geschiedenis

Stalin, New York en een baksteen op een Russisch oorlogsmonument

————————-

Stalin, New York en een baksteen samen op een Russisch oorlogsmonument? Het lijkt onwaarschijnlijk, maar wanneer u afreist naar Jekaterinburg en een bezoek brengt aan de  Sjirokoretsjenski begraafplaats, zult u zien dat het kan. Ik wist van het bestaan niet af en ondanks de forse afmetingen van het monument – eigenlijk meer een ensemble – liep ik er bij toeval tegenaan.

Ik bezocht de omvangrijke begraafplaats voor de vermaarde, wanstaltige grafstenen van allerlei bandieten die in de wilde jaren negentig hier hun laatste rustplaats hadden gevonden. Op goed geluk sloeg ik na de ingang linksaf en zag al snel iets opdoemen wat een standaard Sovjetmonument voor de Tweede Wereldoorlog leek: een grote, open plaats, een obelisk en een muur met metalen panelen. 

Op de panelen aan de verre kant stonden de namen van soldaten die tijdens de oorlog in de ziekenhuizen van de stad (toen nog Sverdlovsk geheten) waren gestorven. Die namen, zo las ik naderhand, stonden daar sinds 1975. Het waren de panelen aan de kant ertegenover waar ik mijn camera voor tevoorschijn haalde. Die waren daar in 2015 aangebracht, zes in totaal.

Je hebt monumenten die iets aan de verbeelding overlaten. Daar behoort het ensemble op de Sjirokoretsjenski begraafplaats niet toe. Je loopt langs een boek met beelden die te samen een soort bijbel vormen, de Russische bijbel van de Tweede Wereldoorlog. Interpreteren is niet nodig, discussiëren al helemaal niet, hier staat het gewoon allemaal, gegoten in metaal.

In mijn lange loopbaan als zomerreisleider kwam ik weleens met een groep toeristen in het Museum van de Geschiedenis van Leningrad. Dan stond ik stil bij de vitrine met het dagboek van Tanja Savitsjeva. Daarin noteerde ze wanneer er tijdens het beleg van de stad weer iemand van haar familie was overleden. Ik vertaalde de pagina’s voor mijn groep, maar de laatste, waarop stond: “Alleen Tanja is over”, haalde ik nooit, want dan was ik al volgeschoten. Hier hebt u die pagina’s, op het beeld in Jekaterinburg.

Boven aan dit paneel ziet u, met bril, Dmitri Sjostakovitsj, wiens 7de Symfonie en de uitvoering ervan in het belegerde Leningrad ook tot de iconen van de Grote Vaderlandse Oorlog behoren. Dirigent Eliasberg staat ook op het beeld, maar niet op mijn foto. Het dagboekje van Tanja is overigens niet het enige ‘geschreven’ onderdeel van het monument. Verspreid over de zes platen staat het hartverscheurende gedicht Жди меня (Wacht op mij) van Konstantin Simonov - in het midden van de plaat hieronder, bijvoorbeeld, gewijd aan Stalingrad. Daarboven, iets naar links, is de beroemde fontein van dansende kinderen te zien bij het station van de verwoeste stad. Niet te zien op de foto is veldmaarschalk Paulus die zich overgeeft.


Opvallend aan het monument zijn enkele ‘echte’ onderdelen, zoals een baksteen uit het belegerde Stalingrad en een medaille die werd afgestaan door de nabestaanden van oorlogsveteraan Sergej Titlinov, met een beeltenis van Stalin.

Foto links:: https://periskop.livejournal.com/1722692.html (Zie daar ook voor veel meer en veel gedetailleerdere foto’s dan de mijne)

Hieronder krijgt de Russisch-Orthodoxe kerk een belangrijke rol toebedeeld, middels de icoon Onze Lieve Vrouwe van Tichvin, boven de troepen op het Rode Plein die aan het begin van de oorlog naar het front vertrokken. Daarmee (en ook met de vrouw rechts die een zegenend gebaar maakt) vertegenwoordigt het ensemble duidelijk het tijdperk waarin het is neergezet; de kerk doet tegenwoordig weer volop mee in Rusland, aan het begin van de Tweede Wereldoorloog was dat een stuk minder.

