geschiedenis

Rusland in de 20ste eeuw - 14: Eigenaardig, beschamend, teleurstellend, boeiend: de biografie van Molotovs echtgenote Polina Zjemtsjzoejina.

—————————

—————————-

In de vroege morgen van 22 juni 1941 wordt ze, op de Krim, gebeld door haar man uit Moskou. Ze krijgt – want ze is niet zomaar iemand - eerder dan de rest van het land te horen dat Duitsland de Sovjetunie is binnengevallen, en dat ze zo snel mogelijk naar Moskou moet komen. Ze bestelt eerst nog de kapper en terwijl ze aan het eind van de ochtend ook nog haar nagels laat doen, luistert ze naar de toespraak van haar echtgenoot, minister van Buitenlandse Zaken Vjatsjeslav Molotov, na Stalin de feitelijke nummer twee van het land, die nu ook de gewone burgers op de hoogte brengt van de Duitse aanval.

De vrouw die het vroege telefoontje kreeg, was Perl Solomonovna Karpovskaja, die vanaf 1918 door het leven ging onder haar ‘communistennaam’ Polina Semjonovna Zjemtsjoezjina (zjemtsjoezjina is Russisch voor parel). In 1921 trouwde ze met Vjatsjeslav Michajlovitsj Skrjabin, beter bekend als Vjatsjeslav Michajlovitsj Molotov. Polina Zjemtsjoezjina droeg flink bij aan de ontwikkeling van de Sovjet-parfumindustrie en werd minister van Visserij. Haar echtgenoot wist haar niet te vrijwaren van de Stalinterreur. Ze verdween na de oorlog achter de tralies, maar overleefde. De dood van Stalin kwam voor haar net op tijd.

Vjatsjeslav Nikonov

Over Zjemtsjoezjina verscheen een lijvige (bijna 800 pagina’s) biografie, geschreven door haar kleinzoon Vjatsjeslav Nikonov, lid van de Doema namens Verenigd Rusland. Wil je zijn boek kort samenvatten, dan kom je tot: eigenaardig, beschamend, teleurstellend en boeiend.

De titel, daar begint het al mee: Жемчужина советского правительства (Parel van de Sovjet-regering). Dan kan zo iemand in de honderden pagina’s die volgen eigenlijk al niets meer fout doen. En dat doet Polina ook niet. Kleinzoon Nikonov portretteert haar als een onwankelbare communiste, zuiver in de leer, die tot het einde van haar leven blijft geloven in de genialiteit van Stalin. Een vasthoudendheid die in de ogen van de kleinzoon duidelijk tot aanbeveling strekt. De schaduw die over haar leven hangt, is natuurlijk die van Molotov, haar echtgenote, en van de onvermijdelijke vragen over diens betrokkenheid bij de terreur die Stalin ontketende. Mag je die vragen stellen bij een biografie over zijn vrouw? Ja, in dit geval mag dat, want die biografie gaat, enigszins eigenaardig, voor een belangrijk deel juist over Molotov.

Kleinzoon Nikonov was al een eind op streek met de biografie over zijn oma, toen er binnen de familie opeens een lading brieven van Polina aan Molotov opdook. Hij citeert er uitbundig uit en dat had wel een paar pondjes minder gemogen. De brieven zijn namelijk voor het overgrote deel totaal oninteressant. Beiden zijn veel, apart, op reis. Polina mist haar man, moppert dat hij te weinig schrijft en vraagt hem goed op zichzelf te passen. Beiden waren zich ervan bewust dat er ‘meelezers’ konden zijn en hielden zich op de vlakte. Molotov schrijft in een van de  weinige brieven die van hem bewaard zijn gebleven (Nikonov is er bijna zeker van dat Polina veel heeft vernietigd toen ook in hun kringen de arrestaties begonnen) dat hij “om begrijpelijke reden” niet gedetailleerd op “onze zaken” kan ingaan en dat ze later uitgebreid zullen bijpraten.          

Aardig zijn wel de impressies van Polina van haar bezoeken aan cosmetica-bedrijven in Frankrijk, Duitsland en de VS, waar ze, in haar hoedanigheid van functionaris op ministerieel niveau, gezien wordt als mogelijke koopster van machines en productielijnen. Kan Vjatsjeslav er niet voor zorgen dat haar budget omhoog gaat? Bij de beschrijving van Polina’s carrière krijg je  gaandeweg de indruk dat kleinzoon Nikonov in zijn jonge jaren heel veel Sovjet-kranten – altijd dol op productiecijfers - heeft gelezen en daar nooit meer helemaal van los is gekomen. Zo vernemen we dat de lichte industrie (ook daar speelde Zjemtsjoezina een vooraanstaande rol) gedurende 1941 aan het front had geleverd: “… 3 miljoen paar legerschoeisel, 320 duizend winterjassen en gewatteerde jacks, meer dan 1 miljoen gewatteerde bodywarmers, broeken, veldoverhemden, 640.000 duizend bontmutsen, bijna 1,5 miljoen wanten, camouflagejassen en veel warm ondergoed.” Productiecijfers van de Sovjetvisserij, uit de tijd dat Polina daar minister was, alsmede de voluit geciteerde getuigschriften bij haar vele decoraties (en diverse brieven van dankbare arbeiders) – ook dat had allemaal wel een flink stuk minder gemogen.             

