literatuur

Criticus Dmitri Bykov, het Reformatorisch Dagblad en mijn leeslijst

———————-

Foto: M. Nakoykher ( Creative Commons )

Foto: M. Nakoykher (Creative Commons)

———————-

Zal ik dan maar eens beginnen met Een kleine demon van Fjodor Sologoeb, uit 1907? Zet ik dat boven aan het lijstje van beslist nog te lezen boeken? Dat lijstje van me is aardig opgeschud en aangevuld, bij lezing van het eerste deel van Dmitri Bykovs 100 lezingen over de Russische literatuur van de 20ste eeuw. Literair criticus, dichter en veelschrijver Bykov (1967) wijdt telkens één lezing aan één boek uit elk jaar van de vorige eeuw, in deel 1 loopt dat tot en met 1950. De lezingen werden alle uitgezonden door tv-zender Dozjd, in boekvorm beslaan ze elk zo’n tien á vijftien pagina’s.  

Sologoeb, zo begrijp ik van Bykov, beschrijft in Een kleine demon het verstikkende bestaan van Ardalon Peredonov, leraar op een school in de provincie. Hij is ervan overtuigd dat iedereen in zijn omgeving deel uitmaakt van één grote samenzwering en geeft voortdurend iedereen aan.  “Peredonov is niet alleen het toonbeeld van Russische provinciale domheid, maar ook van onverzadigbare kwaadaardigheid”, aldus Bykov, die voor de leraar en het leven om hem heen een prachtig, onvertaalbaar verzamelwoord gebruikt: peredonovsjtsjina. De kleine demon is volgens Bykov een boek van “peilloze wanhoop”. Heb je last van depressies, lees het boek dan vooral, adviseert hij, want je denkt daarna: zo slecht gaat het nou ook weer niet met mij. Nu heb ik gelukkig geen last van depressies, maar Een kleine demon ga ik wel lezen.    

Links deel 1 van de serie lezingen, rechts deel 2, dat ik nog niet heb gelezen.

Links deel 1 van de serie lezingen, rechts deel 2, dat ik nog niet heb gelezen.

Bykov zet aan de ene kant aan tot lezen, maar komt ook met genoeg titels voor de dag waarvan je na zijn toelichting weet: dat hoef ik niet in huis te halen. Dat hij bij elk van dat soort boeken toch steeds weer met interessante details en achtergronden op de proppen komt, maakt zijn 100 lezingen … zo leuk. Zo kwam ik Vladimir Kirsjon weer tegen, een abject figuur die ten tijde van de Stalinterreur vrolijk meedeed aan de openbare verkettering van ‘volksvijanden’, zelf de kogel kreeg en eigenlijk alleen nog bekend is door de tekst die hij schreef van het lieftallige liedje Ja sprosil u jasenja. Over hem schreef ik eerder een stukje met daarin, begrijp ik nu van Bykov, een duidelijke fout. Iedereen – ik dus ook – schrijft maar dat Ja sprosil u jasenja uit een toneelstuk van Kirsjon komt met de titel Verjaardag. Maar, aldus Bykov, “Kirsjon heeft helemaal geen toneelstuk Verjaardag geschreven, wél een toneelstuk getiteld De grote dag”. En daaruit komt dat bekende lied. De grote dag ga ik niet lezen, maar de fout in dat eerdere stukje van me over Kirsjon heb ik inmiddels hersteld.     

Wie heb ik, dankzij Bykov, naast Sologoeb nog meer aan mijn leeslijst toegevoegd? In elk geval Sofja Petrovna van Lidija Tsjoekovskaja. Tsjoekovskaja kende ik vooral als steun en toeverlaat van Anna Achmatova en ook vanwege haar hulp aan dissidenten in de jaren zestig en zeventig. Ook de titel Sofja Petrovna kende ik, maar nu ga ik het lezen ook. Ze schreef het in 1939, in een tijd dat Achmatova nieuw geschreven gedichten uit het hoofd leerde en daarna voor de veiligheid verbrandde. Tsjoekovskaja bewaarde het schrift waarin ze Sofja Petrovna had geschreven, maar kwam er pas eind jaren vijftig mee voor de dag. Het ging van hand tot hand in samizdat en werd in de jaren zestig in het buitenland uitgegeven. In de USSR gebeurde dat pas in 1988. Volgens Bykov is Sofja Petrova “het enige rechtstreekse verslag uit de terreur”. Sofja Petrovna is een eenvoudige typiste. Haar zoon word gearresteerd om niets en zij accepteert zijn en haar eigen lot gaandeweg gelaten. En zo waren de meeste mensen, aldus Bykov. “Dat is het meest waardevolle aan het verhaal van Tsjoekovskaja, los van het feit dat het een rechtstreeks verslag is uit 1939. Het gaat over een vertegenwoordiger van de meerderheid. Er zijn twee van dat soort teksten in de Russische literatuur, de tweede is Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj [van Aleksandr Solzjenitsyn].” Sofja Petrovna is “een eeuwig document, een onthutsend portret van een tijdperk”.      