Foto: periskop.livejournal.com

Het paneel hieronder is gewijd aan de “bevrijding van Europa van het Nazisme”. Rechtsboven staan de namen van vier kampen: Dachau, Majdanek, Auschwitz en Salaspils. Daar frons ik een wenkbrauw bij. Dachau werd niet door het Sovjetleger bevrijd, terwijl dat hier toch wel wordt gesuggereerd. Salaspils was een kamp in Letland, niet ver van Riga. Is de vermelding van dit kamp bedoeld om te onderstrepen dat Letland en de andere twee Baltische republieken toch vooral werden bevrijd door de Russen en niet bezet?

Linksonder zien we Roosevelt, Churchill en Stalin in Jalta. Boven de drie leiders is het gebouw van de Verenigde Naties in New York afgebeeld met daarnaast de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. New York op een Russisch oorlogsmonument, ik vind het opmerkelijk, evenals die Universele Verklaring. Stalin heeft daar heel indirect dan misschien een bijdrage aan geleverd, maar zijn afbeelding dicht bij die verklaring zelf, dat wringt. Maar dan sla ik dus toch aan het interpreteren en discussiëren… Geschiedenis in metaal gieten, en dan blijft ze verdorie toch nog vloeibaar.

periskop.livejournal.com

Nog één detail. Op het paneel boven aan dit stukje, getiteld Overwinnaars, zit rechtsonder een soldaat die is teruggekeerd van het front. Thuis zag ik pas dat daar een tekst bij stond. Het zijn de eerste regels van dit lied:


Toen ik aan kwam lopen bij het monument, waren een paar lui bezig om bladeren op te vegen. Een van hen had zijn jas opgehangen aan de vinger van een soldaat, keurig aan het lusje

———————-

En die grafstenen van die bandieten? Ik heb er verder niet echt meer naar gezocht, want al rondzwervend over de begraafplaats kwam ik nog een zigeunerfamilie tegen die uitgebreid de sterfdag van een verwante dame, precies een jaar geleden, aan het gedenken was. Ik kreeg een borrel, maar geen uitnodiging om aan te schuiven, wat ik niet erg vond. De dag was al boeiend genoeg geweest.


(Op de boven al genoemde site zijn de commentaren onder de vele foto’s de moeite van het lezen waard. Uit die commentaren begreep ik dat een kopie van de panelen uit Jekaterinburg in Volgograd (het vroegere Stalingrad) is geplaatst.)

Jessica Gorters documentaire Red Soul: hoe Stalin de Russische samenleving in tweeën splijt

--------------------

Elizaveta Delibasj. Haar beide ouders kregen de kogel.

-----------------

Twee zussen op leeftijd staan langs een zomers-stoffige weg in Severodvinsk, een stad aan de Noordelijke IJszee, niet ver van Archangelsk. Ze kijken naar het langsrijdende verkeer. Zo’n zeventig jaar geleden stonden ze op dezelfde plek en keken ze naar de gevangenen die hier elke dag langskwamen, op weg naar hun werk. De zussen hoopten een glimp op te vangen van hun moeder, van wie ze vermoedden dat die zich tussen de gevangenen bevond. Ze hebben haar daar nooit gezien. Hun moeder kwam uiteindelijk wel weer thuis, nadat ze onder Stalin tien jaar onschuldig achter prikkeldraad had doorgebracht.

Het zomerse tafereel in Severodvinsk is een scène uit Red Soul, de documentaire van Jessica Gorter die dit weekeinde op het IDFA in Amsterdam in première ging. Gorter maakte zes jaar geleden veel indruk met haar film 900 dagen, over het beleg van Leningrad. Ze won er in 2011 op IDFA de prijs mee voor de beste Nederlandse inzending.

Centraal in de film staat Stalin, of beter gezegd: het beeld dat Russen, jong en oud, vandaag de dag hebben van de man die in het Westen gezien wordt als één van de grootste schurken van de vorige eeuw. Hoe kan het dat Stalin in Rusland de afgelopen jaren zo’n enorme comeback heeft gemaakt en inmiddels door velen wordt gezien als de grootste held uit de geschiedenis van Rusland en de Sovjetunie? Nadat hij toch in de jaren tachtig, toen veel archieven opengingen en het land overspoeld werd met lang verzwegen feiten en details over de in zijn naam verrichte gruweldaden, voorgoed leek te zijn weggezet als schurk?