Parallel aan Zjemtsjoezjina’s loopbaan spelen zich de ‘avonturen’ af van echtgenoot Molotov. Die leggen op het toneel van de geschiedenis natuurlijk veel meer gewicht in de schaal. Bij de zeer uitgebreide beschrijvingen ervan wordt het af en toe gênant. Molotov was een van de uitvoerende krachten achter de misdadige collectivisatie op het platteland. Wanneer Nikonov wijst op de hongersnood die mede daardoor grote delen van het land teisterde, krijgt hij de volgende zin uit zijn pen: “Er kwam enorm veel hulp voor Oekraïne.” Om er nog aan toe te voegen dat het thema van de Holodomor “uiterst gepolitiseerd” is geraakt.

Ik onderdrukte de neiging om het boek weg te leggen, omdat ik nog wat vragen had: hoe zat het met die arrestatie van Polina, en had Molotov – mede-ondertekenaar van  honderden executie-lijsten - ooit enige berouw getoond over zijn aandeel in de Stalinterreur?

Polina wordt in januari 1949 gearresteerd en na elf maanden gevangenschap verbannen naar een vlek in Kazachstan. Daar wordt ze begin 1953 opnieuw opgepakt en naar Moskou gebracht. Nikonov gaat ervanuit dat Stalin Molotov op deze manier als mogelijke rivaal ‘klein’ wilde houden. Boeiend zijn de verslagen van Polina’s verhoren. Ze laten zien hoe in die jaren een zaak tegen iemand werd gefabriceerd. In haar geval luidde de beschuldiging onder meer: banden met het Joods Anti-fascistisch Comité. Zjemtsjoezjina wordt geen haar gekrenkt, maar wie de ellenlange lijst van de vaak nachtelijke verhoren opgesomd ziet, inclusief begin- en eindtijd, kan er alleen maar bewondering voor opbrengen dat ze, op een paar ondergeschikte punten na, haar onschuld heeft weten vol te houden. Kort na Stalins dood wordt ze vrijgelaten. Een broer en zus overleven hun gevangenschap niet. Hoe Molotov deze jaren heeft beleefd, weet Nikonov niet. Hij sprak vaak genoeg met zijn grootvader, maar dit onderwerp was taboe.

Molotov blijft na Stalins dood, tot hij onder Chroesjtjov op een zijspoor beland, nog enige tijd een belangrijke rol spelen. In Nikonovs woorden: “Op Molotovs schouders rustte, als nooit tevoren, in volle zwaarte de verantwoordelijkheid voor de buitenlandse politiek van een supermacht. En dus voor het leven van onze mensen, van de gehele mensheid.” Het kan na zulke woorden niet verbazen dat bij alle beschrijvingen van Molotovs inspanningen, van zijn ontmoetingen op het hoogste niveau, het Westen steevast als enige aanstichter van de Koude Oorlog wordt aangewezen.

Nikonov komt nog met aardige inkijkjes in het privé-leven van het echtpaar Molotov nadat ze uit het centrum van de macht zijn verdwenen. Hoe ze nog (dankzij bonnen van Polina) aan luxe levensmiddelen kunnen komen, hoe ze nog regelmatig gasten ontvangen op hun datsja. Pijnlijk is wel dat Molotov niet meer kan beschikken over een auto. Wanneer Polina, terminaal ziek, is opgenomen in het ziekenhuis, moet hij elke dag een boemeltrein, de metro en de bus nemen om haar te bezoeken.        

Zjemtsjoezjina overlijdt in 1970, Molotov overleeft haar zestien jaar. Hoe keek hij aan het einde van zijn leven terug op de Stalinterreur? Was er enig berouw? Nauwelijks. Het beeld dat naar voren komt, was al bekend, onder meer uit Molotovs interviews met Sovjet-historicus Feliks Tsjoejev. Ja, er waren helaas excessen, veel onschuldige mensen werden het slachtoffer, maar ‘1937’ was noodzakelijk. Het land diende zich voor te bereiden op een oorlog en er was een vijfde colonne die uitgeschakeld moest worden. Mocht Molotov zich in gesprekken met Nikonov anderszins hebben uitgelaten, dan maakt zijn kleinzoon daar geen melding van.              

Overigens verscheen er eerder al, in 2017, een biografie van de hand van Nikonov over grootvader Molotov. Dat maakt de hoeveelheid pagina’s over hem in de biografie over grootmoeder Polina extra opvallend. Of die pagina’s vooral herhalingen bevatten, weet ik niet. Ik heb die eerdere biografie niet gelezen. Ik voel ook weinig aandrang om dat alsnog te doen.  

——————

Met kleinzoon Vjatsjeslav in 1963

Enkele bonus-alinea’s:

Molotov wordt in 1957 weggepromoveerd naar Mongolië, waar hij als ambassadeur van de USSR op goede voet komt te staan met kameraad Joemzjagijn Tsedenbal, secretaris-generaal van de lokale communistische partij, en diens echtgenote Anastasija Ivanovna Tsedenbal-Filatova. Hun arts Jevgeni Tsjazov (ook werkzaam voor de Sovjet-elite in Moskou) schrijft over dat tweetal in zijn memoires, zich weinig aantrekkend van zijn beroepsgeheim (geciteerd door Nikonov):

“Ik kende twee Tsedenbalovs: die van eind jaren zestig, begin jaren zeventig, toen hij de indruk wekte van een erudiet, nadenkend iemand met een uitstekende kijk op politieke zaken – en die van begin jaren tachtig, toen aderverkalking en drankmisbruik leidden tot een duidelijke degradatie van zijn persoonlijkheid. Dat was ook triest omdat zijn gezinsleven niet makkelijk was. Als jonge man had hij een Russische vrouw ontmoet uit de regio Rjazan, aan wie hij zijn lot verbond. De zachtmoedige, aardige, intelligente Tsedenbal raakte volledig onder de invloed van zijn niet al te wijze vrouw, met haar, voorzichtig uitgedrukt, eigenaardige gedrag. Een historicus heeft eens gezegd dat je een Russische vrouw niet de volledige macht moet geven, want dan wordt ze een despoot. De echtgenote van de Mongoolse partij- en staatsleider werd de schrik van  het politburo en de regering van dat land.”