En verder, wat komt er nog meer op mijn stapel?… Petersburgse dagboeken van Zinaïda Gippius, De dagen van de Toerbins van Michail Boelgakov en Egyptische postzegel van Osip Madelsjtam. Alle drie dankzij die bijna onuitputtelijke bron, Dmitri Bykov.

Fjodor Sologoeb

Fjodor Sologoeb

Overigens, toen ik opzocht of Een kleine demon in het Nederlands is vertaald (dat is het), stuitte ik op een recensie uit 1972 uit het Reformatorisch Dagblad. Daarin staat onder meer: “Negatief in dit boek is ook het wel functionele, maar daarom niet minder hinderlijke en verwerpelijke, taalgebruik; naast enkele vloeken komen er nogal wat ruwe termen in voor, die het knap geschreven boek ontsieren, zelfs wanneer men in aanmerking neemt, dat de Russen nog immer hun gesprekken graag doorspekken met rauwe kreten en de grofste verwensingen, die zelden „correct" in het Nederlands zijn over te brengen. Ook negatief is het verweven in het verhaal van een aantal tamelijk erotische en flagellantistische passages, zonder welke de eenheid in de compositie geen enkele schade zou hebben ondervonden. Desondanks is dit boek de moeite van het lezen wel waard, maar voor een select publiek.”

En wie wil er nou niet tot een select publiek behoren.

Vampiers in een pionierskamp: een mooi vakantieboek van Aleksej Ivanov

—————————

njYMQaT2tbI.jpg

Nooit gedacht dat ik nog eens plezier zou beleven aan een boek waarin vampiers een belangrijke rol spelen, terwijl ik gewone sprookjes al niet trek. Aleksej Ivanov kreeg het voor elkaar met zijn Пищеблок / Pisjtsjeblok. Ik nam het met een zekere aarzeling ter hand. Kon Ivanov zo kort na het indrukwekkende, omvangrijke, tweedelige Tobol (over Siberië ten tijde van Peter de Grote) alweer met iets lezenswaardig voor de dag komen? Kon Pisjtsjeblok niet alleen maar tegenvallen?

‘Pisjtsjeblok’ vertaal ik maar even als kantine, in dit geval van een pionierskamp aan de Wolga, in de buurt van Koejbysjev, het huidige Samara. We schrijven de zomer van 1980. In Moskou zijn de Olympische Spelen gaande, die in het kamp op de televisie worden gevolgd. Pisjtsjeblok is niet alleen veel korter dan Tobol (ruim 400 niet al te dik bedrukte pagina’s), maar ook ‘kleiner’; hier geen weidse panorama’s of historische vergezichten, geen veldslagen (nee, uiteraard niet), geen Zweedse gevangenen, geen bezeten architect, geen tsaar, geen gouverneur, geen gruwelijk geweld – nee, alleen maar een bijna aandoenlijk zomerkamp, dat veel van Ivanovs Russische lezers bekend zal voorkomen. Want wie van de wat oudere onder hen heeft niet een paar zomerweken doorgebracht in een dergelijke omgeving, met het hijsen van de vlag in de morgen, de competitietjes, de muurkant, vluchtige vriendschappen en verliefdheden en kasja en kompot in het pisjtsjeblok.   

Het is opmerkelijk hoeveel registers Ivanov als schrijver kan opentrekken. Het wat logge en (voor niet-Russen) bepaald niet eenvoudige Russisch uit Tobol, dat naadloos aansluit bij het zware historische thema ervan, heeft in Pisjtsjeblok plaatsgemaakt voor een laconiek taaltje, vaak gewoon straattaal, waarmee de jongens en meisjes hun plaats in de pikorde bevechten. En ondanks dat gevecht is het kamp aan de Wolga toch vooral een kneuterig geheel. Het voetbalelftal traint, het koor oefent, de muurkrant moet gevuld en ’s nachts wordt de strijd aangegaan met de muggen. De ideologische rituelen, met het gehamer op het ‘collectief’, mogen inmiddels (het is 1980) veel aan zeggingskracht hebben verloren, ze zorgen nog wel voor structuur.

