sint-petersburg

Taart! Voor de zoveelste vrachtwagen die zich klem rijdt onder de Brug der Domheid.

Hoeveel bruggen in de wereld hebben een eigen Twitter-account? Dat zullen er niet veel zijn, ik ken er in elk geval maar één. Die bevindt zich niet ver van Sint-Petersburg, daar waar de Sofiastraat over de Lensovetweg heen gaat. De brug heeft geen officiële naam, maar geniet wel een groeiende faam onder de bijnaam Brug der Domheid (Мост глупости). Zo staat hij zelfs vermeld op Google Maps (‘Bridge of Fools’) en bij het Russische equivalent Yandex Karty. Bij Yandex staat ook nog aangegeven dat we hier te maken hebben met een bezienswaardigheid, en dat is niet voor niks. Als de Lorelei langs de Rijn, zo trekt de Brug der Domheid busjes en kleine vrachtwagens (vooral van het merk Gazel) aan, die denken dat ze er nog net onderdoor kunnen. Met een bijna ijzeren regelmaat blijkt dat net níet het geval te zijn. Kijk, hier zitten nummer 189 en 195 klem:    

De Brug der Domheid heeft ook een eigen groep op Vkontakte (een soort Facebook) en daar staat bij nummer 195 vermeld: “Nummer twintig van dit jaar, nog vijf en we hebben een jubileum!” Confrontatie 195 voltrok zich op 19 december, vermoedelijk zal de mijlpaal van tweehonderd dus pas in 2021 worden bereikt. Al weet je het niet, het kan plots snel gaan. Hier hebben we een dubbele score:

Bij die aantallen moet overigens wel enig voorbehoud worden gemaakt, het zijn er vrijwel zeker meer. De brug ligt er al een jaar of tien en met de telling werd niet meteen begonnen. Bovendien moet er van elke botsing bewijs zijn in de vorm van een filmpje of foto, anders telt het niet. Zo werd op 7 september van dit jaar een hoeveelheid lego-steentjes bij de brug aangetroffen, vermoedelijk een deel van de lading van weer een ongelukkige vrachtwagen. Maar omdat verder bewijsmateriaal ontbrak, vinden we dit voorval niet terug in de statistieken.    

Je zou verwachten dat er bij alle aandacht voor de brug ook wordt gewezen naar een schuldige, de Russische Rijkswaterstaat bijvoorbeeld, of wie er daar ook gaat over bruggen en snelwegen. En dat dan iemand van Rijkswaterstaat zich zou uitputten in excuses en beterschap zou beloven, of anders wel een andere instelling zou aanwijzen als hoofdverdachte. Maar niets van dat alles, althans, ik kwam zo iemand tijdens mijn bescheiden onderzoekje niet tegen. Wel hangt er een spandoek boven de brug, met de overduidelijke waarschuwing: Gevaarlijk! Lage brug! Een Gazel kan er niet door! Maar wie dat heeft opgehangen, dat is mij dan weer niet duidelijk.

Helpen doet het in elk geval niet, vooral omdat, zo blijkt uit de schaarse commentaren van getroffen vrachtwagenchauffeurs, er te veel vertrouwd wordt op het navigatiesysteem. En dat geeft gewoon de kortste route aan, zonder toeters of bellen wanneer zich een te lage brug aandient. Visueel, dat moet gezegd ter verdediging van de brokkenmakers, zit er wel een flinke adder onder die brug. Het te lage deel bevindt zich iets voorbij het begin en valt daardoor niet erg op. Ook niet nadat er rood-witte strepen waren aangebracht. Waarschuwingsborden en een soort balk met kettinkjes, die als een alarm tegen de wagens aanklingelen, bleken evenmin afdoende; die kettinkjes vielen er op een gegeven moment weer af. Hoe dan ook: de navigatie-aanwijzingen blijken dwingender en de busjes en vrachtwagens rijden zich nog altijd vrolijk klem.

De weg dan maar wat verdiepen? Daar beginnen ze van Rijkswaterstaat waarschijnlijk niet aan, want langs de weg licht een riviertje en dan krijg je straks, wanneer sneeuw en ijs gaan smelten, weer heel andere problemen.

Verder kan nog vermeld worden dat de Brug der Domheid – een bezienswaardigheid, weet u nog? -  volgens Yandex Karty 24 uur per dag geopend is. Een van de bezoekers gaf als commentaar, ook bij Yandex: “Geweldige emoties, één van de aansprekende plekken van Sint-Petersburg. Aanbevolen. Prima plek om te vissen ook.” 