Kan iemand misschien de archieven duiken en gaan werken aan een biografie van mevrouw  Anastasija Ivanovna Tsedenbal-Filatova? Die zou ik graag lezen.

———————-

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————————

Catharina de Grote en haar strijd – met Engelse hulp - tegen het pokkenvirus

————————-

Catharina en Zemfira. (Schilderij: V. Borikovski)

De mensen die het verband kennen tussen de elegante hazewindhond op dit schilderij van Catherina de Grote en het pokkenvirus, zijn in de minderheid. Ik trad toe tot deze selecte groep bij lezing van The Empress and the English Doctor van Lucy Ward. De hond heette Zemfira en was een nakomeling van twee honden die de tsarina werden geschonken door de Engelse dokter Thomas Dimsdale.

Deze Dimsdale (1712-1800) was een succesvol pionier op het gebied van inenting tegen het pokkenvirus, dat regelmatig een dodelijke rondgang maakte door Europa. De faam van Dimsdale, die moest oproeien tegen een stroom aan angsten, vooroordelen en complottheorieën (Ward schreef haar boek deels tijdens de corona-epidemie en laat uiteraard niet na om op de parallellen te wijzen), bereikte het Russische hof. Catherina, die zich graag liet voorstaan op haar verlichte vooruitstrevendheid, nodigde de Engelsman uit. Dimsdale verbleef maandenlang in Sint-Petersburg. De tsarina onderwierp zichzelf en haar kinderen aan een inenting en met haar als boegbeeld werd er een heus inentings-programma opgezet. Aanvankelijk waren het vooral de hoogste kringen die hiermee werden bereikt, maar gaandeweg kwam het vaccin ook ter beschikking van het gewone volk, al gebeurde dat gezien de omvang van het land en de gebrekkige bestuurlijke en medische infrastructuur (en ook de angst en weerstand) bij lange na niet in voldoende mate om Rusland van het virus te vrijwaren.

Een boeiend boek, maar wie vooral in Rusland is geïnteresseerde: Lucy Ward schrijft voor een vrij groot deel over de geschiedenis van het vaccin in Engeland en de strijd die Dimsdale daar moest voeren voor acceptatie. Die kwam er en het leverde hem, de behandeling was niet gratis, een fortuin op.

Inentings-hospitaal aan de Angara, regio Irkoetsk (1790)

——————

The Empress and the English Doctor belandde op de korte lijst van de Pushkin House Book Prize voor 2022. De winnaar dat jaar werd Not one inch. America, Russia and the making of the post-cold war stale mate, van M.E. Sarotte.

——————

Rusland in de 20ste eeuw – 11: Een reis in de tijd aan de hand van kinderboekenschrijver Tsjoekovski

—————

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————-

Kornej Tsjoekovski

——————-

Het is lang geleden dat ik de dagboeken van Kornej Tsjoekovski las. Daaruit bleef de jaren daarna het beeld hangen van een schrijver die, niet door eigen toedoen, hopeloos veel tijd en energie verspeelde aan zaken die hem weghielden van pen en schrijfmachine. Of beter gezegd: die maakten dat hij pen en schrijfmachine te vaak moest inzetten voor allerlei aangelegenheden die hem weghielden van wat voor hem centraal stond in zijn leven: schrijver zijn. Dat beeld behoefde geen bijstelling na lezing van De dagen branden als papier. De eeuw van de familie Tsjoekovski, van de Leidse slaviste Petra Couvée.

Twee leden van de familie Tsjoekovski verworven in de 20ste eeuw naam en faam: Lidija (1907-1996) en vooral haar vader Kornej (1882-1969). De eerste als steun en toeverlaat van dichteres Anna Achmatova en schrijfster van een klein oeuvre, de tweede vooral als kinderboekenschrijver. In die hoedanigheid geniet Kornej Tsjoekovski in Rusland een onaantastbare status – weinig kinderen van na 1960 zijn niet groot geworden met zijn sprookjes en vertellingen op rijm.    

Van de beide Tsjoekovski’s is werk in het Nederlands vertaald, maar tot bekendheid bij een breed publiek heeft dat niet geleid. Om dan een boek uit te brengen over de lotgevallen van zo’n weinig bekende familie is een gok - maar die heeft goed uitgepakt. De lezer reist met (vooral) Kornej mee door de twintigste eeuw. Aan de hand van diens lotgevallen, zijn tegenslagen en successen, zijn geworstel met de censuur en met moeilijke keuzes (meebuigen met het regime of niet?), worden telkens luikjes opengezet die een blik gunnen op het politieke en culturele klimaat in de USSR. Het is de mengeling van dat bredere panorama met het leven van de schrijversfamilie op ‘huiselijk’ niveau die De dagen branden als papier de moeite waard maakt.  