Voor één pioniertje, de fysiek kwetsbare Valerka (die ook nog eens een bril draagt), hebben alle woorden over het collectief, over vriendschap en gemeenschapszin nog wel degelijk betekenis. Hij neemt bijna alles letterlijk, zoekt naar echte vrienden, en juist hij wordt verraden na een kwajongenstreek en door zijn brigade, zijn collectief, publiekelijk veroordeeld. Bijna wordt hij zelfs naar huis gestuurd. Maar wat hem redt is dat hij inmiddels ontdekt heeft dat er meerdere vampiers in het kamp zijn, die zich overdag voordoen als gewone pioniertjes, maar ’s nachts bloedzuigend steeds meer jongens en meisjes in hun netten vangen.

Valerka weet een van de kampleiders te overtuigen van zijn verhaal en samen met hem – een echte vriend – gaan ze de strijd aan met de vampiers. Die leider is het ook die hem in bescherming neemt en hem in het kamp weet te houden.

Het is verleidelijk om in de confrontatie met de vampiers – tegen de achtergrond van allerlei Sovjet-symbolen in het kamp - een metafoor te zien, zoals dat in enkele recensies gebeurt. Beschrijft Ivanov niet gewoon de strijd van de communistische machthebbers met de burgers? Is de communistische ideologie een bloedzuiger geworden? Ik heb me daar bij het lezen geen moment mee beziggehouden. Pisjtsjeblok is gewoon een vermakelijk boek, vol met Sovjet-nostalgie en vol met vrolijke, af en toe nogal grove taal van straatschoffies. En de ontknoping van de strijd tegen de vampiers, in de kantine en op een boot op de Wolga, vond zelfs ik spannend.

Blijft dat verrassende contrast met het tweedelige Tobol. Bestsellerauteur Galina Joezefovitsj wees er ook op. Pisjtjeblok noemt ze deugdelijk commercieel proza, maar je zet het niet op dezelfde plank als Tobol. Inderdaad, Tobol lees je thuis op de bank of in de studeerkamer, Pisjtsjeblok neem je mee op vakantie.

Recensies (Russisch).
Bron foto’s.

Haal Lenin van de roebel! De dichter en de zanger contra het hoofd van de Staatsbank

—————

 
 

Wat ze daar nou mee aan moesten, de Sovjet-autoriteiten – ze wisten het niet. Dus verboden ze het maar – of toch weer niet. Andrej Voznesenski (1933-2010), behorend tot de Zestigers, een groep schrijvers, dichters en filmers die de grenzen van het toelaatbare probeerden op te rekken, schreef in 1966 een gedicht met de titel: Haal Lenin van het geld! Daarin riep hij de overheid op om de kop van Lenin van de roebelbiljetten te verwijderen.  Ontroerend is het werkje niet, wel curieus:

(Ik heb bij de vertaling geen moeite gedaan om rijm en metrum te behouden. Daarmee gaat weinig verloren.)

Я не знаю, как это сделать,
Но, товарищи из ЦК,
уберите Ленина с денег,
так цена его высока!
Понимаю, что деньги – мера
человеческого труда.
Но, товарищи, сколько мерзкого
прилипает к ним иногда…
Я видал, как подлец
мусолил по Владимиру Ильичу.
Пальцы ползали малосольные
по лицу его, по лицу!
В гастрономовской бакалейной
он хрипел, от водки пунцов:
«Дорогуша, подай за Ленина
два поллитра и огурцов».
Ленин – самое чистое деянье,
он не должен быть замутнён.
Уберите Ленина с денег,
он – для сердца и для знамён.

Ik weet niet hoe dat moet,
Maar, kameraden uit het Centraal Comité
Haal Lenin van het geld,
hij is van te veel waarde!
Ik begrijp dat geld de maat is
van mensenarbeid.
Maar, kameraden, hoeveel smerigheid
blijft er soms aan hem kleven …
Ik zag hoe een snoodaard
Vladimir Iljitsj beduimelde.
Zoutige vingers gleden
over zijn gezicht, zijn gezicht!
Bij de kruideniersafdeling
zei hij schor, vuurrood van de wodka:
“Liefie, geef me voor een Lenin
twee halveliters en augurken.”
Lenin is de zuiverste daad,
die mag niet vertroebeld raken.
Haal Lenin van het geld,
hij is voor het hart en voor de vaandels

Voznesenski las het gedicht in 1966 voor tijdens een optreden in de Oezbeekse hoofdstad Tasjkent, kort nadat die stad was getroffen door een zware aardbeving. Hij werd daarop uitgenodigd bij de plaatselijke partijleider Sjaraf Rasjidov, die hem duidelijk maakte dat dergelijke heiligschennis (Lenin gelijkstellen aan twee halve liters en augurken) natuurlijk niet kon. Rasjidov vertelde de dichter dat hij binnenkort in Moskou zou zijn en daar de kameraden van een en ander op de hoogte zou brengen. De partijleider wist in het verre Tasjkent niet dat het gedicht van Voznesenski al een tijdje deel uitmaakte van het theaterstuk Antimiry, dat met veel succes werd opgevoerd in het Tagankatheater in Moskou.

