persoonlijk

Aardappelen rooien in het noorden van Rusland

—————————

———————-

Ik ben in Osjevensk en tegelijkertijd ook ergens anders. 

Dat zal ik even uitleggen. Osjevensk is een landelijke plaats (selskoe poselenije) in de noordelijke provincie Archangelsk. Zo’n plaats is een administratieve eenheid waaronder meerdere dorpjes vallen. In het geval van Osjevensk zijn dat er dertien. Een paar daarvan liggen tegen elkaar aan, al wandelend merk je niet dat je van het ene in het andere dorp bent beland. Andere dorpen liggen een eindje uit de buurt, om daar te komen kan je beter de fiets pakken of de auto.

Logeren doe ik in een gasthuis, een enigszins scheefgezakt houten verblijf met twee ruime kamers. Dat gasthuis staat in Sjirjaicha, een van die dertien dorpen van Osjevensk. Tegen Sjirjaicha aan ligt Pogost, nog zo’n dorpje, maar met een zekere bekendheid. Het staat op de lijst van Mooiste Dorpen van Rusland. (Wie om deze reden besluit tot een bezoek aan Pogost moet ik wel waarschuwen: de kans dat u na een minuut of tien denkt: is dit het nou?, is vrij groot.)      

Maar goed, ik verblijf dus, administratief gezien, in Osjevensk en tegelijkertijd (zeg maar: concreet gezien) in Sjirjaicha. 

Hebt u wel eens aardappelen gerooid? Ik was uitgenodigd in Pogost, om - voor het eerst in mijn leven - mijn krachten in dezen te beproeven op een klein veldje vol met opgeschoten groen. Al snel leerde ik de gelige stengels te herkennen van de aardappelplant en met een schop groef ik die uit, met een stevige kluit. Daar werden door mijn tijdelijke collega’s de aardappelen uit gevist, terwijl ik mij alweer wijdde aan de volgende plant. Na een minuut of twintig voelde ik iets in mijn elleboog.

We gingen nog een half uurtje door, toen was het pauze, en toen ik daarna nog een kwartiertje met schop en kluit in de weer was geweest, dacht ik: nu moet ik maar stoppen. Vanwege die elleboog. Mijn collega’s toonden alle begrip en bedankten me voor mijn bijdrage. 


Ik pakte mijn fiets, reed terug naar Sjirjaicha en besloot eens te gaan kijken in een dorpje verderop, Gar geheten. Ook daar moest het mooi zijn. Het was een kilometer of vijf fietsen. Halverwege werd ik voorbijgereden door een donkergroen busje, maar verder zag ik helemaal niemand. Vreemd is dat niet, want Gar behoort niet tot de dorpen van Osjevensk die er nog redelijk goed bij liggen. Slechts drie huizen worden er nog permanent bewoond, een paar anderen nog in de zomer, de rest is verlaten, staat scheef en raakt gaandeweg overwoekerd. Schilderachtig, dat wel, zeker tegen de achtergrond van bomen in herfstkleuren, maar vrolijk word je er niet van.

Op een bonkige, bouwvallige brug over het riviertje de Tsjoerega (dat ook langs Sjirjaicha en Pogost stroomt) stonden een paar mannen te vissen. Ze werkten in de houtkap, vertelden ze, en (het was zaterdag) ze waren naar Gar gekomen (in dat donkergroene busje) om zich in een van de banja’s gelegen aan het riviertje eens goed te wassen. In het bos, bij hun werk, woonden ze in een keet. “Waar gaat dat gekapte hout naartoe?”, vroeg ik. “Naar China”, was het antwoord.

Ik fietste verder, naar het einde van het dorp. Tussen een paar verlaten huizen stond een goed onderhouden woning met duidelijke tekenen van leven: een kinderwagen, een auto, en, aan de overkant van het smalle weggetje, een banja die gestookt werd. Een vrouw daalde af naar het riviertje met een flinke teil aardappelen, waar ze de modder van afspoelde. Die had ze vast niet net gerooid, want ze was meer gekleed op de banja. Ik moest haar maar niet fotograferen, zei ze lachend. Ze woonde in Severodvinsk en ze waren hier voor het weekend. De goed onderhouden woning was haar geboortehuis. Na een kort praatje vroeg ze me of ik wat kompot wilde. Dat wilde ik wel en even later kwam ze aanzetten met een glas en een aardappelpasteitje. 