Het grootste deel van zijn leven was Tsjoekovski’s status bepaald níet onaantastbaar. Zo vormde zijn afkomst, een onwettig kind uit een arm milieu, een flink obstakel bij het volgen van onderwijs – een belangrijke reden waarom hij het Sovjetbewind en ook Stalin met sympathie verwelkomde; in de grondwet van de USSR werd ieders recht op scholing vastgelegd. Tsjoekovski weet zich op te werken tot een gewaardeerd journalist en literair criticus. Hij is een begaafd spreker en met lezingen weet hij zijn inkomen voor hem en zijn gezin enigszins op peil te houden. Zijn kinderboeken (Krokodil is zijn eerste grote succes) bezorgen hem een breed lezerspubliek, maar bezorgen hem ook flinke problemen.

Onder aanvoering van Lenins weduwe Kroepskaja vegen pedagogen (“opvallend veel vrouwen”) de vloer aan met Tsjoekovski’s werk. Ideologisch klopt er niks van, de jonge lezertjes worden er niet door opgevoed tot burgers die het collectief als hoogste goed beschouwen. Herdrukken worden stopgezet, nieuwe boeken worden tegengehouden. Tsjoekovski voelt zich zo onder druk gezet, dat hij door de knieën gaat. Eind 1929 neemt hij in de Literatoernaja Gazeta afstand van zijn sprookjes. Daar doet hij zichzelf geweld mee aan en de rest van zijn leven draagt hij deze episode als een loden last met zich mee. Hij is ervan overtuigd dat de vroege dood van zijn dochtertje Moera, zijn muze die hij ‘verraden’ heeft, de prijs is die hij hiervoor heeft moeten betalen.

Met jeugdherinneringen, wetenschappelijke publicaties over de dichter Nikolaj Nekrasov en de novelle Zonnepaviljoen (over het sanatorium waar tbc-patiënte Moera verbleef) keert het tij. Tsjoekovski treedt alsnog toe tot de artistieke elite en wordt een man in bonis, met een auto, een datsja en tenslotte, in 1939, ook een eigen woning aan de centrale Gorkistraat in Moskou. Tussendoor krijgt de lezer uitleg over zaken als de collectivisatie, de terreur onder Stalin en de latere dooi. Wie al enigszins ingevoerd is in Ruslands 20ste kan die alinea’s overslaan. Zelf beleefde ik vooral plezier aan uitgebreid rondgestrooide faits divers. Nooit geweten (of allang weer vergeten) dat Tsjoekovski even aan boord was van de muitende kruiser Potjomkin in de haven van Odesa. Dat de mij onbekende (nooit geweten, niet vergeten) dichter Sergej Gorodetski ooit een gedicht schreef waarin een verband wordt gelegd tussen Dostojevski en het eerste vijfjarenplan van Stalin. Ook leuk: de kronkelroute die het door Ilja Repin geschilderde, enige tijd uit het zicht verdwenen portret van Tsjoekovski aflegde, om via onder meer Rome, New York en Jeruzalem te eindigen in het Konstantinpaleis (dat tegenwoordig dienstdoet als zomerresidentie van Vladimir Poetin) – en op de omslag van het boek.   

Al treedt Tsjoekovski toe tot de elite, het tapijt onder zijn voeten blijft bewegen. Dreigend is de terreur, met arrestaties in zijn directe omgeving. En in 1944 moet hij opnieuw door het stof, na niets ontziende kritiek in de Pravda op zijn sprookje Wij vernietigen Barlamee (“Het vulgaire en schadelijke brouwsel van K. Tsjoekovski.”) – al lijkt zijn spijtbetuiging dit keer oprechter dan vijftien jaar eerder en is hij nu ook zelf niet tevreden over zijn schrijfsel. De perikelen rond Barlamee leveren in elk geval wel een duidelijk spoor op van Tsjoekovski’s opvattingen in die tijd over het politieke bestel in zijn land, niet uit eerste hand, maar, typerend genoeg, uit een rapport van de geheime dienst. Tegen een collega had hij zijn hart gelucht over het verbod van zijn sprookje: “Ik leef in een land […] met een dictatuur, en daarom moet ik voorbereid zijn op alles wat die dictatuur met zich meebrengt.” En: “Met de val van de nazidictatuur zal de democratische wereld oog in oog komen te staan met de Sovjet-dictatuur. We wachten het af!” Later, wanneer de dooi onder Chroesjtsjov in gang is gezet, noemt hij Stalin en diens helpers in zijn dagboek “geteisem” dat uit was op de vernietiging van de intelligentsia.

Tsjoekovski wordt in die latere jaren overladen met prijzen. Hij heeft vier man personeel en mag afreizen naar Oxford om er een eredoctoraat in ontvangst te nemen. In maart 1967 schrijft hij in zijn dagboek dat zijn boeken zijn verschenen in 64 talen met een totale oplage van 82 miljoen. Zijn laatste grote klus, een kinderbijbel, eindigt toch weer in mineur. Uitstel leidt uiteindelijk tot afstel: in 1968 wordt vrijwel de totale oplage vernietigd. Het jaar daarop overlijdt de 87-jarige Tsjoekovski. Kleindochter Jelena vindt in zijn archief een exemplaar van de bijbel. Die verschijnt eind jaren tachtig alsnog.

—————-

Petre Couvée schreef eerder (met Peter Finn) De zaak Zjivago. Werk van Tsjoekovski is in het Nederlands verschenen in het alom geprezen Bij mij op de maan. Russische Kindergedichten, vertaald door  Robbert-Jan Henkes. Dochter Lidija Tsjoekovskaja schreef een van de beste literaire werken over de Stalinterreur, de novelle Sofja Petrovna. Daarover schreef ik eerder al eens een stukje.        

————-

Rusland in de 20ste eeuw – 8: De cultuurpolitiek van Andrej Zjdanov. En: het slechtste boek over de USSR in jaren.