Andrej Voznesenski

Verrassend genoeg verscheen Haal Lenin van het geld! wel in 1967 in het maartnummer van Zvezda Vostoka (Ster van het Oosten), het tijdschrift van de Oezbeekse Schrijversbond. Alle honoraria van dat nummer waren bestemd voor het herstel van Tasjkent. De redactie van het tijdschrift bleek met de publicatie van het gedicht zijn hand te hebben overspeeld en werd ontslagen.

Je kan je bij de onduidelijke status van het gedicht wel iets voorstellen. Ja, het is een loflied op Lenin, zijn ‘zuivere’ beeld mag niet bezoedeld. Maar was dit loflied niet ook een vorm van indirecte kritiek? Dat er onderweg naar het communisme ergens een verkeerde afslag was genomen? Daar hadden die Zestigers vaker een handje van: Lenin op een voetstuk plaatsen en zodoende eigenlijk aan schoppen tegen bijvoorbeeld Stalin (die Lenins erfenis zou hebben bezoedeld), en vervolgens ook tegen de eigentijdse leiders. En het was sowieso vrij brutaal, natuurlijk, een dergelijke onverbloemde oproep richten aan de hoge heren van het Centraal Comité.

Aleksej Poskonov

Het hoofd van de Staatsbank, Aleksej Poskonov, liet het er in elk geval niet bij zitten. Nadat het gedicht van Voznesenski op 24 maart 1967 ook was verschenen in het weekblad Literatoernaja Rossija, wendde hij zich (bijna een maand later) met een klacht tot het Centraal Comité. Volgens Poskonov was het geheel van een “zeer bedenkelijk artistiek niveau” (daarin had hij gelijk) en “ideologisch schadelijk”. Lenins portret op de bankbiljetten weerspiegelde immers de eerbied van het volk voor de grondlegger van de grootste veranderingen en successen van het Sovjetvolk bij de bouw van het socialisme en communisme. De publicatie in Literatoernaja Rossija was dus een “grove fout”, aldus Poskonov, die het Centraal Comité er ook op wees dat Haal Lenin van het geld! op het repertoire stond van het Tagankatheater en of men daar ook maar even naar wilde kijken.

De Afdeling Cultuur van het Centraal Comité kwam op 3 juli met een antwoord, dat Poskonov ernstig moet hebben teleurgesteld. Het hoge partijorgaan zag “geen enkele aanleiding om het lyrische gedicht van de dichter te beschouwen als een concreet, zakelijk voorstel om nieuwe bankbiljetten in te voeren. Wij zijn van oordeel dat bemoeienis van het CC CPSU niet vereist is”.

Was de kous daarmee af, voor het gedicht van Voznesenski? Nou nee. Componist Andrej Petrov nam het op in zijn Pathetisch Poëem, dat bestond uit op muziek gezette gedichten over Lenin. Hij schreef het stuk in 1969 ter ere van de honderdjarige geboortedag van Lenin, het jaar daarop. Hij koos onder meer voor Haal Lenin van het geld! en dat gaf – u raadt het al – gedonder. Maar laten we eerst even luisteren hoe dat klonk, dat gedicht van Voznesenski op muziek van Petrov, in de uitvoering van Edoeard Chil (Эдуард Хиль).

—————-

Edoeard Chil

 Chil herinnerde zich later hoe er kort voor een uitvoering van het Pathetisch Poëem in Moskou iemand op hem af stapte, een rood pasje liet zien en hem vertelde dat Vosnesenski’s gedicht niet gezongen mocht worden. Toen het orkest aan dat gedeelte was toegekomen, zei Chil: “Stop.” Na afloop vroeg Petrov waarom hij het gedicht niet had gezongen, waarop Chil vertelde over de man met het rode pasje. Bij verdere uitvoeringen van het poëem, werd Haal Lenin van het geld! vervangen door een gedicht van Majakovski.