Weer fietste ik verder, nog twee huizen telde het dorp. In het laatste zag ik drie poesjes achter een venster zitten. Ik fotografeerde ze uitgebreid, terwijl zij zich leken af te vragen waar ik dan wel vandaan kwam. Op de weg terug naar Sjirjaicha werd ik weer voorbijgereden door die mannen van de houtkap. Thuis haalde ik een fles bier uit de ijskast. Het koste enige moeite om hem naar mijn mond te brengen. Die elleboog van me… Ik herkende de symptomen: een tennisarm. Voor de gelegenheid heb ik die omgedoopt in Noord-Russische-aardappelarm.   

Een paar dagen eerder, de brug over de Tsjerjoega bij Pogost,

Stilte op dit webblog. Met filmpjes.

———————

Station van Njandoma (foto: Egbert Hartman).

Station van Njandoma (foto: Egbert Hartman).

————————

Het zou kunnen zijn dat het hier op dit weblog de komende tijd wat stiller is dan normaal – in die mate zelfs dat er een aantal weken helemaal geen nieuwe stukjes verschijnen. Dit in verband met een reis naar het Russische platteland. Al kan het ook zo maar zijn dat juist die reis al snel een paar extra verhalen oplevert.

Hoe dan ook, mocht u zich tijdens mijn afwezigheid vervelen, dan heb ik hier voor u een aardige reportage over het Rusland waaraan de hogesnelheidstreinen met vaste regelmaat voorbij razen:

En mocht dat niet afdoende zijn, dan kunt u zich met onderstaande filmpjes die ik ooit maakte in de metro van Sint-Petersburg eindeloos vermaken:

En als toegift vier meisje die de deur van de coupé achter zich hebben dichtgetrokken en een liedje zingen:

——————-

Fawlty Towers op de Wolga - 2

————————-

————————

In mijn vorige stukje, deel 1 van mijn avonturen op de Wolga, heb ik ietsje overdreven. Ik schreef dat de reiziger aan boord opgeschrikt kon worden door vier soorten van alarmsignalen – het zijn er maar drie. Het toespraakje dat we kregen met de veiligheidsinstructies van de directeur van de cruise was kennelijk zo beeldend, dat mijn fantasie met me aan de haal ging. De directeur beschreef de drie alarmsignalen in detail. Ik herhaal ze hier even. (Niet het boeiendste onderdeel van een reisverslag, maar stel, u reist binnenkort zelf over de Wolga, dan kunt u dit soort dingen maar beter weten.)

1 – Algemeen alarm: een aanhoudend, luid belsignaal van 25-30 seconden, 3-4 keer herhaald, wanneer het schip in gevaar is.

2 – Bootalarm: tenminste 7 korte belsignalen gevolgd door een aanhoudend belsignaal van 5-6 seconden. Het signaal wordt 3-4 keer herhaald.

3 – Man-overboord-alarm: 3 aanhoudende luide belsignalen van 5-6 seconden, 3-4 keer herhaald.

Het laatste signaal is overigens uitsluitend bestemd voor de bemanning, u hoeft dus niet in actie te komen. (En denkt u niet dat ik dit alles keurig had onthouden na het praatje van de directeur; ik vond alles naderhand terug op een aanplakbiljetje op de deur van mijn kajuit.)

De directeur hield haar praatje, terwijl de boot aanlegde bij de enige halte tussen Astrachan en Wolgograd: het dorpje Nikolskoje. Door de patrijspoort zag ik een glimp van een oude aanlegsteiger, een débarcadère, zoals je die in alle oude Sovjet-films ziet waarin de Wolga een rol speelt. Na nog een minuut of tien met allerlei uitleg en instructies, mocht ik eindelijk naar buiten.


Nikolskoje was niet veel meer dan een kleine markt, waar je volgens de directeur – het behoorde tot haar veiligheidsinstructies – maar beter niks kon kopen. Ik liep wat rond op de oever en keek vooral naar die prachtige steiger, die helaas flink in verval was. De diverse ruimtes (ooit, vermoed ik, een wachtkamer, kassa’s, een kantine, kantoortjes en zo), waren leeg en verlaten. Dit tot genoegen van rondschietende zwaluwen, die op de omgangen een nestje hadden gebouwd.