———————-

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

———————-

Andrej Zjdanov

—————-

Wie de blik richt op de naoorlogse cultuurpolitiek in de Sovjetunie, stuit onvermijdelijk op de naam van partijfunctionaris Andrej Zjdanov. In slechts een paar jaar tijd (hij overleed in 1948, zijn politieke carrière was toen al voorbij) vestigde hij zijn naam met keiharde aanvallen op onder anderen de schrijver Michaïl Zosjtsjenkjo en de dichteres Anna Achmatova. Beiden bleven op vrije voeten, maar werden verwijderd uit het literaire landschap. Татьяна Шишкова (Tatjana Sjisjkova) beschrijft in haar boek Внеждановщина / Vnjezjdanovsjtsjina (ik waag me niet aan een vertaling) de politieke en ideologische bedding waarin Zjdanovs beleid zich afspeelde.

In vergelijking met de vooroorlogse jaren had zich een belangrijke verandering voorgedaan. Niet langer moesten literatuur, toneel, film en opera het leven in de Sovjetunie presenteren als een veelbelovend experiment, maar als een geslaagd project. Het accent diende niet langer te liggen op wat er nog gedaan moest worden, maar op wat was bereikt: de USSR had een plek veroverd tussen de grootmachten en was een voorbeeld geworden voor alle ‘progressieve krachten’ in de wereld. De brede blik van Sjisjkova (de lotgevallen van Zosjtsjenkjo en Achmatova vormen er slechts een bescheiden onderdeel van) maken haar boek boeiend. Wat ik niet wist: Zosjtsjenko, van wie in 1940 werk in het Duits werd gepubliceerd, was populair onder de hoogste nazi’s, die genoten van zijn satirische verhalen over het leven in de USSR. Op 16 maart 1940 noteerde Joseph Goebbels in zijn dagboek dat de satire van de Russische schrijver “een verschrikkelijk beeld schetst van de bolsjewistische onbeschaafdheid, sociale armoede en organisatorisch onvermogen”.          

Van een heel andere orde, en niet alleen qua onderwerp, is ФутболВойнаХолокост: документы, свидетельства, фотографии (Voetbal. Oorlog. Holocaust: documenten, getuigenissen, foto’s), onder redactie van Алла Гербер en Илья Альтман (Alla Gerber, Ilja Altman). Dit zal zo ongeveer het slechtste boek zijn dat ik de afgelopen (vele) jaren over de Sovjetunie heb gelezen.

Eindelijk hoopte ik eens duidelijkheid te krijgen over de wedstrijden die in de Tweede Wereldoorlog in het door de Duitsers bezette deel van de USSR werden gespeeld tegen gevangenen of tegen ‘gewone’ burgerteams. Die wedstrijden (die in Kyiv in augustus 1942 is wel de bekendste) zijn door zoveel mythes omgeven, dat je door alle heroïek het bos niet meer ziet. Wat  heeft zich daadwerkelijk afgespeeld en wat is aangedikt? Je komt er ook in dit boekje (144 pagina’s) niet achter. De auteurs pretenderen van alles, maar steeds weer stuit je op formuleringen van het soort: “het zou kunnen dat”, “anderen beweren dit”, onduidelijk is of…”   

Aardig was dan weer wel dat ik dankzij dit boekje de naam leerde kennen van Árpád Weisz. Hij was, zo las ik, enige tijd trainer van DFC uit Dordrecht, nadat hij eerder in dienst was geweest van Internazionale en FC Bologna. De Hongaars-Joodse Weisz overleefde de oorlog niet. Hij wordt in Dordrecht geëerd met een straatnaam (het Árpád Weiszpad) en een stolperstein. Het was bij de pagina’s over Weisz wel ook het moment dat ik het boek helemaal niet meer serieus kon nemen. Volgens het onderschrift bij bijgaande foto zien we Weisz, staand eerste van rechts, hier “… met zijn ‘Inter-Ambroziana. 1929”. (Ambrosiana-Inter is een oude naam van Internazionale). Ik bekeek de foto en dacht: dat lijken me geen Italianan. Binnen een minuut had ik de juiste omschrijving boven water: het is een elftalfoto van DFC uit 1939. 

——————-

————————————

Rusland in de 20ste eeuw – 7: Hotel Lux, Moskou: broeierige verzamelplaats voor Westerse communisten die de wereld gingen verbouwen

——————-

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

————————

—————————

Een prima plek om interessante boeken over Rusland en de Sovjetunie te ontdekken, is het Pushkin House in Londen. Alleen al hun shortlist voor beste boek van het jaar! Die doet je overigens wel wanhopig verzuchten: het is zoveel, zo boeiend, maar ik krijg dat nooit allemaal gelezen… Ter illustratie zo maar wat titels van de lijst van 2023 (waarvan ik er, verdorie, zelfs niet één in huis heb gehaald: Muppets in Moscow: The Unexpected Crazy True Story of Making Sesame Street in Russia, van Natasha Lance Rogoff; Red Leviathan: The Secret History of Soviet Whaling, van Ryan Tucker Jones, en Places of Tenderness and Heat: The Queer Milieu of Fin-de-Siècle St. Petersburg, van Olga Petri. En, mind you, dan vind je op de site van het Pushkin House daarnaast ook nog eens tal van titels die helemaal niet op een shortlist staan. Zoals Hotel Lux. An intimate history of communism’s forgotten radicals, van Maurice J. Casey. Dát haalde ik wel in huis, en juist dat boek viel een beetje tegen – al hangt het er wel vanaf waar je als lezer precies naar op zoek bent.   