“De censuur heeft nooit toegestaan dat het in een bundel van mij kwam”, zei Vosnesenski in 1998 in een interview. Of dat ooit nog wel is gebeurd, heb ik niet uitgezocht. Verder kan ik het niet laten om een oordeel van Joseph Brodsky te citeren over Vosnesensky’s dichterschap: “Die man bezit het unieke vermogen om met zijn regels een fysieke reactie van misselijkheid op te roepen.”  

Op de golven van griep - een koortsachtig boek dat met literaire prijzen aan de haal ging

———————

Wacht even – dat mes, in haar tas … Heeft mevrouw Petrova nou echt …? En haar man, meneer Petrov, met dat pistool op de kamer bij een vriend, een miskende schrijver die aandringt dat hij hem vermoordt… Meneer en mevrouw Petrov uit Jekaterinburg zijn beiden ziek, in elk geval fysiek, maar zijn ze ook geestelijk niet helemaal lekker? De griep heeft de twee flink te pakken, koortsige visioenen spelen op en als lezer word je af en toe flink op het verkeerde been gezet. Of toch niet?

Aleksej Salnikov (1978), woonachtig in Jekaterinburg, brak het afgelopen jaar door met Петровы в гриппе и вокруг него / Petrovy v grippe i vokrug nego (tja, hoe vertaal je dát nou). Hij won er de Nationale Bestseller-prijs mee en de NOS-jury-prijs (НОС in het Russisch), en het is weer eens een moderne Russische roman die ik niet na een bladzij of dertig heb weggelegd – al scheelde dat niet veel.

Meneer en mevrouw Petrov hebben een zoontje, Jonge Petrov, zoals hij in het boek heet. En ook hij heeft een flinke griep te pakken. Salnikov volgt de drie familieleden in afzonderlijke hoofdstukken, elk in hun eigen alledaagse, provinciale werkelijkheid. Daarbij gebeurt aanvankelijk weinig en mede door de laconieke taal die Salnikov hanteert, vraag je je af wat je nou precies krijgt voorgeschoteld en wat daar nou boeiend of pakkend aan is. Maar dan begint er langzaam iets te schuiven en word je meegenomen in een wereld die door het koortsige prisma van de familie Petrov scheef komt te staan – of toch niet … Bij meneer Petrov, die zijn geld verdient als automonteur, worden de dampen van de griep nog eens vermengd met die van een flink drinkgelag, dat eindigt in een verre buitenwijk bij een oude klant van Petrov, die nog een appeltje met hem te schillen heeft. Er is ook nog een rol voor een lijk en een lijkwagen. Petrov vraagt zich de dagen erna – net als de lezer – af of hij dat alles nou wel echt heeft meegemaakt.

Aleksej Salnikov. (Foto: Dmitri Rozjkov / CC BY

De taal van het boek blijkt gaandeweg een van Salnikovs troeven. Die is inderdaad alledaags, maar met af en toe verrassende beelden en onverwachte wendingen weerspiegelt ze het alledaagse leven in Rusland, dat doorgaans wat minder voorspelbaar is dan in Nederland. Wie die dagelijkse onvoorspelbaarheid (gekoppeld aan enig absurdisme) van Rusland ooit heeft ervaren, zal het wisselende wel en wee – en mogelijk ook de alcoholische buitelingen – van de Petrovs bekend voorkomen. Daarnaast roepen allerlei details (de geur van een trappenhuis, een venijnige woordenwisseling in een taxibusje) het verlangen op om snel weer naar Rusland af te reizen – of juist het voornemen om dat voorlopig maar niet te doen. Dat Petrovy v grippe i vokrug nego zich in een stad in de Oeral afspeelt, en niet ‘gewoon’ in Moskou of Sint-Petersburg, maakt het nog aardiger.

Het drievoudig perspectief, van vader, moeder en zoon, werkt verrassend. Denk vooral niet dat je iemands oordeel over jezelf altijd juist inschat. In het laatste hoofdstuk komt er nog een vierde blik bij, die van een studente Engels, die als bijbaantje Snegoerotjska (het hulpje van Vadertje Vorst) speelt op een Nieuwjaarsfeestje voor kinderen. En laat dat nou net het feestje zijn waar de zieke Jonge Petrov zo graag naartoe wil. Snegoerotsjka neemt Jonge Petrov bij de hand en schrikt van zijn koortsige warmte. Waar komt die studente Engels opeens vandaan? Je verwacht dat zij, zo helemaal aan het eind van het boek, als buitenstaander, nog een verhelderend licht werpt op de rare gebeurtenissen in de hoofdstukken eerder. Of dat ook echt gebeurt, verklap ik niet.