En ter afsluiting hier het presentje dat het twitter-account van de brug kreeg van een medewerker van het Pasteur Instituut in Sint-Petersburg, ter ere van de 150ste gestrande Gazel. Hij bracht een aantal microben bijeen in een kweekglas, die zich ontwikkelden tot een mooi plaatje.

Voor wie het interesseert, de volgende bacteriën werden gebruikt:

Roze: escherichia coli
Blauw: enterococcus hirae
Groen-blauw: enterococcus faecalis
Grijs-blauw: citrobacter braakii;
Bruin: providencia rettgeri
Doorzichtig: hafnia alvei

————————

En helemaal tot slot hier nog een alleraardigst filmpje van een fietsliefhebber, die afgelopen zomer maar eens op weg ging naar die beroemde Brug der Domheid:

2.45 – Onderweg komt hij nog een paar ‘broeders’ van de beroemde brug tegen.
5.20 – Volgens hem rijdt hij hier over het langste fietspad van het Melkwegstelsel. (Ligt er niet een fietspad helemaal van Den Helder naar Hoek van Holland of zo? Nou ja.)
5.31 – Niet ver van de brug, bij een gemaaide wei, legt hij een verband tussen het aantal hooibalen aldaar en het aantal slachtoffers van de brug. Een interessant punt, dat nader onderzoek verdient.
5.53 – Het eerste waarschuwingsbordje!
6.35 – En daar is hij dan bij zijn bestemming. “Hier voltrokken zich grootse veldslagen. 160 gevallenen. Pijn, gekraak, wat heeft deze brug allemaal niet gezien in zijn tijd.”   

Gebrandschilderde ramen Sint-Petersburg: redden wat er te redden valt

———————

Het moeten er duizenden zijn geweest, verspreid over de stad – hoeveel er nog van over zijn, weet niemand: de gebrandschilderde ramen (vaak Jugendstil) die rond 1900 en vogue waren, precies in de tijd dat er in Sint-Petersburg volop werd gebouwd. Ze versierden de ruime trapportalen van de vier- à zeshonderd huurflats die her en der verrezen. Veel van die flats kregen in de openbare ruimtes van het portaal een eigen karakter door speciale gietijzeren leuningen, een versierde liftschacht, aparte tegeltjes op vloer en kachel en ook door glasdecoraties, niet alleen bij of boven de voordeur, maar vaak op elke verdieping.

De schatting is dat er van de gebrandschilderde ramen en andere glasdecoraties minder dan 20 procent bewaard is gebleven. Om daar een preciezer beeld van de krijgen, en ook om te kijken waar restaureren nodig (en nog mogelijk) is, wordt gewerkt aan een inventarisatie. Dat is nogal een klus en bij wijze van opstap is begonnen met een relatief bescheiden proefproject op het Vasili-eiland, een wijk met een overzichtelijk stratenplan. Zo’n 30 vrijwilligers kamden het eiland uit en telden 41 gebouwen met in totaal rond de 150 versierde ramen. In veel gevallen betrof dat slechts resterende delen van een groter geheel, bijvoorbeeld een bovenste rij versierde raampjes die aan beschadiging zijn ontsnapt. Een tweede inventarisatie gaat plaatsvinden in de wijk Petrogradskaja Storona (waar een grotere oogst wordt verwacht), maar corona gooit daar nog even roet in het eten.

De bouw van de vele flats kwam net op een moment dat technische ontwikkelingen de fabricatie van versierd glas makkelijker hadden gemaakt. Aan het begin van de vorige eeuw telde Sint-Petersburg zo’n 20 ateliers waar gebrandschilderde ramen werden gefabriceerd. De bekendste waren die in de glasfabriek van de gebroeders Frank, gelegen op het Vasili-eiland, op het adres 22ste Linie, nummer 3. De namen van de ateliers werden als een soort handtekening op de schilderingen-op-glas aangebracht. Dat gebeurde onderaan, en juist die lagere delen hebben door de jaren heen de meeste schade opgelopen. Een gave handtekening van een glasatelier is tegenwoordig een grote zeldzaamheid.  