Na vier uur ging het weer verder, richting Wolgograd, dat we de volgende morgen zouden bereiken. Het viel me op dat de boot geen rechte lijn aanhield. Af en toe dacht ik zelfs: we varen nu op de oever af, zo meteen gaat het mis! Maar er klonk geen enkel alarmsignaal, de boot volgde nauwgezet de slingerende vaargeul, die gemarkeerd werd door witte boeien (aan de rechterzijde van het schip) en rode (aan de linkerzijde). Wat ik verder aardig vond om te zien, waren de passagiers die rustig rondjes liepen over het dek, alsof ze een wandelingetje maakten door het park.

20190614-1248.jpg

Zo gleed niet alleen het schip rustig voort, maar ook –  excuus voor deze goedkope beeldspraak – de uren. Het werd vanzelf avond, met verschillende soorten amusement.

Ik koos voor het programma-onderdeel “Waar is het circus gebleven?”, dat om 20.30 uur begon in de conferentiezaal op het sloependek. De presentatie was in handen van dezelfde dame die bij het vertrek uit Astrachan aan dek een vrolijk lied had gezongen (zie deel 1). Ook nu was ze in een prima stemming:


Ze begon het programma met de mededeling dat het circus-onderdeel was komen te vervallen. We gingen raadseltjes doen en opdrachtjes uitvoeren. Bij dat tweede onderdeel werden vier vrijwilligers gevraagd – twee mannen en twee vrouwen – en ik zag de bui al hangen. En jawel, ik werd uit het niet al te talrijke publiek geplukt. Je moest doen alsof je aan het strijken was, doen of je een ‘chinees hondje’ was (zo’n kleintje met een wiebelnek op de hoedenplank van een auto), doen of je een hoepel probeerde hoog te houden en alsof je aan het langlaufen was – en dat alles tegelijk, samen in polonaise met de andere drie vrijwilligers. Ik deed erg mijn best en werd beloond met een prijs: een balpen van het reisbureau.

In het volgende onderdeel (iets met liedjes) had ik geen zin meer en ik glipte het sloependek af. Het was een mooie avond, met de zon die onderging achter de oever en de maan die al weerspiegelde in de Wolga. De volgende morgen werd ik vroeg wakker en zag een bewegende schaduw op het gordijn van mijn kajuit. Er was iemand bezig met ochtendgymnastiek.

Voor wie Russisch leest: reacties van deelnemers aan meerdere cruises op hetzelfde schip – zeer lovend – vindt u hier.

Pech onderweg, Sven Kramer en mooi Maslenitsa in Archangel.

——————


We waren gezellig op weg naar de viering van Maslenitsa in het dorp Archangel, toen onze auto plots onverbiddelijk richting de sneeuwhopen in de berm gleed. En meteen was duidelijk: we zitten vast en komen hier niet een-twee-drie weer weg. Ik appte een foto van ons ongemak naar mijn collega’s op de sportredactie van NOS Teletekst, ver weg in Hilversum: “Team Hartman valt uit in Rally van Osjevensk.” Twee minuten later volgde het antwoord: “Heb zeker een wijf aan gezeten!!!” Deze gouden zin uit een conference van Waardenberg en De Jong klopte in zoverre dat er inderdaad een vrouw achter het stuur zat.

Ik appte de foto ook naar andere bekenden en een van hen suggereerde om de Russische variant van de Wegenwacht te bellen. “Of ben ik nu naïef?”, voegde ze daaraan toe. Ik antwoordde dat ze naïef was. Toch was het een soort van wegenwacht die ons uit de problemen hielp. Een auto met kennissen van onze chauffeur kwam toevallig net aangereden, ook op weg naar Archangel, en met een sleepkabel waren we er toch nog redelijk snel uit.

Maslenitsa in Archangel, wat is dat gemoedelijk en wat is dat leuk! Kijk maar naar de foto’s. Ik was verkocht, hield van iedereen in het dorp, en er was geen druppel alcohol aan te pas gekomen.


Op de terugweg reed onze chauffeur duidelijk langzamer dan op de heenweg en ook nauwgezet in het midden. “Ik zet jullie hier alvast maar af”, zei ze bij het eerste kruispunt in Osjevensk, “dan hoef ik daar verderop niet te keren.” Ik nam afscheid van Olesja, mijn trouwe contact in Osjevensk, en wandelde verder naar mijn onderkomen. 

Daar kwam een mevrouw haar tuinhekje uit. Ze stapte mijn richting op.

“U komt niet van hier.”
“Nee, ik kom van ver.”
“Uit Amerika?”
“Nee, een beetje dichterbij”
“Engeland?”
“Nog ietsje dichterbij”
“Frankrijk?”
“Ietsje naar het noorden”
“Ik geeft het op”
“Uit Holland.”
“Uit Holland?!”