In haar zoektocht naar een antwoord volgt Gorter een eenvoudig procedé. Afwisselend laat ze, zonder commentaar te geven, verdedigers van Stalin en nabestaanden van slachtoffers aan het woord. Ze volgt de nabestaanden (zoals de twee zussen in Severodvinsk) naar de plekken waar familieleden gevangen zaten, zijn geëxecuteerd of begraven liggen. Dat levert indringende beelden op. Van de moeder bijvoorbeeld die beide ouders verloor en nu met haar dochter door het bos loopt waar gevangenen in massagraven belandden. Op de bomen zijn bordjes met foto’s en namen aangebracht, als wrang surrogaat voor een echt graf. Op de terugreis in de trein voeren ze een moeizaam gesprek met twee jonge coupé-genoten. De ontzetting is bij de moeder van het gezicht te scheppen, wanneer ze beseft zij haar beeld van Stalin nooit zal kunnen overbrengen op die twee intelligent ogende jongeren tegenover haar.
 


Die enorme kloof tussen voor- en tegenstanders, tussen bewieroking en afkeer, loopt als een rode draad door de film. De Stalin-aanhanger die het meest aan het woord komt, is een man van midden veertig die zijn zoon aan drugs ten onder heeft zien gaan. Hij legt de schuld daarvan niet bij zichzelf, maar bij de chaos die de ‘democratie’ na het uiteenvallen van de USSR over Rusland heeft uitgestort. Zijn oude vader haalt er een tweede, bij Russen ook vaak te horen thema bij: de teloorgang van en de heimwee naar het Sovjet-rijk. In mijn tijd kon je nog eens een beetje rondkijken in de wereld, legt hij uit: “Wij hadden de Baltische republieken.” Het zijn vooral die twee factoren – de chaos van de jaren negentig en de hang naar het geïmplodeerde rijk – die de populariteit van Stalin voeden.

En tussen dat alles door komt in Red Soul een historicus uit Sint-Petersburg aan het woord die tegen de stroom in zijn best blijft doen om de Stalin-terreur vast te leggen in documenten. Hij vormt het cement van de film en zijn werk zou het cement moeten zijn voor het ingewikkelde bouwwerk dat geschiedschrijving heet. Veel geld is er niet voor beschikbaar, getuige zijn nogal armzalige werkplek. Het is opvallend hoe de man zijn kalmte bewaard, wanneer hij tegenover nogal verhitte Stalin-adepten komt te staan. Wie weet lukt het vasthoudende historici zoals hij om de kloof in de Russische samenleving, waar het de recente geschiedenis betreft, enigszins te overbruggen. Red Soul – en dat is de belangrijkste verdienste van de film – laat messcherp zien dat de vooruitzichten daarop niet erg hoopgevend zijn.
 

Koloniseren met de zweep - Siberië als dumpplaats van zwervers, moordenaars en revolutionairen

----------------

Dwangarbeiders maken zich op voor hun werk. (Foto van Aleksej Koeznetsov, die na twee veroordelingen woonde in onder meer Nertsjinsk en zich bezighield met fotografie.)

Siberië heeft door de eeuwen heen zelden een goede pers gehad. Los van het weinig uitnodigende klimaat stond het immense territorium ten oosten van de Oeral vooral bekend als dumpplaats voor ongewenste elementen in de ruimste zin van het woord.

Verbanning en dwangarbeid waren onder de tsaren niet alleen bedoeld als straf, beide moesten ook een bijdrage leveren aan de kolonisering van Siberië. In theorie zouden moordenaars, brandstichters, kruimeldieven en politieke oproerkraaiers de verre gronden bewerken, mijnen bemannen en al doende worden herboren als nijvere kolonisten. In de praktijk bleek de massale verhuizing van vaak niet al te edel menselijk materiaal de ontwikkeling van Siberië vooral in de weg te zitten.