Het best bewaard op het Vasili-eiland zijn de ramen in het voormalig woonhuis van de koopman P. Bekel (2de Linie, nummer 23), waar tegenwoordig een wetenschappelijk instituut is gevestigd, en die in de kerk op het Smolensk kerkhof (Ul. Kamskaja 24). Dat is ongetwijfeld te danken aan het feit dat beide geen woonhuis (meer) zijn. Qua stijl (geen Jugendstil) wijken ze af van het gros van de andere gebrandschilderde ramen op het eiland.

In de trapportalen van de flats kan men zich slechts aan de hand van bewaarde fragmenten een voorstelling maken van de complete, originele gebrandschilderde raampartij. Dat er zo veel fraais is gesneuveld, hoeft niet te verbazen, gezien de vele sociale ontwrichtingen die Leningrad over zich heen kreeg. In de jaren negentig van de vorige eeuw en ook daarna vielen nog eens vele ramen ten prooi aan verbouwingen en ander ‘opknapwerk’. In plaats van een kostbare en tijdrovende restauratie, plaatste men liever plastic kozijnen met nieuw glas. Slechts bij versierd glas in gebouwen die een beschermde status genieten, kunnen juridische middelen ingezet worden voor het behoud van wat nog rest.

—————————

De inventarisatie op het Vasili-eiland vond plaats tussen juni 2019 en maart van dit jaar. De initiatiefnemers hopen dat grotere bekendheid van de kunstwerkjes de bescherming ervan zal vergemakkelijken. Nog niet iedereen is even enthousiast. Drie instellingen weigerden de deuren te openen voor de vrijwilligers, ondanks een officiële brief van het ВООПИиК (VOOPIik), de overheidsinstelling voor monumentenzorg. De drie adressen zijn wel opgenomen in de catalogus die deze maand over de ramen op het Vasili-eiland verschijnt, maar alleen met een beschrijving aan de hand van oudere gegevens.

De catalogus van het Vasili-eiland is hier te bestellen (ik vermoed alleen binnen Rusland.)

Goed nieuws is dat de bewaarde gebrandschilderde ramen op het eiland over het algemeen in een redelijke conditie verkeren. Slechts op twee adressen (hoek 5de Linie, nummer 23/Boegski per. 1 en 18de Linie, nummer 9, in beide gevallen op de bovenste verdieping) is voor behoud een spoedingreep vereist. Technisch gezien is restauratie van alle glasversieringen mogelijk, een groter obstakel is een gebrek aan (financiële) wil bij de eigenaren.

De gegevens over het Vasili-eiland staan uiteraard niet alleen op papier, er is een database die deel uitmaakt van een speciale site over Russische gebrandschilderde ramen . Daar zijn ook adviezen te vinden voor wie zich wil inzetten voor het behoud ervan. Waar kan je melding maken van bedreigde ramen? Welke juridische middelen zijn er? Een positief voorbeeld van betrokkenheid is te vinden aan de 3de Linie, nummer 52. Daar zijn aan de hand van een bewaard fragment nieuwe gebrandschilderde ramen aangebracht op alle etages van het trappenhuis. Wel wijken de kleuren enigszins af van het gamma dat rond 1900 gebruikelijk was. Wie de ontwikkelingen rond de ramen wil volgen, kan behalve op de site ook terecht op Instagram en bij een Facebookgroep over gebrandschilderde ramen in Rusland.         

——————————-

Busrit door een verdoofde stad – Sint-Petersburg tijdens corona.

————————

————————

Wie hij precies is, weet ik niet, maar hij houdt van Sint-Petersburg. Hij beheert een bescheiden YouTubekanaal en noemt zichzelf flackelf. Hij stapt bij het Finland station op de bus voor een lange rit naar het Toergenev plein. Hij gaat medicijnen brengen bij iemand die slecht ter been is. Na een klein stukje van de route pakt hij in de Koejbysjev straat zijn telefoon en begint te filmen: de straten van de stad tijdens corona. Hij geeft commentaar, maar is door zijn mondkapje lastig te verstaan. Toch ontpopt hij zich als een prima gids. Keurig noemt hij de bezienswaardigheden op, zoals de magnifieke villa van Matilda Ksesjinskaja (1.45) en even later de Petrus en Paulus-vesting. Pas op en na de brug over de Neva begint op te vallen hoe leeg de straten echt zijn. Bij de passage van de Nevski Prospekt wordt het beklemmend. Je schrikt ervan. De beroemdste straat van de stad lijkt wel verdoofd. Deel 1:

———————

“Een prima tijd voor een excursie door de stad met een bus”, zegt onze reisleider, die duidelijk groeit in zijn rol. Hij gaat verder dan het benoemen van het stedelijk landschap en uit bijvoorbeeld zijn verbazing over de prijs van mondkapjes, te koop bij een apotheek (5.47): 50 roebel. Drie keer zo duur als normaal, meldt hij. Ondertussen worden de haltes, nogal vervreemdend, aangekondigd met dezelfde opgewekte stem als voorheen. Ook de (gesloten) theaters in de buurt worden keurig genoemd. En daar is het Hooiplein; vanaf de Nevski tot hier was het deze keer maar vier, vijf minuten. “Normaal ben je te voet soms sneller.” En eindelijk stappen er ook andere passagiers in (7.27). Tot dan toe had onze reisleider alleen gezelschap gehad van de conductrice, die af en toe zit te bellen – wat moet ze anders.

———————-

We zijn nog steeds op de Sadovaja. Een gesloten bloemenwinkel, meldt de reisleider. En de kapper, ook dicht. “Kennelijk zijn de haren opgehouden te groeien met het coronavirus.” En voor wie zijn kennis van het Russisch wil uitbreiden, is hier misschien een nieuwe uitdrukking: sommige cafés werken nog wel, vertelt onze gids, maar alleen на вынос / om mee te nemen. Op 4.23 kondigt hij een mooi plekje aan: de Nikolski kathedraal, en hij wijst op het hek langs het Girbojedovkanaal: dat hek herinnert zich Poesjkin en Dostojevski nog, zegt hij. “Dat staat er en staat er, en ‘overstaat’ [prachtig: перестоит, als ik dat tenminste goed versta] ook ons en nog veel meer generaties.”

En dan is de rit voorbij: “Ik ga er bij de volgende uit. Dat was het, we nemen afscheid.” 

———————

Nog heel even filmt onze reisleider de straat. Je hoort hoe door een luidspreker de corona-maatregelen nog eens worden omgeroepen. En dan zegt hij: “De gelukkigste wezens zijn nu de honden. Die hebben nog nooit zo veel en zo lang gewandeld! Zo veel honden als nu heb ik nog nooit gezien.” 

——————-

Stagnerend Rusland, opstand in Norilsk, heimwee naar Leningrad – drie boeken.

—————————

Arnout Brouwers maakte onlangs in de Volkskrant, in een artikel over de ‘nieuwe’ Ruslandstrategie van minister Blok, gewag van een veelal westers gerichte bevolking in Rusland, “die – los van de greep van het Kremlin – het land ingrijpend aan het veranderen is”. Vladimir Inozemtsev zal dat, getuige de sombere analyse in zijn boek Nesovremennaja strana (Niet-modern land) een veel te optimistische bewering vinden. 

Econoom en politicoloog Inozemtsev windt er, in heldere en bedachtzame taal, geen doekjes om: het niet-moderne Rusland raakt technologisch en economisch hopeloos achterop en is in een tijd van globalisering steeds minder bij machte om te concurreren. Rusland, vervuld van revanchisme en heimwee naar het verloren Sovjet-imperium, zit vastgepind in de groep van verliezers. De schuldige (Inozemtsev spreekt in dit verband van landverraad) is een elite, die zich niet verantwoordelijk voelt voor de staat (государство), maar die de staat gebruikt als verdienmodel. Die elite, niet geïnteresseerd in de ontwikkeling van een kennis-economie, zet onvoldoende in op innovatie en isoleert zich van de buitenwereld. Ze is slechts bezig met de verdeling van de overvloedige opbrengsten uit grondstoffen en heeft geen enkele baat bij verandering. Stabiliteit is het toverwoord en wat dat betreft kunnen de machthebbers en hun trawanten, aldus Inozemtsev, rustig slapen.

Kenmerkend voor een moderne maatschappij is, nog steeds volgens Inozemtsev, een effectieve interactie tussen overheid en individu, en ook op dat gebied blijft Rusland achter. De Russische burger beschikt niet over kanalen om de machthebbers onder druk te zetten. Problemen worden opgelost middels corruptie en connecties. Vakbonden hebben geen invloed, politieke partijen zijn lege hulzen. Georganiseerde protestacties zijn schaars en hebben nauwelijks effect. Inozemtsev spreekt in dit verband van een geatomiseerde, individualistische samenleving. Een opvallende diagnose (‘individualistisch’ is een etiket dat meestal juist, en zeker door Rusland, op het Westen wordt geplakt), maar eentje die de spijker op de kop slaat. 