Hotel Lux in Moskou, de hoofdstad van de jonge Sovjetunie, was in de jaren twintig van de vorige eeuw een opwindende bijenkorf, waar linkse idealisten uit de hele wereld, met hun hoofd in de communistische wolken, bijeen hokten: samen gingen zij een nieuwe wereld bouwen, met de USSR als lichtend voorbeeld! In het door woningnood geteisterde Rusland was een kamer in Hotel Lux, vlak bij het Kremlin en het kantoor van de Komintern, het beste wat de buitenlandse kameraden (die vaak jaren in de hoofdstad verbleven) aan huisvesting geboden kon worden. Was het verblijf aanvankelijk misschien onbezorgd, dat veranderde met de groeiende paranoia onder Stalin. Het hotel “… was a place where the distance between the emotional extremes of the communist experience, from delerious optimism to terrified disenchantment, was often the width of a corridor”, schrijft Casey. Voor meerdere gasten was Hotel Lux een tragische halte op weg naar arrestatie en executie. “The rooms that once hosted freewheeling parties where now essentially holding cells for activists with diminishing prospects of surviving the decade.”

De Ierse historicus Casey is gefascineerd door vooroorlogse revolutionaire idealisten, vooral wanneer die uit zijn geboorteland komen. En gaat het dan ook nog eens om idealisten die in hun tijd misschien bekend, of zelfs beroemd waren in kleine kring, maar inmiddels in de mist van de geschiedenis zijn opgelost, dan gaan bij Casey echt alle registers open. Om hun levens (en dat van hun kinderen) te reconstrueren, bezoekt hij zestien archieven in Europa en de VS en eindigt hij in een schuur in een tuin ergens in Noord-Spanje, waar hij een grote brievenschat opduikt.

Edo Fimmen

Het eerste biografische draadje waar hij aan trekt is dat van de Ierse May O’Callaghan, die in Moskou als vertaalster werkte voor de Komintern. Via haar buren in Hotel Lux speurt Casey naar allerlei vertakkingen en dwarsverbanden, waarbij vriendschappen, (lesbische) liefdesrelaties, verbroken huwelijken en onechte kinderen voor een bont en af en toe broeierig internationaal web zorgen. Het gevolg daarvan is, dat een flink deel van het boek zich buiten de Sovjetunie afspeelt, en doorgaat tot in de jaren zeventig en zelfs tachtig, wanneer de duizelig makende jaren twintig en de angstige jaren dertig (kortom: het hele leven in Hotel Lux) allang tot het verleden behoren. Boeiend, alles bij elkaar, maar het boek hangt voor mij een beetje uit het lood; Casey had zich voor mij wat meer mogen concentreren op dat hotel – zoals de titel toch eigenlijk ook belooft - en het dagelijkse leven in het Moskou van toen.                                

Een van de personen die boven komen drijven is de Nederlandse vakbondsman Edo Fimmen, géén gast in Hotel Lux. In Amsterdam ontmoette hij Emmy Leonard. Zij krijgen twee dochters, van wie de eerste geboren wordt in Moskou. Terwijl Edo Europa doorkruist voor vakbondswerk, verblijft Emmy in Hotel Lux, waar ze bevriend raakt met May O’Callaghan. Emmy en May vertrekken op tijd uit de Sovjetunie en ontkomen aan de Stalinterreur. De vriendschap tussen de twee vrouwen en de lotgevallen van hun kinderen vormen een van de bouwstenen van het boek. Interessant, maar toch niet zo aan mij besteed. Overigens lijkt het leven van Edo Fimmen, die niet alleen als vakbondsman actief was, maar zich ook flink verzette tegen het fascisme, mij een biografie waard.*) En wie wat meer wil weten over Emmy Leonard; handig om te weten dat zij onder verschillende namen door het leven ging, waaronder Alida Kammerer en Alida de Jäger.         

(In een aflevering van Andere Tijden uit 2014 komt Hotel Lux aan bod. Daarin ook aandacht voor de lijntjes die vandaar liepen naar de communisten in Nederland.)

——————-

*) Dat had ik goed ingeschat. Dit stukje stond nog niet online of ik kwam die biografie tegen: Edo Vlimmen. De wereld als Werkterrein, van Hans Schoofs, verschenen in 1997.  

——————-

Rusland in de 20ste eeuw – 6: Biopiraterij van een Nazi: de jacht van Heinz Brücher op de zadenbank van Nikolaj Vavilov

——————————-

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

Nikolaj Vavilov

Op 17 december 1991 vindt de politie in een ranch in het Argentijnse Mendoza het lijk van Heinz Brücher. Zijn handen zijn vastgebonden, hij is gewurgd. Voor het huis staat een enorm beeld van een roofvogel met gespreide vleugels, in de stijl van de Reichsadler. Binnen vindt de politie een grote hoeveelheid nazi-propagandamateriaal. Met het gewelddadige einde aan het leven van Brücher komt er ook een einde aan de zendingen die het vermaarde Vavilov Planten Instituut in Leningrad met enige tussenpozen ontving uit Argentinië; pakketjes met allerlei zaden.

In The Forbidden Garden of Leningrad. A True Story of Science in a City under Siege, beschrijft Simon Parkin de lotgevallen van de enorme ‘plantenbibliotheek’ en zadenbank in Leningrad, het levenswerk van de internationaal vermaarde wetenschapper Nikolaj Vavilov. Vavilov werd nog voor de Duitse invasie van de USSR opgepakt en stierf in gevangenschap, slachtoffer van de Stalinterreur. Zijn medewerkers, onwetend van het lot van hun directeur, waakten tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen honger het belegerde Leningrad richting de afgrond duwde, over de unieke collectie zaden. Meerderen van hen stierven, omgeven door materiaal dat hen van de hongerdood had kunnen redden.