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 3

————————

Voronezj, september 1981.

“We zijn het er toch over eens dat de wetenschap moet zoeken naar de waarheid?” Het was de vraag  waarmee de zitting werd geopend. Ik bevond mij in een lokaaltje op de Universiteit van Voronezj, tegenover de zes (en niet drie, zoals ik in deel 2 schreef) docentes van de vakgroep Buitenlandse Literatuur. De openingsvraag, gesteld door mijn wetenschappelijk begeleidster, kon ik met een volmondig ja beantwoorden, maar daar hield de eensgezindheid wel mee op.

Onderwerp van de zitting was de samenvatting die ik had ingeleverd van mijn afstudeerscriptie, waaraan ik de maanden ervoor had zitten werken op het studiezaaltje van de studentenflat, aan de Oelitsa Fridricha Engelsa 10A. Het had me nogal wat moeite gekost, te midden van het vrolijke vertier op de flat, maar de scriptie was zo goed als af en ik was best tevreden met het resultaat. Dat mijn bevindingen bij de leden van de vakgroep niet in de smaak zouden vallen, had ik wel bevroed, maar de toon van de bijeenkomst overviel me toch een beetje. Mijn begeleidster zei dat ze “teleurgesteld en zelfs gekrenkt” was.

Mijn scriptie beschreef de wijze waarop de literatuurkritiek in de Sovjetunie tegen het werk van Charles Dickens aankeek. Mijn conclusies waren niet wereldschokkend. De Sovjet-blik was nogal eenzijdig, met te veel nadruk op de negatieve wijze waarop mijn favoriete schrijver het kapitalisme in het Victoriaanse Engeland belichtte. Andere aspecten (taal, humor, levenslust) bleven onderbelicht. Ook had ik geschreven dat het literaire leven in de USSR per definitie minder opwindend was dan in het Westen, doordat boeken die niet voldeden aan de ideologische eisen, domweg niet konden verschijnen. Met dat laatste punt, denk ik nu, zat ik deels mis. Juist in de Sovjet-literatuur kwamen sociale thema’s aan bod die elders niet behandeld konden worden en dat maakte de boeken vaak juist spannend – al moest je wel tussen de regels door kunnen lezen.

Universiteit van Voronezj, rond 1980 (?). Op het dak de leuze: LEVE HET MARXISME-LENINISME!

Ik zat in de geriefelijke positie dat ik me van het oordeel niets hoefde aan te trekken. (Een student op de flat verzekerde me dat hij een dergelijk werkstuk nooit zou hebben ingeleverd, hij had het gegarandeerd over moeten doen.) Ik vertrok korte tijd later naar Nederland, waar ik een mooie acht kreeg voor de scriptie. Het tijdschrift Intermediair kwam een jaar later met een themanummer over Rusland. Beursstudenten konden een stukje inleveren over hun ervaringen daar. Dat van mij, over de botsing in dat zaaltje op de universiteit, behoorde tot de ‘prijswinnaars’ en werd geplaatst.

En Dickens, hoe zou het daarmee zijn?, vroeg ik me af in deel 1. Ik bedoelde natuurlijk: zou de Dickens met wie ik me zo verwant voelde, mijn eerste literaire liefde, die me zo veel leesplezier had bezorgd en die me door mijn scriptie had geloodst, voor mij ook nu nog wel bestaan? Om dat te ontdekken, zou ik zijn boeken weer ter hand moeten nemen – en dat lijkt me geen goed idee. Laat het maar zo.

Charles Dickens (1812-1870)

Het doet me denken aan een voorval uit Dickens leven. Als jongeman, nog onbekend, was hij hopeloos verliefd geweest op een meisje, Maria Beadnell. Dickens was gezien zijn plek op de sociale ladder kansloos. Zijn latere huwelijk was ongelukkig. 24 jaar nadat hij Maria voor het laatst had gezien, kreeg hij plots een brief van haar. De twee ontmoetten elkaar opnieuw, waarbij het beeld dat Dickens had van zijn jeugdliefde aan scherven viel. Maria drong aan op nog een ontmoeting, Dickens ontweek haar.





Deel 1 en deel 2.

