jaren 80

Serebrennikovs Leto - een film, zwanger van een legendarische toekomst

——————

Het borrelde in die jaren en ik kreeg er weinig van mee, terwijl ik toch regelmatig in de Sovjetunie zat. Ik speelde in de provincie weleens met een bandje, vrienden wezen me er de weg op de zwarte markt, waar elpees van Deep Purple, John Lennon en Billy Joel goud waard waren. In de grote stad, Leningrad, trok ik een paar dagen op met de Magnetic Band, een stel aardige jongens uit Tallinn, die bij hun concerten bang waren voor té veel enthousiasme onder hun publiek – volgende optredens zouden weleens verboden kunnen worden. Het was januari 1982.

Een half jaar eerder, in de zomer van 1981, liep in Leningrad Viktor Tsoj rond, een jonge muzikant met een paar liedjes, op zoek naar aansluiting bij de rockscene. De opwindendste delen van die scene bevonden zich nog ondergronds – buiten mijn blikveld –  het bravere deel vond af en toe zijn weg naar de officiële podia. Opwindend en braaf, het kon zich ook verenigen in één persoon, in één band, met een officieel concert ’s avonds, gevolgd door optredens ergens aan huis of in zaaltjes achteraf, waar fans alleen via via van wisten en waar je na afloop niet meer weg kon, omdat de bruggen over de Neva al geopend waren voor de nacht.

Op dat snijvlak van onder- en bovengronds speelt zich de film Leto (Zomer) af van regisseur Kirill Serebrennikov. Het is een film zonder vergezichten, letterlijk en figuurlijk; weidse panorama’s – waar Leningrad zich zo voor leent – ontbreken. Het tijdsbestek is beperkt: slechts een paar zomerse maanden of zelfs maar weken. Plaats van handeling: zaaltjes, podia, kamers en keukens van kommoenalka’s en, tegen het einde van de film, een opnamestudio. Want Tsoj, die mede door een vroege dood zou uitgroeien tot dé rocklegende van de Sovjetunie en Rusland, vÍndt aansluiting bij de rockscene van de stad.            

Sint-Petersburg, 2019

Tsoj (gespeeld door Teo Yoo) wordt bij de hand genomen door Majk Naoemenko (Roman Bilyk), voorman van de band Zoopark. Die heeft dan al een status onder lokale rockliefhebbers waar Tsoj alleen nog maar van kan dromen. Naoemenko herkent het talent van Tsoj, voelt aan dat hij door hem overschaduwd zal worden, ziet ook dat hij zijn vrouw weleens aan hem zou kunnen verliezen – en gunt hem op beide fronten zijn succes. Naoemenko heeft een grote collectie elpees met Westerse pop en rock. Daar haalt hij een deel van zijn inspiratie uit en hij laat er ook Tsoj uit putten. Lou Reed, David Bowie, Iggy Pop … De wijze waarop regisseur Serebrennikov die Westerse muziek in een paar ‘kleine’ straatscènes door Leningrad laat golven, is verrassend en prachtig.     

De ontmoeting van de Westerse muziek met Russische muzikanten, die er een eigen weg mee inslaan, is het tweede snijvlak van Leto, al komt dat in de film niet concreet in beeld. Maar je weet als kijker met enige kennis van de muzikant Viktor Tsoj en zijn band Kino dat hij aan het begin staat van die eigen, opwindende weg. Je bent getuige van zijn eerste stappen en voortdurend denk je – ook dankzij het overtuigende acteren van Yoo: daar heb je Tsoj, die later zo beroemd gaat worden! Zo is Leto zwanger van een legendarische toekomst. Wat ik me wel afvraag: wat blijft er over van Leto bij een ‘neutrale’ kijker, die geen weet heeft van Leningrad in de jaren tachtig en die pas dankzij deze film kennismaakt met Tsoj? Ik ben benieuwd naar de reacties van kijkers die minder voeling hebben met het Rusland van toen dan ik.     

En wie zich afvraagt wat die soldaten doen die in een van straatscènes links in beeld voorbijkomen met een teiltje in hun hand; die zijn op weg naar een badhuis - of zijn daar net geweest.


Viktor Tsoj kwam in augustus 1990 om het leven bij een auto-ongeluk. Mike Naoemenko overleed in augustus 1991 aan de gevolgen van een hersenbloeding. Kirll Serebrennikov werd nog tijdens de opnames van Leto opgepakt op verdenking van verduistering van overheidssubsidie en onder huisarrest geplaatst. Vorige week werd het huisarrest omgezet in een uitreisverbod.

De stadionramp in Chabarovsk: trieste kopie van de tragedie bij Spartak Moskou - Haarlem

————————

De oosttribune in 1981. Rechts bij de orde cirkel bevond zich de noodlottige trap.