Een uitgebreide Russische bespreking van Inozemtsevs boek vindt u hier.

———————

Van een heel andere orde, geschreven in wat minder toegankelijk Russisch, is Vosstanie (Opstand) van journalist/schrijver Nikolaj Kononov. Daarin wordt het loodzware levenspad beschreven van Sergej Solovjov, een van de leiders van de befaamde opstand van gevangenen in Norilsk in 1953. Solovjov liet bij zijn overlijden in 2009 nauwelijks documenten na en had zich eerder ook slechts mondjesmaat uitgelaten over zijn verleden. Kononov maakte gebruik van memoires van anderen en kreeg ook hulp van Memorial, de onvolprezen organisatie die de schijnwerpers op de Stalin-terreur gericht blijft houden. Kononov hanteert een vrij ongebruikelijk procedé: hij verplaatst zich in Solovjov en schrijft in de ik-persoon. Solovjov raakt in de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen, sluit zich aan bij het Russisch Bevrijdingsleger van generaal Vlasov, weigert mee te doen aan acties tegen partizanen, belandt in concentratiekamp Natzweiler, ontsnapt, leeft na de oorlog enkele jaren in Charleroi, keert terug naar de USSR in de ijdele hoop zijn familie terug te zien, wordt in 1949 voor zijn desertie veroordeeld tot 25 jaar kamp, is een van de aanstichters van de mislukte opstand in Norilsk, belandt in Kolyma, waar een vluchtpoging mislukt; nadat hij zich met twee maten maanden heeft schuilgehouden in oude mijnschachten, wordt hij gepakt. In 1955 wordt hij opnieuw tot 25 jaar veroordeeld, en die straf zit hij uit. Zo ver gaat Kononov in zijn boek (aangeduid als ‘documentaire roman’) niet mee met Solovjov; hij zet een punt na diens mislukte vluchtpoging in Kolyma. Vosstanie staat op de korte lijst van de literaire premie NOS.

Een bespreking van Kononovs boek vindt u hier, een interview met de schrijver hier.

———————-

Wie twijfels zet bij het nut van culturele en wetenschappelijke contacten met Rusland, dient onverwijld het zeer prettig leesbare Van Leningrad naar Sint-Petersburg. Nederlandse herinneringen aan een wonderlijke stad aan te schaffen. Onder redactie van Arthur Langeveld en Wil van den Bercken (die beiden ook een bijdrage leverden) schrijven enkele vooraanstaande Ruslandkenners over de tijd die zij, steeds in het kader van wetenschappelijke of culturele contacten, doorbrachten in Ruslands tweede stad, variërend van enkele maanden tot meerdere jaren. De kennis die zij van land en taal opdeden, is nog altijd onbetaalbaar.

In het kader van mijn studie verbleef ook ik langere tijd in Rusland, en al was dat niet in Leningrad, maar in Voronezj, de verhalen in het door Pegasus uitgegeven boek zijn voor mij een feest van herkenning. Stikjaloers ben ik op Hella Rottenberg, die tijdens een 1-mei-demonstratie een portret van Leonid Brezjnev mocht dragen! Ik liep ooit mee in een demonstratie in Voronezj, samen met medebewoners van mijn studentenflat. Wij riepen – we hadden al een borreltje op – onze eigen leuze: “Leve de eendrachtige samenwerking tussen de Sovjet-arbeiders en de Hollandse bourgeoisie!”, gevolgd door een luidkeels: hoera! Ook leuk, maar het zinkt in het niet, potverdorie, bij dat Brezjnev-portret van Hella. Mooi ook om over het contrast te lezen tussen het verstilde Leningrad uit de studietijd van Langeveld en Van den Bercken, en het steeds woeligere Sint-Petersburg tijdens het verblijf aldaar van Aai Prins. En wist u dat de gordijnen in het eerste onderkomen van het NIP, het Nederlands Instituut, de goedkeuring konden wegdragen van niemand minder dan Jan des Bouvrie?

Een ding viel me wel een beetje tegen, bij de beschrijving van de studentenflats waar men indertijd verbleef: het gemiep van mijn ‘lotgenoten’ over het feit dat men in Leningrad zijn of haar kamer met een of twee anderen moest delen. Nou ja, zeg! Wij, in Voronezj, deelden ons bescheiden aantal vierkante meters met z’n vieren!   