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 2

———————

Robert William Buss – Dickens’ Dream (uitleg onderaan)

In december 1979 viel de Sovjetunie Afghanistan binnen en mij kwam dat uiteindelijk – het klinkt een beetje raar – niet slecht uit. Er liep een aanvraag van me voor een studiebeurs in Rusland en daar ging meteen een streep door; de culturele en wetenschappelijke contacten met de USSR werden op een laag pitje gezet. Een jaar later, nadat de diplomatieke rook wat was gaan liggen, kwam er bericht uit Den Haag dat er een nieuwe aanvraag kon worden ingediend. Die tweede aanvraag werd goedgekeurd en zo begon ik in het voorjaar van 1981 met de voorbereidingen van een verblijf van zes maanden in Rusland, later dat jaar. Ik was er nu veel meer aan toe. De bedoeling was dat je tijdens zo’n studieverblijf aan je doctoraalscriptie werkte.Met die scriptie was ik inmiddels al een aardig eind op streek, de lastigste hobbels waren in alle rust genomen.

Toen de aanvraag werd goedgekeurd, ging ik er nog vanuit dat ik in Moskou zou belanden. Op zoek naar een wetenschappelijk begeleider daar, schreef ik universiteiten aan, onder meer die van Oxford. Konden zij mij misschien iemand aanraden? Dat ik advies zocht in Engeland, was niet zo raar, het onderwerp van mijn scriptie had een stevig Engels karakter: de literatuurkritiek in de Sovjetunie over Charles Dickens, of, zoals het op het titelblad zou komen te staan: De receptie van The Pickwick Papers en Hard Times in de Russische literatuur, 1918-1960. Uit Oxford kreeg ik antwoord van A.E. Pennington M.A., D.Phil., Professor of Comparative Slavonic Philology: “I think you are right not to go to Professor Ivasheva who is not only elderly but eccentric.” Professor Anikst, dat was misschien een betere keus: “… not young but he is extremely lively.” Tussen mijn papieren zit een ansichtkaart van een paar weken later, uit Moskou, van die professor Anikst, met zijn telefoonnummer. Hij was gaarne bereid mij te helpen.

De scriptie met een eerste (niet buitengemeen bijzondere) eerste druk van een werkje van Dickens.

Het is er nooit van gekomen. Van Russische zijde werd dat voorjaar zonder enig overleg bepaald dat een aantal Nederlandse beursstudenten – waaronder ik – niet naar Moskou zouden gaan, maar naar Voronezj.  “Ah, daar is gevochten!”, zei mijn vader, toen hij van mijn nieuwe bestemming hoorde.

Mij trok het vooruitzicht van zes maanden in de provincie niet. Moskou of Leningrad, daar moest je zijn. Daar zaten de theaters en de musea, daar was de voedselvoorziening ook nog redelijk op orde. Daarnaast deed het gerucht de ronde dat ik mijn kamer op de studentenflat in Voronezj met drie anderen zou moeten delen. Dat het een unieke kans was om ook eens buiten de grootste steden van de USSR rond te kunnen kijken, drong pas veel later tot me door.

Ik kwam die zomer toevallig nog als toerist in Moskou en besloot aan te kloppen bij de Nederlandse ambassade. Kon men daar misschien nog iets voor mij doen? Ik sprak er met een jonge, welwillende diplomaat. Hij zou informeren, maar meldde mij niet lang daarna dat ik mij toch echt diende voor te bereiden op een winter in de provincie. (Dat de jonge diplomaat zich enkele maanden later op een avond in Voronezj volledig zou verkijken op de ondermijnende werking van wodka, konden wij op dat moment niet bevroeden.)    

En zo kwam ik aan, eind augustus, op het station van Voronezj, met in mijn bagage (naast koffie en Biotex – beide op dringend verzoek van twee Amsterdamse studentes die al eerder waren gearriveerd), alle artikelen en aantekeningen voor mijn scriptie. Dat zou allemaal goed komen, ik hoefde dat ding alleen nog maar op te schrijven.   

Het leven in Voronezj – en vooral op de studentenflat – kwam als een golf over me heen en ik spoelde volgaarne mee. Scriptie schrijven? Het werd alsnog een worsteling. Met moeite wist ik me af en toe af te zonderen op het studiezaaltje in de flat en zowaar kon ik tegen het einde van mijn verblijf een uitgebreide samenvatting overhandigen aan mijn wetenschappelijk begeleidster. Die had ik al die maanden nauwelijks gezien, maar uiteindelijk wilde ze toch wel graag weten waar ik – op studiegebied – zoal mee bezig was geweest in Voronezj.

Het leidde tot een bizarre confrontatie, waarbij ik mij tegenover een panel van drie vrouwen diende te verantwoorden voor mijn oordeel over de literatuurkritiek in de Sovjetunie. Ze bleven beleefd, maar vonden het prutswerk. Ik lachte ze uit – achter hun rug – en vertrok kort daarna naar Nederland. Daar won ik met een beschrijving van die literaire aanvaring nog een prijsje.