Ze vonden kort na elkaar plaats, in 1982, en de overeenkomsten zijn beklemmend: de ramp in het Leninstadion van Moskou en die in het Leninstadion van Chabarovsk een maand later. Bij de eerste, in Moskou, kwamen 66 supporters om het leven kwamen. De ramp werd goeddeels stilgehouden.  Was er ruchtbaarheid aan gegeven, dan was de tweede, in Chabarovsk, met 18 slachtoffers, misschien wel  nooit gebeurd.  

Bij de voetbalwedstrijd tussen Spartak Moskou en Haarlem vielen de doden in het gedrang dat kort voor het einde van de wedstrijd ontstond op een trap van de tribune. Er waren uitgangen afgesloten, te veel mensen hoopten samen en toen supporters uitgleden op de verijsde treden, was er geen houden meer aan. Het afgrijselijke scenario herhaalde zich op 20 november, zeven tijdzones naar het oosten, in Chabarovsk, in het stadion daar met dezelfde naam als dat in Moskou.

Op de avond van die koude dag – het vroor 20 graden ­– werd in de openlucht voor volgepakte tribunes een bandy-wedstrijd gespeeld tussen het lokale SKA en Zorki uit Moskou. Bandy (ijshockey met een bal) heeft sindsdien veel aan populariteit ingeboet, maar trok in de vroege jaren tachtig regelmatig volle stadions. Op het duel tussen SKA en Zorki, de nummers nummers 2 en 3 van het seizoen ervoor, waren 18.000 man afgekomen. Vermoedelijk waren dat er in de tweede helft meer – in de rust was het simpel om zonder kaartje binnen te komen. 

Het Leninstadion. De trap, zichtbaar bij de bovenste rechterpunt van de tribune, bij de rechterlichtmast, is na de ramp aangepast.

Een jaar eerder was het Leninstadion, gelegen aan de rivier de Amoer, gerenoveerd voor het WK bandy. De trap aan de rechterzijde van de oosttribune was daarbij aan de onderkant versmald, waardoor een soort trechter was gevormd. Enkele uitgangen waren afgesloten en tegen het einde van de wedstrijd dromden te veel supporters samen aan de bovenkant van de spekgladde trap. En toen ging het mis. Net als een maand eerder in het Moskouse Leninstadion gleden mensen uit en was er geen houden meer aan. Aan de chaos kan hebben bijgedragen dat menig supporter een slok op had. Drank in de vrieskou was bij bandy een gebruikelijk verschijnsel en zeker op de ‘proletarische‘ oosttribune, bekend om zijn roerige sfeer, zal aardig wat ingenomen zijn. Ooggetuigen zeggen dat agenten loerden op dronken toeschouwers en dat er onder aan de trap wagens klaarstonden om die af te voeren naar het ontnuchteringshuis. Bij de aanblik daarvan zouden supporters zijn omgekeerd, waardoor het gedrang zou zijn verergerd.

De ramp in Moskou, een maand eerder, werd door de voetballers van Spartak en Haarlem in het immense stadion niet opgemerkt. In Chabarovsk zagen de spelers wel wat er gebeurd was. Aleksandr Persjin van SKA vertelde jaren later aan het blad Sovetski Sport: ”Na de wedstrijd zaten we nog een tijdje in de kleedkamer. De stemming was opperbest na de moeilijke overwinning. Maar toen we de deur open hadden gedaan, waren we verbijsterd. De gang lag vol mensen. Sommigen kreunden, anderen gaven geen teken van leven. Beide teamartsen schoten het ambulancepersoneel te hulp en probeerden de slachtoffers te helpen.”

Drie dagen later verscheen er een summier berichtje in de lokale krant Ster van de Stille Oceaan: “20 november heeft zich na een hockeywedstrijd in het V.I. Leninstadion van Chabarovsk bij het vertrek van de toeschouwers ten gevolge van een verstoring van de bewegingsrichting een ongeluk voorgedaan. Er zijn slachtoffers. Er is een onderzoek gaande naar de omstandigheden van het voorval.” Op een vergelijkbare manier was er een maand eerder in Moskou bericht over de ramp in het Leninstadion daar. Dat de autoriteiten in en rond het stadion van Chabarovsk op de hoogte waren van wat zich in de Russische hoofdstad had afgespeeld, is niet waarschijnlijk. De precieze toedracht zal men zeker niet hebben gekend. Was dat wel het geval geweest, bijvoorbeeld door uitgebreidere berichtgeving, dan had men misschien nog eens naar de uitgangen en die trap bij de eigen oosttribune gekeken.

Na de Moskouse ramp werden enkele verantwoordelijken gestraft. Het juridisch onderzoek in Chabarovsk werd afgesloten zonder dat er verantwoordelijken werden aangewezen. Toen er openlijk over de ramp kon worden gesproken, werd bij de oosttribune een plaquette aangebracht met de namen van de achttien slachtoffers. Vorig jaar was ik in Chabarovsk en liep ik rond het stadion, waar tegenwoordig alleen nog wordt gevoetbald. Ik zag er mooie standbeelden uit de jaren vijftig. De plaquette heb ik niet gezien, ik heb er niet naar gezocht, want ik wist niet van de tragedie af.