In zijn boek The House of the dead. Siberian exiles under the tsars schetst Daniel Beer een wijds panorama van Siberië als verbanningsoord onder de tsaren. Van de talloze ongelukkigen die onvrijwillig de Oeral overtrokken, een vaak hels bestaan tegemoet, liet slechts een fractie (Dekabristen, Fjodor Dostojevski, Poolse opstandelingen, revolutionairen) geschreven herinneringen na. Beers boektitel verwijst uiteraard rechtstreeks naar House of the dead (Aantekeningen uit het dodenhuis) van Dostojevski, waarin die zijn ervaringen als dwangarbeider beschrijft. Beer putte verder uit archieven in Sint-Petersburg, Moskou en diverse steden verspreid over Siberië. 

Verbanning naar Siberië (vaak in combinatie met dwangarbeid) nam in de eerste helft van de 19de eeuw een grote vlucht, vooral doordat landloperij strafbaar werd gesteld. Wie lijfeigenschap of dienstplicht dacht te ontlopen door de benen te nemen, kon, wanneer hij werd gepakt, rekenen op een martelende voettocht richting oosten. Zo waren er van de 160.000 mannen en vrouwen die tussen 1826 en 1846 naar Siberië werden gestuurd, 48.500 veroordeeld als zwerver. De route richting het oosten liep lang niet altijd via de rechtszaal. Een boerendorp hoefde een lid van de gemeenschap maar voor te dragen bij de landeigenaar voor deportatie en de kans op een gedwongen vertrek was groot. Zo’n ‘administratieve banneling’ had dan wel weer het geluk dat hij tijdens de reis, die een of twee jaar kon duren, niet geketend was. Dit in tegenstelling tot de misdadigers, die vooraan in de konvooien liepen, die aan elkaar vastzaten, wat niet alleen moeilijk liep, maar ook erg lastig was als iemand voor zijn behoefte even naar de kant moest.     

Beer plaatst het ‘Siberië-beleid' in een historische context. Zo krijgt de lezer nog even in grote lijnen de Poolse strubbelingen uitgelegd en wordt ook de onweerstaanbare groei van de revolutionaire beweging belicht. Duidelijk wordt hoezeer de Poolse opstand van 1863, de moord op Alexander II (1881) en de revolutie van 1905 het aantal bannelingen opstuwden. Ondertussen deed het uitdijende spoorwegennet het besef groeien dat kolonisatie-door-verbanning een achterhaald concept was. Wat zou je onbetrouwbare elementen nog richting Siberië dwingen, wanneer je gemotiveerde boeren met een relatief eenvoudige reis en gratis grond ook die kant op kon krijgen. Wilde Siberië echt tot ontwikkeling komen, dan moest het bevrijd worden van de steeds zwaardere last die het gevangenissysteem vormde. Daarnaast werd tegen het einde van de 19de eeuw het protest tegen het mensonterende strafsysteem steeds sterker - in binnen- en buitenland. Anton Tsjechov met zijn Reis naar Sachalin en Lev Tolstoj met zijn roman Opstanding verschaften de tegenstanders munitie. In het buitenland deed de Amerikaan George Kennan dat met Siberia and the Exile System. In maart 1890 werd in het Londense Hyde Park gedemonstreerd tegen de hardvochtige behandeling van Russische politieke gevangenen, in Amerika werd in de jaren 1890 een miljoen handtekeningen opgehaald.

Isaak Levitan - Vladimirka (1892). De Vladimirka was de weg waarover de konvooien naar Siberië liepen.

Beer beschrijft gedetailleerd de omstandigheden tijdens de reis naar Siberië. De veroordeelden organiseerden zichzelf in arteli, wat enige bescherming bood tegen bewakers onderweg en het gevangenispersoneel in de pleisterplaatsen op de lange route. Velen waren bij aankomst zo verzwakt, dat er van enige serieuze fysieke arbeid geen sprake meer kon zijn. De toestanden in de mijnen, de bureaucratische wanorde (de toestroom van Poolse bannelingen na ‘1863’ zorgde voor een onvoorstelbare chaos), het droeve lot van vele vrouwen (vooral op Sachalin), de talloze ontsnapte ‘desperado’s’ die vaak in groepen dorpen onveilig maakten, het komt allemaal voorbij - net als de drie verschillende zwepen die werden gebruikt bij lijfstraffen.