“Leve de eendrachtige samenwerking tussen de Sovjet-arbeiders en de Hollandse bourgeoisie! Hoera!” (Mocht Hella mij een foto kunnen leveren waarop zij Leonid Brezjnev torst, dan wordt die hier natuurlijk onverwijld geplaatst.)

Serebrennikovs Leto - een film, zwanger van een legendarische toekomst

——————

Het borrelde in die jaren en ik kreeg er weinig van mee, terwijl ik toch regelmatig in de Sovjetunie zat. Ik speelde in de provincie weleens met een bandje, vrienden wezen me er de weg op de zwarte markt, waar elpees van Deep Purple, John Lennon en Billy Joel goud waard waren. In de grote stad, Leningrad, trok ik een paar dagen op met de Magnetic Band, een stel aardige jongens uit Tallinn, die bij hun concerten bang waren voor té veel enthousiasme onder hun publiek – volgende optredens zouden weleens verboden kunnen worden. Het was januari 1982.

Een half jaar eerder, in de zomer van 1981, liep in Leningrad Viktor Tsoj rond, een jonge muzikant met een paar liedjes, op zoek naar aansluiting bij de rockscene. De opwindendste delen van die scene bevonden zich nog ondergronds – buiten mijn blikveld –  het bravere deel vond af en toe zijn weg naar de officiële podia. Opwindend en braaf, het kon zich ook verenigen in één persoon, in één band, met een officieel concert ’s avonds, gevolgd door optredens ergens aan huis of in zaaltjes achteraf, waar fans alleen via via van wisten en waar je na afloop niet meer weg kon, omdat de bruggen over de Neva al geopend waren voor de nacht.

Op dat snijvlak van onder- en bovengronds speelt zich de film Leto (Zomer) af van regisseur Kirill Serebrennikov. Het is een film zonder vergezichten, letterlijk en figuurlijk; weidse panorama’s – waar Leningrad zich zo voor leent – ontbreken. Het tijdsbestek is beperkt: slechts een paar zomerse maanden of zelfs maar weken. Plaats van handeling: zaaltjes, podia, kamers en keukens van kommoenalka’s en, tegen het einde van de film, een opnamestudio. Want Tsoj, die mede door een vroege dood zou uitgroeien tot dé rocklegende van de Sovjetunie en Rusland, vÍndt aansluiting bij de rockscene van de stad.            

Sint-Petersburg, 2019

Tsoj (gespeeld door Teo Yoo) wordt bij de hand genomen door Majk Naoemenko (Roman Bilyk), voorman van de band Zoopark. Die heeft dan al een status onder lokale rockliefhebbers waar Tsoj alleen nog maar van kan dromen. Naoemenko herkent het talent van Tsoj, voelt aan dat hij door hem overschaduwd zal worden, ziet ook dat hij zijn vrouw weleens aan hem zou kunnen verliezen – en gunt hem op beide fronten zijn succes. Naoemenko heeft een grote collectie elpees met Westerse pop en rock. Daar haalt hij een deel van zijn inspiratie uit en hij laat er ook Tsoj uit putten. Lou Reed, David Bowie, Iggy Pop … De wijze waarop regisseur Serebrennikov die Westerse muziek in een paar ‘kleine’ straatscènes door Leningrad laat golven, is verrassend en prachtig.     

De ontmoeting van de Westerse muziek met Russische muzikanten, die er een eigen weg mee inslaan, is het tweede snijvlak van Leto, al komt dat in de film niet concreet in beeld. Maar je weet als kijker met enige kennis van de muzikant Viktor Tsoj en zijn band Kino dat hij aan het begin staat van die eigen, opwindende weg. Je bent getuige van zijn eerste stappen en voortdurend denk je – ook dankzij het overtuigende acteren van Yoo: daar heb je Tsoj, die later zo beroemd gaat worden! Zo is Leto zwanger van een legendarische toekomst. Wat ik me wel afvraag: wat blijft er over van Leto bij een ‘neutrale’ kijker, die geen weet heeft van Leningrad in de jaren tachtig en die pas dankzij deze film kennismaakt met Tsoj? Ik ben benieuwd naar de reacties van kijkers die minder voeling hebben met het Rusland van toen dan ik.     