Het Leninstadion in 2017. Het bord rechts vermeldt de gedragsregels voor het publiek.

Twee korte filmpjes over de tragedie van 1982:

Raspoetin op de Oosterschelde, of: de Russische literatuur onder Gorbatsjov - van duizelingwekkende hoop naar desillusie.

-----------------

Een boekwinkel in Moskou, 1982.

Het was voor de Russische literaire wereld een bijna bizarre periode, de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Terwijl de ene na de andere barrière werd geslecht – doodgezwegen schrijvers werden (al dan niet postuum) weer gedrukt, verboden teksten en thema’s mochten plots weer, de oplagen van de literaire tijdschriften rezen de pan uit – functioneerden de Sovjet-structuren nog gewoon alsof er niks aan de hand was: de schrijversbond met zijn secretariaat en congressen, het Centraal Comité van de partij met z’n cultuurafdeling, de censuur … En de enige uitgeverijen die er waren, waren gewoon nog van de staat.

Ik las me in die tijd een slag in de rondte om alles bij te houden – wat uiteraard niet lukte. Ik spelde  op mijn kamer in Utrecht, onder de rook van de Dom, de Literatoernaja Gazeta en Ogonjok, die keurig per post werden bezorgd. En op het Oost-Europa Instituut aan de Amsterdamse Nieuwe Hoogstraat kopieerde ik pagina na pagina uit Novi Mir, Droezjba Narodov, Zvezda en die andere literaire tijdschriften, die ook daar keurig werden bezorgd.

Ik moet in die jaren het een en ander hebben gelezen van Natalja Ivanova, die naast haar redacteurswerk voor onder meer Droezjba Narodov, stukken schreef voor Ogonjok. Van haar verscheen nu het boek Такова литературная жизнь (Zo is het literaire leven), waarin ze de ontwikkelingen van de Russische literatuur in de jaren 1985-1999 op een rijtje zet. Ze doet dat, al is het een terugblik, van binnenuit. Niet alleen was ze zelf werkzaam in de literaire wereld, ze was ook de schoondochter van Anatoli Rybakov, die met Kinderen van de Arbat een van de grote hits van de perestrojka schreef. Ivanova beschrijft de dagelijkse gang van zaken op de redactie van een literair tijdschrift. Op zich al interessant, maar het boeiendst is toch dat deel van haar boek waarin ze jaar voor jaar de literaire ontwikkelingen op een rijtje zet; tijdens de hoopgevende Gorbatsjov-jaren en de ontnuchterende jaren die volgden onder Boris Jeltsin. Bij elkaar levert dat een uitstekend handvat op voor wie geïnteresseerd is in de literatuurgeschiedenis van Rusland in het laatste kwart van de vorige eeuw.   

In 1982 studeerde ik af en ik mocht mij officieel slavist noemen. Wie had toen kunnen denken dat ik mijzelf een paar jaar later zou terugvinden met vooraanstaande Russische schrijvers (onder hen Valentin Raspoetin en Boris Mozjajev - literaire mastodonten) op een boot bij de Stormvloedkering in de Oosterschelde. “Het Westen opende zich voor de Russische schrijvers”, aldus Ivanova. “Schrijvers braken naar buiten richting slavisten, de slavisten zagen hun ‘helden’ in levende lijve.” Het uitstapje naar Zeeland was onderdeel van een conferentie, georganiseerd door professor Marius Broekmeyer en is een van mijn leukste ‘literaire’ herinneringen. Ja, de deuren in Rusland gingen open, naar het Westen en vooral naar het eigen Sovjet-verleden. Een literaire waterval was op gang gekomen, die – en er was ook niemand die dát toen had kunnen denken – binnen een paar jaar zozeer aan kracht verloor dat er nog maar weinig druppels opspatten. De Russische literatuur dreef weg naar de rand van de samenleving.  

Ik werkte me in die jaren door boeken heen van Ajtmatov (Het beulsblok), Doedintsev (Witte jassen), Rybakov, Pristavkin (Een gouden wolkje ging logeren) en nog zo wat schrijvers, waarvan de namen me niet meer te binnen willen schieten. Dat laatste ligt – gelooft u mij – niet aan mijn geheugen. Het waren bepaald niet altijd literaire kwaliteiten die boeken uit die tijd een plek op de voorgrond opleverden. De hongerige lezers wachtten op onthullingen, op de waarheid over het Sovjet-verleden, of wilde eigentijdse problemen aangekaart zien – en zij werden op hun wenken bediend. Ajtmatov schreef in Het beulsblok over drugskoeriers en drugslijnen binnen de USSR. Nou, dat was wat! Ik schreef erover in de Volkskrant en liet daarbij onvermeld dat het boek verder nogal taaie kost was. Wie in Rusland de kwaliteiten van een dergelijk boek in twijfel trok, kreeg daar de wind van voren. Ivanova: “Een zuiver esthetische benadering werd beschouwd als een conservatief streven om de vooruitgang tegen te houden.” Van de nieuwe boeken die ik indertijd las, staat alleen Pristavkins Een gouden wolkje ging logeren mij nog bij als een ook in literair opzicht geslaagde behandeling van een beladen thema (de deportatie door Stalin van de Tsjetsjenen in 1944). 