De poel van politieke bannelingen na 1863 en 1881 maakten van Siberië - of althans van de dorpen en stadjes waar zij bijeen zaten - een revolutionair broeinest. Met hun voortdurende strijd tegen de willekeur van de lokale overheden zorgden zij voor een radicalisering ter plekke die het failliet van het strafbeleid nog eens onderstreepte. Van een plek voor quarantaine van opstandige elementen, veranderde Siberië steeds meer in een bron van infectie. Dit was een van de factoren die in 1899 leidden tot hervormingen, maar die bleken halfslachtig. Na de revolutie van 1905 schoot het aantal bannelingen weer omhoog. Pas in april 1917 schafte de Voorlopige Regering verbanning als strafmaatregel af.

*

In 1921 werd de Vereniging van Voormalige Politieke Dwangarbeiders opgericht, met een eigen tijdschrift en een flatgebouw in Sint-Petersburg waar leden huisvesting kregen. In de jaren dertig werd de vereniging opgeheven, 130 leden werden geëxecuteerd, negentig leden belandden in een kamp in Siberië. Daar was inmiddels een op industriële leest geschoeid dwangarbeidsysteem in het leven geroepen, waarbij de verbanningspraktijken onder de tsaren maar bleekjes afstaken.

De gaten van Moskou, waar eens veertig maal veertig kerken stonden

---------------

In Moskou voel ik me nooit echt thuis – en in een kerk evenmin. En in Moskouse kerken? Dat lijkt me dus zeer onwaarschijnlijk, maar zeker weten doe ik dat niet. Want in al die jaren dat ik in de Russische hoofdstad kom, bezocht ik – als mijn geheugen mij niet ernstig bedriegt ­– slechts één keer een kerk. Dat was de Basiliuskathedraal op het Rode Plein, die er aan de buitenkant een stuk indrukwekkender uitziet dan binnen.

Misschien was het tussen mij en de Moskouse kerken (en, wie weet, daarna ook nog tussen mij en de stad zelf) nog iets geworden, had ik er honderd jaar geleden door de straten gelopen. De kans dat ik dan een godshuis was binnengestapt, was in elk geval aanzienlijk groter geweest dan nu. Het aantal kerken dat sindsdien is vernietigd, is enorm.

Moskou stond ooit bekend als de stad van veertig maal veertig kerken. De blinkende koepels zorgden voor een prachtig uitzicht vanaf de Mussenheuvels – hoe vaak wordt dat niet in oude boeken beschreven. Er is nog maar weinig van over. De jonge historicus Pavel Gnilorybov maakte een wandeling langs plekken waar ooit een kerkgebouw stond. Ze gingen tegen de grond voor de bouw van de metro, om plaats te maken voor het verkeer of gewoon omdat de atheïstische overheid dergelijke nesten van obscurantisme niet langer in de hoofdstad wilde zien. De eerste kerk ging in 1922 tegen de vlakte, de laatste in 1972. Het precieze aantal is niet bekend, Gnilorybov houdt het in een artikel op 350 tot 450. Daar past wel een kanttekening bij. Volgens Orlando Figes telde Moskou ooit iets meer meer dan tweehonderd kerken, en dat was tot aan de brand van 1812.    


Loopt u door Moskou en ziet u ergens een onbestemde, open ruimte, dan zou het heel goed kunnen dat daar ooit een kerk stond. Gnilorybov beperkt zich tot acht van zulke plekken – het is meer dan genoeg om er tranen van in je ogen te krijgen. Hadden alleen al díe kerken er nog gestaan, dan had ik Moskou vast in mijn hart gesloten. En stel je eens voor, het huidige Moskou met ál zijn oude kerken nog op hun plek. Alleen het geluid al van de klokken … 

---------------

Eerder schreef ik over een andere korte film van Pavel Gnilorybov, over de dorpjes binnen de stadsgrenzen van Moskou. 

De geschiedenis van een oude Moskouse flat – getekend en beschreven in een adembenemend kinderboek voor volwassenen.