En wie zich afvraagt wat die soldaten doen die in een van straatscènes links in beeld voorbijkomen met een teiltje in hun hand; die zijn op weg naar een badhuis - of zijn daar net geweest.


Viktor Tsoj kwam in augustus 1990 om het leven bij een auto-ongeluk. Mike Naoemenko overleed in augustus 1991 aan de gevolgen van een hersenbloeding. Kirll Serebrennikov werd nog tijdens de opnames van Leto opgepakt op verdenking van verduistering van overheidssubsidie en onder huisarrest geplaatst. Vorige week werd het huisarrest omgezet in een uitreisverbod.

Van Siberië naar Siberië - het huis in Leningrad waar je beter niet kon wonen

——————

Ze belandden van de regen in de drup, zou je kunnen zeggen. Maar die onschuldige uitdrukking volstaat niet om te omschrijven wat de eerste bewoners van het huis aan de Neva in de jaren dertig van de vorige eeuw overkwam.

Het huis in Leningrad werd begin jaren dertig speciaal voor hen gebouwd: leden van de Vereniging van voormalige politieke gevangenen en bannelingen. Ze hadden gestreden tegen het tsaristisch regime, hadden daarvoor betaald met hun vrijheid, en mochten nu (tegen de achtergrond van een schrijnende woningnood) genieten van welverdiend comfort: een eigen appartement in een modern flatgebouw.

Wie een beetje vertrouwd is met de gebeurtenissen in de USSR in die tijd, voelt het vervolg al aankomen. Lang konden de oud-revolutionairen niet van de ongekende luxe genieten. Tegen het einde van de jaren dertig was in 122 van de 144 woningen het hoofd van het gezin verdwenen: gearresteerd en geëxecuteerd, dan wel veroordeeld tot een kampstraf. Van de regen in de drup, maar dan erger.

De Vereniging van voormalige politieke gevangenen en bannelingen werd in 1921 opgericht. Het ledental groeide snel en er kwam een eigen infrastructuur. Zo werd Moskou een clubgebouw rijker met de naam Paleis van dwangarbeid en verbanning. Er kwamen eigen sanatoria, drukkerijen, uitgeverijen en woonhuizen. In de hoofdstad kregen strijders tegen het tsarenregime twee flatgebouwen met een gedeelde binnenplaats, op de hoek van de Pokrovka (nummer 37, met op de begane grond tegenwoordig de Kunstenaarsbond) en de Tsjaplyginstraat 15. Op de eerste verdieping aan de Tsjaplyginstraat is een stenen vlag te zien met daarop opengebroken tralies, een soort uitwaaierende zonnestralen en de letters CCCP.

Was de nieuwbouw in Moskou al luxe en indrukwekkend, dat gold helemaal voor de  flatgebouwen die in Leningrad verrezen, in de vorm van een driehoek, op een toplocatie: de hoek van de Petrovski Kade en het Troitskiplein (ten tijde van de bouw Revolutieplein geheten). De oud-revolutionairen hadden er aan de lange kanten uitzicht op de Neva of de Petrus-en-Paulus-vesting. In 2002 werd daar aan de zijde van de vesting nog een element aan toegevoegd: de Solovetskisteen, een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Stalinterreur. 

Het in constructivistische stijl opgetrokken gebouw was een van de eerste communale woningen van Leningrad. Je kon in de appartementen (met twee of drie kamers) wel iets opwarmen, maar een keuken ontbrak. Een maaltijd kon je halen of nuttigen in de kantine. Wel had men een eigen badkamer met warm water. Op de begane grond waren een theaterzaal, een bibliotheek, een kleuterschool, een club, een wasserij en garages, op het dak bevond zich een solarium.

————————

En toen kwamen ze voor de bewoners. Er is een naslagwerk (de eerste druk is uit 1929, de tweede uit 1934), een kleine negenhonderd pagina’s dik, waarin alle leden van de Vereniging van voormalige politieke gevangenen en bannelingen vermeld staan, met hun geschiedenis als revolutionair, inclusief hun veroordeling(en) en de locatie waar ze hun straf uitzaten. En hoewel niet alle leden ten onder gingen in de Stalinterreur, denk je toch bij elke naam die je ziet staan: wat zou, bij wijze van wrange afronding, hier nog als veroordeling aan toegevoegd kunnen worden?

Een geroyeerde ‘podavanets’.