In grote lijnen (niet in de verste verte zo gedetailleerd als beschreven in Parkins boek) was ik bekend met het verhaal van het Vavilov Instituut. Nieuw voor mij was de Duitse lijn in dat verhaal; de jacht die door een Duitse wetenschapper, Heinz Brücher, tijdens de oorlog op de unieke zadenbank, met honderdduizenden monsters, werd gemaakt.

Het Plant Instituut in de jaren twintig

De 26-jarige Brücher trok als artillerie-officier in 1941 met het Duitse leger op richting Moskou. Zijn hoofd had hij echter niet bij de Russische hoofdstad. Hij had een studie biologie afgerond en wist, zoals veel geleerden in het Westen, van de unieke zadenbank in Leningrad. Dáár had hij zijn zinnen op gezet. En niet alleen in Leningrad vermoedde hij een rijke buit, het Vavilov Instituut had verspreid over de Sovjetunie meerdere dependances, onder meer in het noorden en in steden als Kyiv en Cherson. De bruikbaarheid van de zaden werd zo getest onder verschillende klimatologische omstandigheden, er werd geëxperimenteerd met nieuwe, sterke varianten om hongersnoden in de toekomst te voorkomen. Leningrad bleef buiten bereik, maar elders sloeg Brücher wel zijn slag: met een SS sammelkommando legde hij de hand op een enorme hoeveelheid zaden. De buit van deze biopiraterij werd naar het Oostenrijkse Lannach gebracht. Daar moest ze samen met een collectie die vijf jaar eerder uit Tibet was meegenomen, de basis gaan vormen van een nieuw SS instituut voor plantengenetica. Zover kwam het niet.

Heinz Brücher

Brücher nam na de oorlog de wijk naar Argentinië met medeneming van een flinke hoeveelheid ‘Vavilov-zaden’. Het lot daarvan is onduidelijk (net als dat van de zaden uit Lannach die via een Engelse militair in Engeland belandden). Wel stuurde Brücher, aan te nemen valt als een soort wiedergutmachung, regelmatig pakketjes met zaden naar Leningrad. Over zijn dood in 1991 doet het verhaal de ronde dat hij op het punt stond om naar buiten te komen een methode om door een schimmel coca-plantages in Bolivia te vernietigen.

Het overgrote deel van The Forbidden Garden of Leningrad gaat níet over de rooftocht van Brücher; Simon Parkin beschrijft vooral het gevecht van de medewerkers van het instituut om hun unieke collectie onbeschadigd door het verwoestende beleg van de stad heen te krijgen. Dit tegen de achtergrond van de terreur, waarbij hun grote inspirator Vavilov onoverwinnelijke krachten tegenover zich vond. Stalin had de kant gekozen van de charlatan en pseudo-wetenschapper Trofim Lysenko, die met zijn loze theorie over de invloed van de omgeving op de erfelijke eigenschappen van gewassen de genetica in een duister daglicht had geplaatst. Het levert een fascinerend en beklemmend verhaal op. Vooral ook is het boek een eerbetoon aan de vele medewerkers die in het hongerige Leningrad hun zadenbank grotendeels wisten te beschermen tegen de vrieskou, tegen dieven en ongedierte. Niet voor niets sluit Parkin af met een lijst van die medewerkers, met hun specialisme en - indien beschikbaar - hun foto. Bij negentien van staat als doodsoorzaak: starvation.

Om dit stukje met een wellicht iets te lichte toets af te sluiten: schrijvers van scenario’s in Hollywood (en elders), lees dit boek!

De foto’s hieronder tonen delen van de zadenbank in recentere tijden.

Foto: Michel Chauvet, 2017 (CC-BY-SA-4.0)

Foto: Michel Chauvet, 2017 (CC-BY-SA-4.0)

Foto: Luigi Guarino, 2009 (CC BY 2.0)

——————-

Stagnerend Rusland, opstand in Norilsk, heimwee naar Leningrad – drie boeken.

—————————

Arnout Brouwers maakte onlangs in de Volkskrant, in een artikel over de ‘nieuwe’ Ruslandstrategie van minister Blok, gewag van een veelal westers gerichte bevolking in Rusland, “die – los van de greep van het Kremlin – het land ingrijpend aan het veranderen is”. Vladimir Inozemtsev zal dat, getuige de sombere analyse in zijn boek Nesovremennaja strana (Niet-modern land) een veel te optimistische bewering vinden. 

Econoom en politicoloog Inozemtsev windt er, in heldere en bedachtzame taal, geen doekjes om: het niet-moderne Rusland raakt technologisch en economisch hopeloos achterop en is in een tijd van globalisering steeds minder bij machte om te concurreren. Rusland, vervuld van revanchisme en heimwee naar het verloren Sovjet-imperium, zit vastgepind in de groep van verliezers. De schuldige (Inozemtsev spreekt in dit verband van landverraad) is een elite, die zich niet verantwoordelijk voelt voor de staat (государство), maar die de staat gebruikt als verdienmodel. Die elite, niet geïnteresseerd in de ontwikkeling van een kennis-economie, zet onvoldoende in op innovatie en isoleert zich van de buitenwereld. Ze is slechts bezig met de verdeling van de overvloedige opbrengsten uit grondstoffen en heeft geen enkele baat bij verandering. Stabiliteit is het toverwoord en wat dat betreft kunnen de machthebbers en hun trawanten, aldus Inozemtsev, rustig slapen.