----------------------

Het is 1927 en ik tel vijf primussen. Ze staan in de Moskouse flat waar eens dokter Moeromtsev met zijn gezin woonde. Een aantal gezinsleden woont daar nog steeds, maar ze hebben, gedwongen, gezelschap gekregen van vijf andere families: “Муромцевых уплотняли несколько раз” (letterlijk vertaald: de Moeromtsevs zijn meerdere keren aangestampt. Oftewel: er zijn meerdere families in die ene flat komen wonen). De voordeur, de gang, het sanitair en de keuken worden nu door zeer velen gedeeld. De flat is een kommoenalka geworden.

De primussen staan, op eentje na, in de keuken, waar meerdere bewoners koken en hun was ophangen. Alleen de oude Vera Sjoejskaja, een dame uit een vooraanstaand geslacht en ook ingekwartierd, weet zich enigszins af te zonderen. Haar primus staat op haar eigen kamertje, wat vroeger, voor het gezin van dokter Moeromtsev, het voorraadkamertje was. Ze heeft als enige een icoon aan de muur.  


De geschiedenis van de Moskouse flat, zijn bewoners, de meubels en de spulletjes zijn te volgen in het adembenemende kinderboek История старой квартиры (De geschiedenis van een oude flat). Het is gemaakt door schrijfster Aleksandra Litvina en illustratrice Anja Desnitskaja. Het verhaal begint in 1902, wanneer de familie Moeromtsev de woning betrekt, en eindigt in 2002. De geschiedenis buiten heeft zijn weerslag op het leven achter de voordeur. Praskovja Simonova, tramcondructrice, heeft vanwege uitmuntende arbeid, mooie stof gekregen. Ze naait er een jurk van. Sonja verwijt Klava dat ze zich met haar vriendje Zajtsev te veel afzondert van het collectief. En die Zajtsev is maar een onderontwikkeld figuur. “Maar hij leest gedichten van Jesenin voor!”, verdedigt Sonja zich. Aan de muur in de keuken hangt een foto van Jesenin. Wordt daar – het is 1937 – bij een van de inwoners ’s nachts een telegram bezorgd? Maar er klinken laarzen in de gang – geen telegram. De volgende morgen, zo vertelt Toma (alle verhaaltjes bij de tekeningen worden vertelt door kinderen), is iedereen in de flat stil en somber. Op de tekening van 1937 zien we hoe Lilja Orlik gezichten wegknipt van familiefoto’s …
 


De oorlog (niet iedereen keert terug), de dood van Stalin (de een is bang, de ander blij), de dooi, de dissidenten, de perestrojka en Gorbatsjov, alles komt voorbij, en bij elke periode staat dan weer zo’n prachtige tekening, volgestouwd met mensen, meubels en spulletjes. Een waskom, schooluniform, voedselpakketje voor het front, radio, naaimachine, thermos, voedselbonnen, ski’s, kerstversierselen, laarzen, bandrecorder … Steeds op de volgende pagina worden die spullen nog eens apart getekend en toegelicht. En kijk ook naar de meubelen; hoe de boekenkast uit de werkkamer van dokter Moeromtsev een tweede functie krijgt: die van afscheiding om een extra ‘kamer’ te creëren. De mooie, rode canapé gaat mee tot 2002.

Prachtig is de tekening van een bruiloft in de jaren zeventig. De lange eettafel gaat door een deur heen, de twee uiteinden staan in twee verschillende kamers. En eind jaren tachtig blijken de Moeromtsevs een verre tante te hebben in Parijs! Die komt op bezoek, wat voor veel opwinding zorgt. Mama heeft een potlood klaarliggen waarmee de tante bij de familiefoto’s in een oud album de namen kan schrijven.


We zijn dan al in de tijd beland waaraan ik zelf herinneringen heb. In Leningrad bezocht ik eens een vergelijkbare woning, samen met mijn toenmalige docente Russisch. Die gaf les in Nederland, maar kwam oorspronkelijk uit Rusland. Ik ging met haar langs bij een oude buurvrouw. Ik vertelde iets over mijzelf, in mijn beste Russisch: “Ik ben student. Ik woon op een studentenflat. Ik woon daar met vijftien studenten.” Mijn docente voegde daar, ter verduidelijking voor de oude buurvrouw, onmiddellijk aan toe: “Ze wonen allemaal op een eigen kamer!”  