Ik leerde uit het naslagwerkje overigens twee nieuwe woorden (of eigenlijk zijn het oude woorden, je komt ze niet meer tegen): подаванцы en выдаванцы. Подаванцы hadden zich na hun veroordeling gewend tot de autoriteiten met een verzoek om clementie, выдаванцы waren nog een graatje erger geweest: die waren door de knieën gegaan en hadden kameraden verraden. Was dergelijk verwerpelijk gedrag bij nader onderzoek vastgesteld, dan volgde royering, maar je bleef wel opgenomen in het naslagwerk, op alfabet tussen de rest, nog steeds inclusief je persoonlijke geschiedenis, maar mét de vermelding van uitsluiting. De editie van 1929 bevat nog een aparte lijst met zo’n zestig namen van leden die wel ooit waren veroordeeld, maar niet vanwege revolutionaire daden. Gewone misdadigers dus, die ten onrechte als lid waren toegelaten.

In het naslagwerk treffen we onder de B de naam aan van Ivan Bogomolov, met lidmaatschapsnummer 609. Hij werd onder meer veroordeeld tot drie jaar dwangarbeid. Op zijn gedrag als revolutionair was nooit iets aan te merken geweest, maar dat redde hem niet. Hij werd in 1938 geëxecuteerd. Aan de muur van het huis in Sint-Petersburg, aan de achterzijde van dat deel dat uitkijkt op het Troitskiplein, hangt een gedenksteen met de namen van slachtoffers uit de appartementen. Het is ontworpen door zijn zoon. 

—————————

Vijf Russische vrouwen en één idioot (ik)

—————

De gezonde jongelui op de achtergrond hadden zojuist rondjes gerend rond het Marsveld te Sint-Petersburg. Dat Marsveld is nogal groot, dus het waren nogal grote rondjes. Wat me bij zulke winterse evenementen in de buitenlucht altijd opvalt in Rusland, is de vanzelfsprekendheid waarmee weer en wind worden geaccepteerd. De deelnemers zullen die ochtend niet voor de zekerheid nog even gebeld hebben: gaat het wel door? De mevrouw op de voorgrond liep door m’n beeld en maakte er zo nog een aardige foto van.

Er is heel wat wat kritiek in Sint-Petersburg op de gemeente inzake het sneeuwruimbeleid. Dat laat her en der te wensen over, waardoor binnenplaatsen en trottoirs veranderen in verijsde, moeilijk neembare en af en toe levensgevaarlijke hordes. Maar niet in het centrum! Deze mevrouw had de leiding over een ploegje dat de Bolsjaja Morskaja begaanbaar moest zien te houden. Ze hadden er wel schik in, wat volgens mij te maken had met dat poezenmotief op de Kamaz, waarmee de sneeuw werd afgevoerd. 

Foto? Ja hoor, gaat uw gang! De mevrouw links deed nog speciaal voor mij de klep even open van de ketel, zodat haar maïskolven goed in beeld kwamen. 

Dooi in Sint-Petersburg is helemaal niet erg, als de zon af en toe maar schijnt in de plassen op de Neva. En dat deed de zon, die ook haar rood-oranje haren even meenam. Keken de vrouwen hierboven in de camera, deze deed dat heel nadrukkelijk niet. Maar het maakte niks uit, die zon op het water op het ijs van de Neva maakte het allemaal al mooi genoeg.

Ik zag deze vrouw, moeizaam ter been, aan komen waggelen met haar skistokken. Ze stond even stil voor de sneeuwhoop, wankelde zich erdoor, zette de stokken tegen het graniet en staarde over het dooi-ijs van de Neva. Ik kreeg de indruk dat ze afscheid kwam nemen van haar rivier. Dat ze die ochtend tegen zichzelf had gezegd: je kán het, nog één keer… En dat ze moeizaam met de trolley naar metrostation Elektrosila was gereden en vandaar met de metro, gelukkig zonder overstappen, naar station Gorkovskaja, met dat rare vliegendeschoteldak. Daar was de Neva vlakbij, al was het voor haar, in de snijdende wind met af en toe sneeuw en regen, nog een heel eind. Ze had het gehaald.

Lang stond ze er niet, nog geen vijf minuten. Toen draaide ze zich om en keek naar die sneeuwhoop. Ik schoot toe. Er ontspon zich een korte dialoog:

- Zal ik u even helpen?
- Ga opzij, idioot.

————-