——————-

Uitleg bij het schilderij van Robert William Buss:


Wordt vervolgd
Deel 1 en deel 3

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 1

—————

Moskou, 2011. (Foto: Charles Hoedt)

Telkens wanneer ik ergens ‘Dickens’ zie staan, en helemaal wanneer dat in het Russisch is (‘Диккенс’), vraag ik me af: hoe zou het met hem zijn? Hij staat bij mij in de kast, achter het glas van een (uiteraard) Engelse, antieke boekenkast, uitgesmeerd over 21 delen verzameld werk van rond 1875, geflankeerd door een paar biografieën. Twee planken lager, deels verscholen achter een Russische treinwagon (groen, want nog uit de USSR), staat een gipsen kop van Mr. Pickwick. In mijn Utrechtse studentenkamer hing Dickens aan de muur, geschilderd door Daniel Maclise, een afdrukje, keurig ingelijst. Op een keer, toen ik een trucje oefende om er uit te zien als een gelikte drummer, vloog er een drumstokje uit m’n vingers, door het glas. Er hing ook een postertje van de musical Oliver! (“Food, glorious food”), die ik mee had genomen van een reis naar London. Ik ging er niet alleen naar die musical, ik deed ook een Dickenswandeling, ging naar het Dickens Museum, naar de National Portret Gallery voor dat schilderij, stond bij zijn graf in Westminster Abbey en bij dat van zijn vrouw en dochter op het Highgate kerkhof. Of ik speciaal voor die twee daarnaartoe was gegaan of voor het graf van Karl Marx, dat weet ik niet meer, maar het combineerde leuk.

Daniel Maclise - Charles Dickens (1839)

Ik begon mijn dag in die tijd steevast met Dickens. Bleak House, Martin Chuzzlewit, The Old Curiosity Shop – in welk oranje Penguindeeltje ik ook bezig was, het lag naast mijn bed. Als een fanatieke autodidact had ik mezelf opgelegd: 50 pagina’s Dickens per dag, boven op de Russen die ik vanwege mijn studie Russisch tot mij nam. De biografieën kwamen erbij en toen ik al zijn romans had gelezen, begon ik opnieuw, het hele rijtje af. “That punctual servant of all work, the sun, had just risen, and begun to strike a light on the morning of the thirteenth of May, one thousand eight hundred and twenty-seven, when Mr. Samuel Pickwick burst like another sun from his slumbers, threw open his chamber window, and looked out upon the world beneath.”

Ik stond helemaal alleen in mijn eerste literaire liefde. “Dickens, dat is zo sentimenteel!”, zei een studiegenote, voor wie ik nogal een zwak had. Ik begreep dat niet. Sentimenteel? Ja, die verdomde Cristmas Carol en andere kerstverhalen waar ik nauwelijks doorheen kwam, díe waren sentimenteel. En ook in andere boeken zaten alinea’s waar je tandglazuur van scheef ging staan. Maar wat stond daar niet tegenover! Dat prachtige Engels dat maar stroomde en stroomde, de humor, de levenslust, die types en zo veel meer! “Sweet thoughtfulness and thrilling and attractive tenderness.” Dit ene zinnetje, een karakterisering van zijn werk uit een biografie, zit al 35 onwrikbaar in mijn hoofd.  

Maar ik studeerde Russisch. En terwijl ik mezelf vergat in de Victoriaanse wereld van Bumble, Snodgrass en Uriah Heep, naderde langzamerhand het moment dat ik met een onderwerp moest komen voor mijn afstudeerscriptie. Het was een donkere wolk aan de horizon. Op ons instituut aan de Zuilenstraat in Utrecht (met keukentje en tuin), stond ergens in een van de kamers boven een kaartenbakje met onderwerpen. Wie zelf geen idee had, kon daarin grasduinen. Ik vond er niets van mijn gading, erger nog: wat er op die kaartjes stond – ik kan me er helaas niks concreets meer van herinneren – leek me allemaal veel te hoog gegrepen. Ik werd er onzeker van. Wat moest ik?

Dickens – wie anders – schoot me tenslotte te hulp. Plots zag ik de vraag voor me die ik zou gaan beantwoorden: hoe keken ze tegen hem aan in Rusland, in de Sovjetunie? Het was een inval die ik nu, vele jaren later, zonder meer geniaal durf te noemen. Ik was gered! Het leidde tot 57 dicht betypte pagina’s (72 pagina’s inclusief noten en bibliografie), een prima cijfer en ruzie op de universiteit van Voronezj.


Deel 2