Schrijfster Litvina en tekenares Desnitskaja hadden bij hun verhaal geen bestaande flat voor ogen. Wel putten ze deels uit eigen herinneringen. Ze zien hun boek vooral als middel om met kinderen over de geschiedenis te praten. En mochten er geen kinderen in de buurt zijn: ook voor volwassenen is het een boek om van te smullen. 

Timothy Snyder geeft college: de rechte lijn van denker Ivan Ilin (1883-1954) naar Ruslands misdaden in Oekraïne.

--------------------

Het duurt een paar minuutjes voor hij op gang komt, maar dan heb je ook wat: een pakkend college van historicus Timothy Snyder,  een glashelder, beklemmend betoog over de invloed van de Russische denker Ivan Ilin (1883-1954) op de politiek van het Kremlin gedurende de afgelopen vijf jaar. "No matter what we are doing, we are innocent."  


Toevallig las ik zeer onlangs Snyders The Bloodlands. Ik dacht dat ik in grote lijnen wel wist wat zich zoal heeft afgespeeld in de jaren 1939-1935 in Polen, Wit-Rusland en Oekraïne ... Aanbevolen, met klem.

-------------

Zo heeft u voorlopig wat te doen. Zelf ben ik er even tussenuit - in Tbilisi en omstreken zoeken naar geïllustreerde Sovjet-uitgaven van Tsjechov uit de jaren vijftig. 

Leonid Gozman: “Deze wet moet iedereen de mond snoeren die Stalin een vampier vindt. Allemaal verdedigen we de SMERSJ!"

Oppositie-politicus Leonid Gozman vergeleek een jaar geleden de SMERSJ (contraspionagedienst opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog) met de SS. Toen waren de rapen gaar. In het huidige Rusland, waar de president het uiteenvallen van de USSR met instemming van velen omschrijft als “de grootste politieke catastrofe van de twintigste eeuw”, maakte Gozman zich met zijn uitspraak tot een logisch doelwit. “Jammer dat de Nazi’s geen lampekap van jouw grootmoeder hebben gemaakt", schreef een columniste in de Komsomolskaja Pravda.

Inmiddels zijn uitspraken als die van Gozman bij wet verboden. Wie de rol van de USSR tijdens de oorlog ‘verdraait’ of kanttekeningen plaatst bij de af en toe oorverdovende heroïek rond de oorlogsjaren, kan vijf jaar aan z’n broek krijgen.

Gozman ziet zich als een van de ‘aanstichters’ van de wet. Dat lijkt me wat veel eer (die wet was er toch wel gekomen), maar hij ziet het als zijn plicht om die wet meteen maar te overtreden. Dat doet hij in onderstaande column, die vorige week verscheen. Het Russisch origineel vindt u hier.

 

Allemaal verdedigen we de SMERSJ!

De prioriteiten zijn op een rijtje gezet. “Beschermd en verdedigd dienen te worden” de traditionele waarden, in het bijzonder de TsjK, NKVD, KGB, kameraad Dzerzjinski persoonlijk en, uiteraard, de SMERSJ. De blokkeer-eenheden (1) horen er ook bij, zonder hen ben je nergens. Het Molotov-Ribbentrop Pact als hoogtepunt van de vaderlandse diplomatie en voorbeeld van de verheven gedragsnormen in internationale betrekkingen. Katyn, in die zin dat opnieuw wíj dat niet geweest zijn. En het belangrijkste: onze vader, J.V. Stalin. Die blijkt dus eeuwig levend te zijn, Lenin helemaal niet. Van toespelingen gaan we over op directe acties. In aanwezigheid van de president wordt het lied “Artilleristen, Stalin heeft het bevel geven” uitgevoerd – Astafjev  had wel raad met jullie geweten! (2) In Sint-Petersburg, waarvan hij de inwoners aan honger en onnoembaar leed overleverde, draagt een functionaris van het stadsbestuur een portret van hem rond.