De Holland-supportster wilde niet op de foto, maar daar trok ik me maar eens niks van aan.

Ze straalde op slag van oor tot oor. “Uit Holland! De schaatsers! En jullie spelen in oranje! Mijn man en ik zijn supporter, hoor!” Ik vermoed dat er vanwege de feestdag al een druppeltje van het een of ander genuttigd was, maar haar enthousiasme trof me aangenaam, daar op de verijsde Oelitsa Tsentralnaja van Osjevensk, waar de avond langzaamaan begon te vallen. Waarom Europa toch zo boos was op Rusland, wilde ze weten. En ze toonde zich enthousiast over Poetin. We kwamen langs een besneeuwd speelveldje met twee ijshockey-goals, waar een paar jongens aan het voetballen waren. Dat kwam mooi uit en ik zei de supportster van Holland dat ik daar even naartoe moest om foto’s te nemen. Ze maakte geen bezwaar. 

Aangekomen bij de voetballers, informeerde ik bij de jongen in het doel wat de score was. Ze stonden 14-6 achter. Toen ik hem een minuutje had bezig gezien, verbaasde me dat niks. Motorisch was hij niet helemaal in orde. Taalkundig wel; hij vloekte als een dragonder.

Een paar dagen eerder had ik op deze plek een foto genomen van twee kleine spelertjes, speciaal voor mij gemaakt in Kargopol, de dichtstbijzijnde stad, op een uurtje rijden. Ik liet hem zien aan de voetballende jongens en vroeg of ze wisten welke clubs dit waren. “Zenit en Ajax”, was het prompte antwoord van een van hen. “Goed zo!”, zei ik, en ik voegde eraantoe dat ik uit Nederland kwam. Even eerder had deze mededeling immers geleid tot een vlot gesprek en ik verwachtte nu een soort vervolg. “Ajax, monsterclub! Tegen Real Madrid!” Verder ging de conversatie deze keer niet, ze voetbalden meteen door, maar ik vond dit al heel wat.

Ik liep door (het stond inmiddels 16-8) en daar kwam de supportster van alles in oranje mij weer tegemoet. Ze was even naar de winkel geweest en liep nu naar huis. Ze kwam de straat overgestoken, mijn kant op, en zei dat ik op bezoek moest komen. “Dat wordt september, want morgen ga ik al naar huis.” “Maakt niet uit”, zei ze onverstoorbaar blij. “We blijven supporter van Nederland!” 

Mooie kans dat ik in september inderdaad bij haar langs ga, met een foto van Sven Kramer en het Nederlands elftal.   

Vanuit Osjevensk: een ochtendwandeling met een vriendelijke groet

——————-

——————-

Een berichtje voor mijn vaste lezers, die gewend zijn om op deze plek om de zo veel tijd, met enige regelmaat, een nieuw stukje aan te treffen. Die regelmaat zal even ver te zoeken zijn, vanwege een verblijf in de provincie Archangelsk - in het dorp Osjevensk, om precies  te zijn.

Ik verbleef er al eerder, afgelopen oktober. Toen een week, nu veertien dagen. Ik ruim hier sneeuw, knip overhemden in reepjes en eet gebakken aardappelen. Waar dat allemaal toe gaat leiden, is niet helemaal duidelijk - in elk geval nog niet tot veel schrijven. U moet het maar even doen met een filmpje dat ik maakte tijdens een mooie ochtendwandeling. Ik groet iedereen in Osjevensk - ook in dit filmpje - vriendelijk. Kinderen groeten terug, vrouwen doen dat soms, mannen nooit.


Ook leuk om eens te ervaren: dat je sneeuw aan het ruimen bent, veel sneeuw, heel erg veel sneeuw, en dat het dan gaat sneeuwen.  

—————-

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 3

————————

Voronezj, september 1981.

“We zijn het er toch over eens dat de wetenschap moet zoeken naar de waarheid?” Het was de vraag  waarmee de zitting werd geopend. Ik bevond mij in een lokaaltje op de Universiteit van Voronezj, tegenover de zes (en niet drie, zoals ik in deel 2 schreef) docentes van de vakgroep Buitenlandse Literatuur. De openingsvraag, gesteld door mijn wetenschappelijk begeleidster, kon ik met een volmondig ja beantwoorden, maar daar hield de eensgezindheid wel mee op.