Novi mir, nummer 8 - 1988, met onder meer Aleksandr Solzjenitsyns Goelag Archipel

De levende schrijvers stonden in de schaduw van voorgangers die weer gedrukt mochten worden. Goemiljov, Mandelsjtam, Achmatova, Boelgakov, Pasternak – vooral zulke namen waren het die de oplagen van de literaire tijdschriften opstuwden tot duizelingwekkende hoogten. In de bibliotheken kon je maanden wachten voor je een begeerd nummer in handen kreeg. Deze “feestmaaltijd van het lezen” (Ivanova) duurde drie, vier jaar, daarna droogde de bron op en de oplages duikelden weer even hard omlaag. De ontnuchtering was groot en de vragen die gesteld werden (opgeroepen door de zo verlangde vrijheid van het woord) waren pijnlijk. Rond 1991 werd duidelijk dat de strijd met de censuur plaats had gemaakt voor een economisch gevecht: schrijvers en tijdschriften moesten simpelweg financieel zien te overleven. En wat was nog de rol van de literatuur, in een land waar een dichter altijd meer was geweest dan een dichter? Ivanova: “Zou literatuur nog slechts een artistieke schepping zijn of zou zij haar grootse, geestelijke (lesgevende, voorlichtende, profetische) traditie voortzetten?”      

Vooralsnog luidde het antwoord negatief. De literaire wereld was verdeeld geraakt in kampen. Liberale, Westersgezinde schrijvers stonden lijnrecht tegenover nationalisten en patriotten, wier kolonnes lang niet alleen bestonden uit leden van de oude Sovjet-elite. En terwijl men elkaar verketterde, verloor de lezer zijn belangstelling. Niet alleen raakte de bron van voorheen verboden schrijvers en teksten opgedroogd, de reikwijdte van de literatuur nam ook af: sociologie liet men aan de sociologen, politiek aan de politici en voor informatie over zichzelf (en voor vermaak) wendde de maatschappij zich tot de ‘gewone’ media. Er was, in de woorden van dichter Jevtoesjenko, "een censuur van onverschilligheid" gekomen. Voor de schrijvers – en ook een literair redacteur als Ivanova - die een bijna heilig geloof hadden gehad in de leidende kracht van de Russische literatuur, kwam deze marginalisering hard aan. “ (…) bij het huidige besef van verloren illusies, is het pijnlijk triest om terug te denken aan hoe we werden meegesleept door vergeefse hoop.”  

---------------

We zijn jaren verder. De literaire tijdschriften bestaan nog steeds en vervullen hun rol in de Russische literatuur – al is die rol in alle opzichten kleiner dan in de jaren tachtig. Publicatie in zo’n tijdschrift geldt nog steeds als kwaliteitsstempel. En nog steeds verschijnen er literaire werken (nu bij ‘gewone’ uitgeverijen) die bij literatuurliefhebbers voor opwinding zorgen – ik schrijf er af en toe over op dit blog. Wat zou het leuk zijn als er over een jaar of tien weer een boek verschijnt als dat van Ivanova, maar dan over de Russische literatuur in het eerste kwart van de 21ste eeuw; een terugblik ook op nog eens 25 jaar van mijn eigen lezersleven.

Enkele vermaarde literaire tijdschriften die wisten te overleven

Hoe ABBA en de toeschouwers bij het Tsjajkovski-concours in Moskou de KGB de zenuwen bezorgden

---------------------


Dat pop- en rockmuziek voor de KGB in de jaren tachtig een hoofdpijndossier vormde, dat was me bekend. Dat ook klassieke muziek de geheime dienst de zenuwen kon bezorgen, dat wist ik niet.

In de winter van 1981 trok ik in een ijskoud Leningrad een paar dagen op met de Magnetic Band, een uiterste sympathieke rockband uit Estland, onder leiding van Gunnar Graps. Ze traden op in middelgrote zalen, waar het enthousiasme groot was. Af en toe zo groot dat er gedanst werd – dit tot lichte ongerustheid van Graps en de zijnen. Bij een teveel aan dit soort wilde taferelen zouden er weleens concerten geschrapt kunnen gaan worden.      