Kenmerkend voor een moderne maatschappij is, nog steeds volgens Inozemtsev, een effectieve interactie tussen overheid en individu, en ook op dat gebied blijft Rusland achter. De Russische burger beschikt niet over kanalen om de machthebbers onder druk te zetten. Problemen worden opgelost middels corruptie en connecties. Vakbonden hebben geen invloed, politieke partijen zijn lege hulzen. Georganiseerde protestacties zijn schaars en hebben nauwelijks effect. Inozemtsev spreekt in dit verband van een geatomiseerde, individualistische samenleving. Een opvallende diagnose (‘individualistisch’ is een etiket dat meestal juist, en zeker door Rusland, op het Westen wordt geplakt), maar eentje die de spijker op de kop slaat. 

Een uitgebreide Russische bespreking van Inozemtsevs boek vindt u hier.

———————

Van een heel andere orde, geschreven in wat minder toegankelijk Russisch, is Vosstanie (Opstand) van journalist/schrijver Nikolaj Kononov. Daarin wordt het loodzware levenspad beschreven van Sergej Solovjov, een van de leiders van de befaamde opstand van gevangenen in Norilsk in 1953. Solovjov liet bij zijn overlijden in 2009 nauwelijks documenten na en had zich eerder ook slechts mondjesmaat uitgelaten over zijn verleden. Kononov maakte gebruik van memoires van anderen en kreeg ook hulp van Memorial, de onvolprezen organisatie die de schijnwerpers op de Stalin-terreur gericht blijft houden. Kononov hanteert een vrij ongebruikelijk procedé: hij verplaatst zich in Solovjov en schrijft in de ik-persoon. Solovjov raakt in de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen, sluit zich aan bij het Russisch Bevrijdingsleger van generaal Vlasov, weigert mee te doen aan acties tegen partizanen, belandt in concentratiekamp Natzweiler, ontsnapt, leeft na de oorlog enkele jaren in Charleroi, keert terug naar de USSR in de ijdele hoop zijn familie terug te zien, wordt in 1949 voor zijn desertie veroordeeld tot 25 jaar kamp, is een van de aanstichters van de mislukte opstand in Norilsk, belandt in Kolyma, waar een vluchtpoging mislukt; nadat hij zich met twee maten maanden heeft schuilgehouden in oude mijnschachten, wordt hij gepakt. In 1955 wordt hij opnieuw tot 25 jaar veroordeeld, en die straf zit hij uit. Zo ver gaat Kononov in zijn boek (aangeduid als ‘documentaire roman’) niet mee met Solovjov; hij zet een punt na diens mislukte vluchtpoging in Kolyma. Vosstanie staat op de korte lijst van de literaire premie NOS.

Een bespreking van Kononovs boek vindt u hier, een interview met de schrijver hier.

———————-

Wie twijfels zet bij het nut van culturele en wetenschappelijke contacten met Rusland, dient onverwijld het zeer prettig leesbare Van Leningrad naar Sint-Petersburg. Nederlandse herinneringen aan een wonderlijke stad aan te schaffen. Onder redactie van Arthur Langeveld en Wil van den Bercken (die beiden ook een bijdrage leverden) schrijven enkele vooraanstaande Ruslandkenners over de tijd die zij, steeds in het kader van wetenschappelijke of culturele contacten, doorbrachten in Ruslands tweede stad, variërend van enkele maanden tot meerdere jaren. De kennis die zij van land en taal opdeden, is nog altijd onbetaalbaar.

In het kader van mijn studie verbleef ook ik langere tijd in Rusland, en al was dat niet in Leningrad, maar in Voronezj, de verhalen in het door Pegasus uitgegeven boek zijn voor mij een feest van herkenning. Stikjaloers ben ik op Hella Rottenberg, die tijdens een 1-mei-demonstratie een portret van Leonid Brezjnev mocht dragen! Ik liep ooit mee in een demonstratie in Voronezj, samen met medebewoners van mijn studentenflat. Wij riepen – we hadden al een borreltje op – onze eigen leuze: “Leve de eendrachtige samenwerking tussen de Sovjet-arbeiders en de Hollandse bourgeoisie!”, gevolgd door een luidkeels: hoera! Ook leuk, maar het zinkt in het niet, potverdorie, bij dat Brezjnev-portret van Hella. Mooi ook om over het contrast te lezen tussen het verstilde Leningrad uit de studietijd van Langeveld en Van den Bercken, en het steeds woeligere Sint-Petersburg tijdens het verblijf aldaar van Aai Prins. En wist u dat de gordijnen in het eerste onderkomen van het NIP, het Nederlands Instituut, de goedkeuring konden wegdragen van niemand minder dan Jan des Bouvrie?

Een ding viel me wel een beetje tegen, bij de beschrijving van de studentenflats waar men indertijd verbleef: het gemiep van mijn ‘lotgenoten’ over het feit dat men in Leningrad zijn of haar kamer met een of twee anderen moest delen. Nou ja, zeg! Wij, in Voronezj, deelden ons bescheiden aantal vierkante meters met z’n vieren!   

“Leve de eendrachtige samenwerking tussen de Sovjet-arbeiders en de Hollandse bourgeoisie! Hoera!” (Mocht Hella mij een foto kunnen leveren waarop zij Leonid Brezjnev torst, dan wordt die hier natuurlijk onverwijld geplaatst.)