Onderwerp van de zitting was de samenvatting die ik had ingeleverd van mijn afstudeerscriptie, waaraan ik de maanden ervoor had zitten werken op het studiezaaltje van de studentenflat, aan de Oelitsa Fridricha Engelsa 10A. Het had me nogal wat moeite gekost, te midden van het vrolijke vertier op de flat, maar de scriptie was zo goed als af en ik was best tevreden met het resultaat. Dat mijn bevindingen bij de leden van de vakgroep niet in de smaak zouden vallen, had ik wel bevroed, maar de toon van de bijeenkomst overviel me toch een beetje. Mijn begeleidster zei dat ze “teleurgesteld en zelfs gekrenkt” was.

Mijn scriptie beschreef de wijze waarop de literatuurkritiek in de Sovjetunie tegen het werk van Charles Dickens aankeek. Mijn conclusies waren niet wereldschokkend. De Sovjet-blik was nogal eenzijdig, met te veel nadruk op de negatieve wijze waarop mijn favoriete schrijver het kapitalisme in het Victoriaanse Engeland belichtte. Andere aspecten (taal, humor, levenslust) bleven onderbelicht. Ook had ik geschreven dat het literaire leven in de USSR per definitie minder opwindend was dan in het Westen, doordat boeken die niet voldeden aan de ideologische eisen, domweg niet konden verschijnen. Met dat laatste punt, denk ik nu, zat ik deels mis. Juist in de Sovjet-literatuur kwamen sociale thema’s aan bod die elders niet behandeld konden worden en dat maakte de boeken vaak juist spannend – al moest je wel tussen de regels door kunnen lezen.

Universiteit van Voronezj, rond 1980 (?). Op het dak de leuze: LEVE HET MARXISME-LENINISME!

Ik zat in de geriefelijke positie dat ik me van het oordeel niets hoefde aan te trekken. (Een student op de flat verzekerde me dat hij een dergelijk werkstuk nooit zou hebben ingeleverd, hij had het gegarandeerd over moeten doen.) Ik vertrok korte tijd later naar Nederland, waar ik een mooie acht kreeg voor de scriptie. Het tijdschrift Intermediair kwam een jaar later met een themanummer over Rusland. Beursstudenten konden een stukje inleveren over hun ervaringen daar. Dat van mij, over de botsing in dat zaaltje op de universiteit, behoorde tot de ‘prijswinnaars’ en werd geplaatst.

En Dickens, hoe zou het daarmee zijn?, vroeg ik me af in deel 1. Ik bedoelde natuurlijk: zou de Dickens met wie ik me zo verwant voelde, mijn eerste literaire liefde, die me zo veel leesplezier had bezorgd en die me door mijn scriptie had geloodst, voor mij ook nu nog wel bestaan? Om dat te ontdekken, zou ik zijn boeken weer ter hand moeten nemen – en dat lijkt me geen goed idee. Laat het maar zo.

Charles Dickens (1812-1870)

Het doet me denken aan een voorval uit Dickens leven. Als jongeman, nog onbekend, was hij hopeloos verliefd geweest op een meisje, Maria Beadnell. Dickens was gezien zijn plek op de sociale ladder kansloos. Zijn latere huwelijk was ongelukkig. 24 jaar nadat hij Maria voor het laatst had gezien, kreeg hij plots een brief van haar. De twee ontmoetten elkaar opnieuw, waarbij het beeld dat Dickens had van zijn jeugdliefde aan scherven viel. Maria drong aan op nog een ontmoeting, Dickens ontweek haar.





Deel 1 en deel 2.

Hoe Charles Dickens een student Russisch in Utrecht uit de brand hielp - 2

———————

Robert William Buss – Dickens’ Dream (uitleg onderaan)

In december 1979 viel de Sovjetunie Afghanistan binnen en mij kwam dat uiteindelijk – het klinkt een beetje raar – niet slecht uit. Er liep een aanvraag van me voor een studiebeurs in Rusland en daar ging meteen een streep door; de culturele en wetenschappelijke contacten met de USSR werden op een laag pitje gezet. Een jaar later, nadat de diplomatieke rook wat was gaan liggen, kwam er bericht uit Den Haag dat er een nieuwe aanvraag kon worden ingediend. Die tweede aanvraag werd goedgekeurd en zo begon ik in het voorjaar van 1981 met de voorbereidingen van een verblijf van zes maanden in Rusland, later dat jaar. Ik was er nu veel meer aan toe. De bedoeling was dat je tijdens zo’n studieverblijf aan je doctoraalscriptie werkte.Met die scriptie was ik inmiddels al een aardig eind op streek, de lastigste hobbels waren in alle rust genomen.