Ik moest meteen aan die optredens van de Magnetic Band denken, toen ik onderstaand document tegenkwam. Het is een schrijven van de KGB over de zevende editie van het vermaarde Tsjajkovski-concours in Moskou. Daar stond bepaald geen rockmuziek op het programma, maar toch kon het publiek ook daar erg enthousiast worden. Geen probleem op zich, ware het niet dat het enthousiasme de verkeerde muzikanten gold: die uit Engeland en de VS, en niet uit de eigen USSR. Daar fronste men bij de KGB de wenkbrauwen over. En hoe zat dat met die geruchten over optredens van het 'ensemble ABBA'?

(Voor opmerkingen over de houterige stijl van onderstaand document wende men zich niet tot de vertaler, maar tot de KGB.)

No. 522
V.V. FEDORTSJOEK – CC CPSU  OVER HET GEDRAG VAN SOVJET-BURGERS IN CONCERTZALEN EN BIOSCOPEN
19  juli 1982

Geheim
No. 149-F
Moskou

CC KPSU
Aan kameraad Andropov Joe.V.

OVER NEGATIEVE VERSCHIJNSELEN IN HET GEDRAG VAN AFZONDERLIJKE CATEGORIEËN VAN TOESCHOUWSERS GEDURENDE OPTREDENS VAN BUITENLANDSE ARTIESTEN EN VERTONINGEN VAN WERKEN VAN BUITENLANDSE FILMKUNST

Volgens gegevens die het Comité van staatsveiligheid van de USSR bereiken, vinden de laatste tijd niet zelden elementen van negatief gedrag plaats van afzonderlijke categorieën toeschouwers, onder Sovjet-burgers die aanwezig zijn bij verschillende internationale evenementen op het gebied van cultuur en kunst.

Op 9 juli van dit jaar vond in de Grote zaal van het Moskouse staatsconservatorium de plechtige sluiting plaats van het VII Internationale P.I. Tsjajkovski-concours, waarbij de uitslagen werden bekendgemaakt en tevens een afsluitend concert van de laureaten werd gehouden. Gedurende de uitreiking van de prijzen aan de winnaars, kwam bij een meerderheid van de toeschouwers een demonstratieve tendentie aan het licht tot een duidelijke overwaardering van enkele buitenlandse uitvoerders en vooral van vertegenwoordigers van de USA en Groot-Brittannië, die werden begroet met langdurig applaus dat af en toe van een provocerende moedwilligheid werd. Het duidelijkst kwam dat tot uiting bij de onderscheiding van de Engelsman Donohoe P. (tweede prijs), de Amerikanen Zajats D. (derde prijs) en Barbagallo J. (zevende prijs). Ondertussen verliep de prijsuitreiking bij Sovjet-vertolkers die hogere plaatsen bezetten, in een sfeer van niet meer dan gewone begroetingen. Dit contrast werd nog groter tijdens de optredens van de laureaten op het concert. Zo werd de pianist uit Groot-Brittannië Donohoe P. na zijn nummer meermalen teruggeroepen op het toneel en werd hij letterlijk bedolven onder bloemen. Naar de mening van een reeks aanwezigen was een dergelijke reactie op zijn optreden niet volledig in overeenstemming met de objectiviteit, maar werd ze kunstmatig gecreëerd. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat na de ovaties voor de Engelsman, veel toeschouwers het concert verlieten en de optredens van de Sovjet-prijswinnaars Ovtsjinnikov V. en Zabiljasta L. plaatsvonden in een halflege zaal.

De ongezonde opwinding rond de evenementen in het kader van culturele uitwisseling deed zich ook in veel andere gevallen voor, in het bijzonder op het voorgaande P.I. Tsjajkovski-concours, op het concours van balletartiesten, tijdens de vertoning buiten het concours om van films van Westerse makelij op internationale filmfestivals, en eveneens gedurende de filmweken van de BRD, Frankrijk, Italië, Zweden, Canada en andere landen.

Abnormaal aangedikte belangstelling wekken ook de tournees in de USSR van enige buitenlandse ‘sterren’ ut de lichte muziek. Bij de ingang van de zalen vinden samenscholingen plaats, de situatie tijdens een concours is tot het uiterste verhit, er wordt geschreeuwd en er zijn pogingen tot massaal te dansen.

Onder liefhebbers van lichte muziek verspreiden zich voortdurend allerlei geruchten over aankomende tournees van buitenlandse artiesten, wat de openbare mening opzweept en in hoge mate van tevoren de genoemde negatieve momenten bepaalt. In 1981 werden dergelijke geruchten verspreid aangaande het Zweedse ensemble ‘ABBA’, momenteel wordt door een van de Moskouse kranten actief het sterke gerucht verspreid over een optreden van de Italiaanse zanger Celentano, hoewel Goskontsert USSR daar nog geen definitief besluit over heeft genomen.

