de grondverf waartegen woorden beter uitkomen. Ben je je bewust van die grondverf, dan ben je al snel de boodschap op het spoor die Ehrenburg in zijn tekst heeft gestopt. De signalen lichten als rode vlaggetjes op.

- IJskoude maand maart (мартовские стужи). Elke lezer in de USSR in 1959 wist wat er een aantal jaren eerder in maart was gebeurd: op de vijfde van die maand in 1953 overleed Stalin. In de weken ervoor besteedde de Sovjet-pers uitgebreid aandacht aan de ‘Zaak van de artsen’: een groep voornamelijk joodse artsen, aangestuurd vanuit de VS, zou het voorzien hebben de hoogste leiders in het Kremlin. De angst voor een zoveelste golf van arrestaties was groot, zeker onder joden. Voor de jood Ehrenburg begon de maand maart ijskoud.

- Wanneer de wanhoop je grijpt. Zo was de stemming onder de joodse intelligentsia en ook buiten die kring; Ehrenburg verwachtte elk moment gearresteerd te worden. “Wanhoop” is in een gedichtje over de lente erg zwaar aangezet; de lezer begrijpt, ook door het samenspel met de andere vlaggetjes, dat hier meer aan de hand is.

- De nadrukkelijke herhaling van wij/we: het gaat hier niet over de emoties van een enkeling, maar over een groep (die groter is dan alleen de joodse intelligentsia).

- Door een droge sneeuwwind verblind: Begin maart 1953 worden de Sovjetburgers in nieuwsbulletins op de hoogte gehouden van de ernstige gezondheidsproblemen van Stalin. Maar wie de eerdere kou (terreurgolven, deportaties, oorlog) heeft overleefd, gelooft - door sneeuwwind verblind – nauwelijks nog in verlossing.

- Het logge ijs / грузный лед. Een fonetisch vlaggetje dat in mijn vertaling verloren gaat: lomp = грузный / groezni. Een Georgiër is in het Russisch een Groezin, Stalin was een Georgiër.

En wie waren dan die “kinderen van het zuiden”? Dat kan vrij algemeen worden begrepen: iedereen die niet vertrouwd was met de dodelijke kou die de Sovjetunie meermalen had overspoeld – en ‘kou’ dan natuurlijk niet in de zin van letterlijke vrieskou die je kan aflezen op een thermometer.

Deze toelichting op het gedicht Noordelijke lente kwam ik tegen in een artikel van de Russische cultureel-antropologe Aleksandra Archipova, in eigen land tot ‘buitenlands agent’ verklaard en tegenwoordig woonachtig en werkzaam in Parijs. Het artikel verscheen als inleiding bij een boek van literatuurvorser en Brodsky-biograaf Lev Losev (1937-2009) over verhullend taalgebruik in de Russische literatuur: Эзопов язык в русской литературе (Moskou, 2024). *)

Archipova (1976) schrijft in haar artikel dat “mijn scholieren” de tekst van Ehrenburg zongen op excursies en er de titel “Liedje over de lente” aan gaven: “Je kan scholieren, en ook studenten, nauwelijks verwijten dat ze echt het idee hebben dat dit een zoet gedicht is over verlangen naar de lente.” **)

Aan haar interpretatie van Ehrenburgs gedicht voeg ik nog een vlaggetje toe uit eigen koker: het woordje ‘trots’ (vijfde regel vanonder) zou kunnen wijzen op de overwinning op Nazi-Duitsland.

De naam van Archipova kwam overigens eerder al eens naar voren op dit weblog. Enkele jaren geleden schreef ik een stukje over ‘ondermijnende’ tekens en symbolen op ogenschijnlijk onschuldige voorwerpen ten tijde van de Stalinterreur (knopen, schoolschriftjes, luciferdoosjes), gebaseerd op een artikel van haar. 

En  toen dacht ik: laat ik eens kijken of ik nog een andere uitvoering kan vinden van bovenstaand lied. Het leverde deze versie op, ook weer van een sombere kijkende Sergej Nikitin:

Dezelfde interpretatie dus. Maar wacht eens, die locatie, dat balkon… Had ik daar niet ooit een glaasje wijn gedronken? Meerdere keren zelfs? Was dat niet het balkon van de ambtswoning van de Nederlandse consul in Sint-Petersburg, aan de Engelse Kade langs de Neva? Waar ik een foto van de Nederlandse vlag maakte, bijna – mijn hemel! - veertien jaar geleden. Ik stak mijn licht op bij alle oud-consuls in mijn kennissenkring (de heren Van der Togt en De Mol). Beiden wisten het niet zeker, achtten het niet onmogelijk. Een mailtje aan de huidige huismeester bracht uitsluitsel. Binnen tien minuten antwoordde hij: “Nee, dat is het huis van de buren.”

Sint-Petersburg, 2012 (foto: Egbert Hartman)

——————

*) Een kleine waarschuwing voor wie nu denkt: dat boek ga ik lezen!: in tegenstelling tot Archipova’s inleiding is het werk van Losev lastig leesbaar en moeilijk toegankelijk.

**) Ik neem aan dat Archipova met “mijn scholieren” doelt op deelnemers aan de Ecologische Zomerschool (Летняя экологическая школа – ЛЭШ), waaraan zij verbonden was. Deze zomerschool raakte enkele jaren geleden flink in opspraak vanwege seksueel misbruik door enkele leerkrachten. Ik schreef er een artikel over, gebaseerd op een aantal Russische podcasts. Dat artikel verdween in een la, omdat de oorlog in Oekraïne mij de lust ontnam om ook maar iets over het huidige Rusland te publiceren. Het accent op dit blog verschoof naar de geschiedenis, vooral die van de vorige eeuw. Mogelijk publiceer ik het artikel binnenkort alsnog.

———————