Toen de aanvraag werd goedgekeurd, ging ik er nog vanuit dat ik in Moskou zou belanden. Op zoek naar een wetenschappelijk begeleider daar, schreef ik universiteiten aan, onder meer die van Oxford. Konden zij mij misschien iemand aanraden? Dat ik advies zocht in Engeland, was niet zo raar, het onderwerp van mijn scriptie had een stevig Engels karakter: de literatuurkritiek in de Sovjetunie over Charles Dickens, of, zoals het op het titelblad zou komen te staan: De receptie van The Pickwick Papers en Hard Times in de Russische literatuur, 1918-1960. Uit Oxford kreeg ik antwoord van A.E. Pennington M.A., D.Phil., Professor of Comparative Slavonic Philology: “I think you are right not to go to Professor Ivasheva who is not only elderly but eccentric.” Professor Anikst, dat was misschien een betere keus: “… not young but he is extremely lively.” Tussen mijn papieren zit een ansichtkaart van een paar weken later, uit Moskou, van die professor Anikst, met zijn telefoonnummer. Hij was gaarne bereid mij te helpen.

De scriptie met een eerste (niet buitengemeen bijzondere) eerste druk van een werkje van Dickens.

Het is er nooit van gekomen. Van Russische zijde werd dat voorjaar zonder enig overleg bepaald dat een aantal Nederlandse beursstudenten – waaronder ik – niet naar Moskou zouden gaan, maar naar Voronezj.  “Ah, daar is gevochten!”, zei mijn vader, toen hij van mijn nieuwe bestemming hoorde.

Mij trok het vooruitzicht van zes maanden in de provincie niet. Moskou of Leningrad, daar moest je zijn. Daar zaten de theaters en de musea, daar was de voedselvoorziening ook nog redelijk op orde. Daarnaast deed het gerucht de ronde dat ik mijn kamer op de studentenflat in Voronezj met drie anderen zou moeten delen. Dat het een unieke kans was om ook eens buiten de grootste steden van de USSR rond te kunnen kijken, drong pas veel later tot me door.

Ik kwam die zomer toevallig nog als toerist in Moskou en besloot aan te kloppen bij de Nederlandse ambassade. Kon men daar misschien nog iets voor mij doen? Ik sprak er met een jonge, welwillende diplomaat. Hij zou informeren, maar meldde mij niet lang daarna dat ik mij toch echt diende voor te bereiden op een winter in de provincie. (Dat de jonge diplomaat zich enkele maanden later op een avond in Voronezj volledig zou verkijken op de ondermijnende werking van wodka, konden wij op dat moment niet bevroeden.)    

En zo kwam ik aan, eind augustus, op het station van Voronezj, met in mijn bagage (naast koffie en Biotex – beide op dringend verzoek van twee Amsterdamse studentes die al eerder waren gearriveerd), alle artikelen en aantekeningen voor mijn scriptie. Dat zou allemaal goed komen, ik hoefde dat ding alleen nog maar op te schrijven.   

Het leven in Voronezj – en vooral op de studentenflat – kwam als een golf over me heen en ik spoelde volgaarne mee. Scriptie schrijven? Het werd alsnog een worsteling. Met moeite wist ik me af en toe af te zonderen op het studiezaaltje in de flat en zowaar kon ik tegen het einde van mijn verblijf een uitgebreide samenvatting overhandigen aan mijn wetenschappelijk begeleidster. Die had ik al die maanden nauwelijks gezien, maar uiteindelijk wilde ze toch wel graag weten waar ik – op studiegebied – zoal mee bezig was geweest in Voronezj.

Het leidde tot een bizarre confrontatie, waarbij ik mij tegenover een panel van drie vrouwen diende te verantwoorden voor mijn oordeel over de literatuurkritiek in de Sovjetunie. Ze bleven beleefd, maar vonden het prutswerk. Ik lachte ze uit – achter hun rug – en vertrok kort daarna naar Nederland. Daar won ik met een beschrijving van die literaire aanvaring nog een prijsje.

——————-

Uitleg bij het schilderij van Robert William Buss:


Wordt vervolgd
Deel 1 en deel 3