Dit wordt medegedeeld als informatie.
Voorzitter van het comité (handtekening) V. Fedortsjoek     

-----------------

Nou wil het toeval dat er over het onderhavige Tsjakovski-concours een stevige documentaire is gemaakt. Over eventuele ‘ongezonde’ bijval voor de diverse muzikanten in de zaal valt op grond van de beelden niks te zeggen. Maar helemaal aan het eind van de film wordt het plots interessant. Daar zien we Peter Donohoe voor een open raam staan en toegejuicht worden door Moskouse bewonderaars beneden op straat. Uiterst ongezond uiteraard, binnen het vigerend denkraam van de KGB.

Overigens werd er bij de pianisten geen winnaar aangewezen. Peter Donohoe deelde de tweede prijs met Vladimir Ovtsjinnikov. Na lezing van bovenstaand document vraag je je af in hoeverre de jury haar beslissing heeft kunnen nemen zonder last of ruggespraak.

Hoe jongeren in Leningrad al in de jaren tachtig hun eigen ‘chatrooms’ hadden – via de vaste telefoon en een geheim nummer.

---------------


Behoorde je in de jaren tachtig in Leningrad tot de ingewijden – tot de Эфирщики (Efirsjtsjiki) – dan kon je met tientallen tegelijk onbeperkt chatten via een gewone telefoon of vanuit een telefooncel. Het enige wat je hoefde te weten was het geheime nummer.

Hoe en wanneer het fenomeen van de Efirsjtjiki precies is ontstaan, is niet helemaal zeker, maar eind jaren zeventig wás het er. Er deden nummers de ronde - belde je er daar eentje van met de draaischijf van de telefoon, dan kon je praten met iedereen die op datzelfde moment ook dat nummer had gedraaid – als in een chatroom.

Leningrad was in de jaren tachtig het centrum van informele groeperingen die zich het liefst verre hielden van de officiële structuren en een eigen subcultuur vormden. De Efirsjtsjiki pasten naadloos in die kleurrijke ‘ondergrondse’. Ze maakten gebruik van een technisch onvolkomenheid in de telefooncentrales van die tijd. Die laat ik hier verder onbesproken, vooral omdat ik er weinig tot niets van begrijp.

De nummers (die een zwevend bestaan leidden; ze waren niet gekoppeld aan abonnees) gingen van mond tot mond. Daarbij was de kwaliteit verschillend. Toen men bij de telefooncentrales het gedonder in de gaten kreeg, werd geprobeerd om de betrokken nummers onbruikbaar te maken. Dan kregen de bellers een ingesprektoon te horen. Daar kon je doorheen praten, maar ongestoord kletsen was er dan niet meer bij. Een vervuilde ‘chatroom’ werd vuilnisbelt (помойкa) genoemd. Er waren Efirsjtsjiki die een versterkertje in hun telefoon wisten te bouwen, waardoor ze beter verstaanbaar waren, maar handiger was het toch om op zoek te gaan naar een betere nummer, dat toegang gaf tot wel bruikbare chatrooms. Die werden schone ether (чистый эфир) werden genoemd.

Hippie-achtige locaties, zoals café Saigon (Nevski 49), waren de plekken waar deze nummers de ronde deden. Onduidelijk blijft hoe die zwevende nummers gevonden werden. Gewoon geduldig nummers draaien tot je er eentje ontdekte, zoals wel wordt geschreven? Maar dat vereist onwaarschijnlijk veel geduld. Waarschijnlijker is het dat de nummers afkomstig waren van medewerkers van de telefooncentrales zelf, die een zwak hadden voor de Efirsjtsjiki, of er misschien wel zelf toe behoorden.

Jevgeni Oechnaljov - Hoop (1987)

Wie thuis geen telefoon had, kon zijn toevlucht nemen tot een telefooncel. De toestellen daar werkten op dvoesjka’s, muntjes van twee kopeken. Onbeperkt kon je daar niet mee bellen, waardoor een uitgebreide chat nog een kostbare zaak kon worden – nog los van het feit dat die dvoesjka’s ook niet onbeperkt voorradig waren.*)  Daar was een trucje voor, dat niet alleen gebruikt werd door de Efirsjtsjiki. Je maakte een klein gaatje in het muntje, maakte er een touwtje of een stukje vissnoer aan vast en daaraan trok je het weer uit de telefoonautomaat. Zo kon je eindeloos chatten, al moest je dan wel telkens opnieuw inbellen. Een muntje van twee kopeken op je jas was ook het symbooltje waaraan Efirsjtsjiki elkaar konden herkennen. In het midden van de jaren tachtig was Lenins locomotief op het Finlandstation op zaterdagmiddagen een ontmoetingsplaats van bellers die elkaar ook weleens in het echt wilden ontmoeten.

Het fenomeen van de Efirsjtsjiki stierf een logische dood: oude telefooncentrales werden vervangen door modernere (opnieuw treed ik liever niet in details), en in de tweede helft van de jaren negentig was het voorbij. Er is een internetforum van oud-Efirsjtsjiki, maar ook daar is niet veel leven meer te bespeuren.


*) In mijn herinnering kon je, binnen de stad, wél onbeperkt bellen met een dvoesjka, maar in één van de artikelen die ik voor dit stukje las, wordt een maximumtijd van twee minuten genoemd.

-------------

Hieronder een korte documentaire over de Efirsjtsjiki. Mocht u de tekst willen meelezen, die staat hier volledig afgedrukt. (In de documentaire worden beelden gebruikt uit een andere film, die heb ik niet kunnen vinden.)

Aleksej Soendoekov, schilder van ‘De rij’. Hoe verging het hem daarna?

-----------------

Dit wrange, indringende schilderij uit de USSR kende ik al wel. Maar wie de schilder was en hoe het hem was vergaan sinds hij deze rij vrouwen op het doek aanbracht, dat wist ik niet. (Opvallend, trouwens, dat er alleen vrouwen te zien zijn *) ; in de rij staan was in de Sovjetunie beslist niet voorbehouden aan vrouwen alleen.)   

Ik kwam bovenstaand werk tegen en dacht: dat schilderij met die rollen wc-papier, in de metro, dat moet dan haast toch ook wel van hem zijn?

Inderdaad, ook dat is van hem, en zijn naam had ik best mogen weten. De twee schilderijen, die de sfeer van de jaren tachtig zo scherp neerzetten, zijn van Aleksej Soendoekov, geboren in 1952. Het bovenste is uit 1986, het tweede 1988. Op het tweede zien we de mensen ook op de rug, in een onderdoorgang in de metro. Is er licht aan het einde van de tunnel? De mensen dragen zomer- en winterkleding. Staan ze stil in de tijd? 

Aleksej Soendoekov, 1987

De rij van Soendoekov was voor het eerst te zien in 1987 op de 17de Tentoonstelling van Jonge Kunstenaars in Moskou, een van de vele geruchtmakende culturele evenementen die de tweede helft van de jaren tachtig, de tijd van glasnost en perestrojka, zo opwindend maakten. Zo’n tentoonstelling was een overwinning in de strijd voor artistieke vrijheid. Maar als die strijd gestreden is, als de knellende Sovjetmuren zijn omgevallen, wat doe je dan? Soendoekov vertrok naar New York.

Erg veel gegevens over Soendoekov heb ik niet kiunnen vinden. Zelf treedt hij kennelijk niet graag op de voorgrond – interviews met hem kwam ik niet tegen. In het Westen nam hij in de jaren negentig deel aan veel prestigieuze tentoonstellingen (zo lees ik in een bron) en dreigde hij in de vergetelheid te raken (zo lees ik in een andere). Hoe dan ook zal het voor Soendoekov lastig zijn geweest om zijn weg verder te vinden, met een naam die zo verbonden was aan schilderijen uit een andere tijd, uit een land dat niet meer bestond.
 

In 2008 is er in het Moskouse museum Art4.ru een tentoonstelling met de titel Grafiek van Soendoekov. Het werk dat daar is te zien, staat ver af van de monumentale schilderijen waarmee hij zijn naam vestigde. Die verwisselen op veilingen voor tienduizenden euro’s van eigenaar. De rij - zo heet het bovenste schilderij - hangt in het Russisch Museum in Sint-Petersburg.
 

Aleksej Soendoekov - De zin van het bestaan. (1988)


Het schilderij De rij kwam ik tegen op een site waar ik eerder inspiratie opdeed voor een stukje over Sovjet-schilderijen. Dit keer was daar een verzameling bijeengebracht met winkels, kiosken, marktkramen en andere vormen van handel als bindend thema, een enigszins beladen onderwerp in de USSR, waar winst maken niet echt paste binnen de ideologische kaders. Ik trof er ook onderstaand schilderij aan, dat ik eveneens - samen met zijn Franse voorbeeld - in dit stukje aan de orde had willen laten komen. Maar dat bewaar ik voor een andere keer.     

N. Gorski-Tsjernysjev - Het was kort geleden - het was lang geleden. (1990)

E. Manet - Een bar in de Folies-Bergère. (1882)


*) Bijna meteen na plaatsing van dit stukje werd ik erop gewezen dat er in de rij wel degelijk ook mannen staan. Niet zo veel, maar toch. Kennelijk vallen die mij minder snel op.

De Sovjet-elpees van de Stones, de Doors, Deep Purple: hoogtepunten voor Russische rockfans. En de Rus die zichzelf op de hoes van Sgt. Pepper zette.

Ik had er ooit eentje in mijn platenkast staan, zo’n Sovjet-elpee. Niet van de Rolling Stones, maar van Creedence Clearwater Revival. Hoe ik eraan ben gekomen, weet ik niet meer. Gekocht in een Berjozka? Zo’n winkel waar je alleen met harde valuta kon betalen? Waar ik ‘m heb gelaten, weet ik nog wel: voor een luttel bedrag verkocht aan de baas van De Grammaphoonwinkel, een sympathiek zaakje met tweedehands platen aan de Utrechtse Oudegracht. (Ik stond er ooit zelf achter de toonbank.)

De Creedence-plaat maakte deel uit van een serie van twaalf elpees, die eind jaren tachtig verscheen op het Sovjet-platenlabel Melodija. Aanvankelijk heette de serie Rock-archief, na drie elpees (één van Deep Purple en twee van Elton John) werd de naam veranderd in Archief van populaire muziek. In die serie werden de eerste drie elpees, met een iets andere hoes, nogmaals uitgebracht, de overige negen platen waren van The Doors, Stevie Wonder, Creedence, Rolling Stones (drie keer), Led Zeppelin, David Bowie en Elvis Presley.

De serie was een exponent van de toegenomen vrijheid in de USSR, waarbij de ideologie steeds meer terrein verloor. Van harte ging het nog niet, maar de tijd dat beat, pop en rock als Westers gif voor de edele Sovjet-jeugd werden gezien en bestreden, was voorbij. Zo begon het tijdschrift Rovesnik (Leeftijdgenoot) in juli 1987 met een serie puur informatieve artikelen over Westerse rock-acts, vergezeld van foto’s op de middenpagina. De oplage steeg meteen spectaculair. Ongeveer tegelijkertijd verscheen de eerste plaat in de serie Rock Archief: Dym nad vodoi (Smoke on the water) van Deep Purple.

Een elpee met die titel bestond in het Westen niet (Smoke on the water was een track op de lp Machine Head uit 1973). Op de Melodija-plaat waren nummers bijeengevoegd van de lp’s In Rock, Fireball en Machinehead, aangevuld met de single Black Night. Over copyright of licensies geen woord, naar Westerse maatstaven was het pure piraterij. Daarbij putte Melodija, zoals keurig op de hoezen stond vermeld, uit collecties van Russische verzamelaars. Zij werden met naam en toenaam genoemd en nadrukkelijk bedankt voor de medewerking.

Houtje-touwtje, zo kan je de manier waarop de serie tot stand kwam kan wel noemen. Samensteller Andrej Gavrilov vertelde in 1989 in een interview hoe dat ging bij Melodija:

“Het is er een zooitje. Je zou denken: wat is er simpeler, alle platen van het Archief worden getapet van andere platen. Je neemt een platenspeler, die verbind je met de studiorecorder, klaar is Kees. Nou, niet dus. Niet te geloven, maar ik kreeg een keer een plaat niet af, omdat er geen kabeltje was om de recorder mee aan te sluiten. En het originele materiaal had ik maar voor één avond meegekregen van de verzamelaars! Die plaat is dus nooit verschenen.”   

Het gehannes in de studio leverde soms curieuze resultaten op. Bij Time is on my side (op de eerste lp van de Stones) zijn de drums nauwelijks te horen, en Play with fire is zonder tamboerijn. Voor mij erg opvallend is de versie van Speed King op de lp van Deep Durple. Die begint met het zachte orgelstukje. Het ruige intro ontbreekt! Juist dat intro blies mij ooit als onevenwichtige puber volledig omver. Die eerste maten waren – jawel, zo voelde dat toen – een dramatisch keerpunt in mijn leven. 

Opvallend zijn verder de hoesteksten: informatief, to the point, zonder enig ideologisch geneuzel – uitzonderlijk in die tijd. (“Specialisten erkennen dat het oeuvre van UB40 doordrenkt is van zorgen over het lot van de Westerse jeugd” - dat was ook in die jaren nog de standaardtaal in de Sovjetpers.) Eén missertje kwam ik wel tegen: Gavrilov meldt op één van de hoezen van de Stones dat de band in 1987 werd opgeheven.    

Andrej Tropillo

Andrej Tropillo

Gavrilov had nog plannen voor lp’s van onder meer Simon and Garfunkel, Traffic, Donovan, Sam Cooke en The Animals, maar die zijn er in zijn serie nooit meer gekomen. Het stokje werd overgenomen door de legendarische Andrej Tropillo, die als hoofd van Melodija Leningrad nog een aantal jaren doorging met het uitbrengen van lp’s van Westerse bands. Hij trok zich nog minder aan van auteursrechtelijke angels en kopieerde gewoon complete albums, inclusief de hoezen. Getrouwe kopieën waren die hoezen niet altijd. Op die van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band gaf Tropillo zichzelf een plaatsje tussen de beroemdheden. Hij staat op de bovenste rij tussen Edgar Allan Poe en Fred Astaire:

De serie Archief van populaire muziek was een mijlpaal voor de liefhebbers van pop en rock in Rusland. Veel Russen denken er vol nostalgie aan terug. Echte collector’s items zijn de elpees (nog) niet geworden. Twintig euro (voor de Sovjet-release van Deep Purple ) is het hoogste bedrag dat ik op internet gevraagd zag worden.