Wij verdedigen onze orde op alle gebieden. Wij slaan homoseksuelen en vrouwen met baarden van ons af (vroeger werden die trouwens getoond op jaarmarkten en het volk keek zonder enige morele schade  - maar dat was vroeger). Wij verenigen de Russische wereld en spoedig zullen we met de gebeden van Rogozin een basis bouwen op de maan, zodat we niet alleen de Zweed bedreigen (3). We voeren Tsjeboerasjka (4) in in plaats van het internet en Medinski in plaats van cultuur.

En daar nemen we allerlei wetten voor aan – de ene nog briljanter dan de andere. Een deel is openlijk kannibalistisch, een deel gewoon belachelijk. Eerst was het verboden om iets te doen, nu ook al om iets te zeggen.

De laatste in die reeks is de wet die eerherstel van het nazisme strafbaar stelt. Die moet niet tegengaan dat Hitler wordt geprezen, dat ze met een hakenkruis gaan lopen en het sieg-heil-teken maken. Precies het tegenovergestelde. De wet verbiedt om beulen beulen te noemen, genocide genocide. Nee, over Duitsland mag dat nog wel, over de USSR niet. Je mag niet praten over de misdaden van de NKVD en de verantwoordelijkheid van Stalin voor het ontketenen van de oorlog, over de standrechtelijke executies en over de verradersvolken (5). Dat alles heet nu – ik citeer – “de verspreiding van leugenachtige gegevens over de handelingen van de USSR in de jaren van de Tweede Wereldoorlog “ - en daar kan je vijf jaar voor krijgen.

SMERSJ

SMERSJ

De wet is bedoeld om diegenen (onder wie ik) de mond te snoeren die kameraad Stalin een vampier vinden, en een concentratiekamp een concentratiekamp, onafhankelijk van het uniform dat de bewakers dragen en welke taal zij spreken. Maar het is niet alleen de verdediging van het plaatje van het verleden dat Jarovaja en haar Doema-collega’s willen invoeren – het is een aanval op het heden. Vooral die mensen moet de mond worden gesnoerd die niet alleen Stalin afwijzen – daar zouden de schrijvers van de wet zich nog knarsetandend bij neerleggen – maar ook de permanente ideologische en propagandistische nachtmerrie waarin wij nu leven.

Ik kan niet anders dan mij persoonlijk verantwoordelijk voelen voor deze wet. Een jaar geleden vergeleek ik de SS met de SMERSJ – toen brak er in de Doema – en niet alleen daar – hysterie uit, en dit is een van de resultaten. Daarom kan ik niet alleen gewoon mijn oordeel geven – ik ben verplicht iets te doen.

Mij schoot niets beters te binnen dan de wet openlijk te overtreden, oftewel juist datgene te verklaren wat na het van kracht worden van de wet verboden is te verklaren. Dat doe ik opdat de gerechtelijke instanties een strafzaak beginnen – dan komt er een openbaar proces. Volgens het vonnis zal ik natuurlijk, daar twijfel ik niet aan, schuldig zijn, maar in feite zal dat het eerste proces zijn over de Stalinpraktijken tijdens de oorlog. En als ze geen zaak beginnen, dan erkennen ze daarmee dat ook deze wet, net als vele anderen die de laatste tijd zijn aangenomen, niet meer is dan politieke chantage.

Dus ik verklaar:

De straforganen van Stalin, in het bijzonder de NKVD en de SMERSJ NKVD, hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog (ik heb het bewust uitsluitend over de periode waarop de nieuwe wet van toepassing is) misdaden gepleegd, analoog aan de wetten op grond waarvan de SS en de Gestapo door het Neurenberg Tribunaal als misdadige organisaties werden beschouwd. In het bijzonder onderwierpen zij volken van de USSR aan genocide, pasten ze folteringen toe, vermoorden en onderdrukten ze massaal onschuldigen zonder vorm van proces. De uitvoerders van die misdaden zijn niet alleen niet gestraft, integendeel, ze werden beloond. Daaruit volgt dat die handelingen niet beschouwd kunnen worden als oorlogsexcessen, maar dat de verantwoordelijkheid gelegd moet worden niet alleen bij de beulen zelf, maar ook bij hun commandanten, tot aan de Hoogste Opperbevelhebber, en ook bij de toen in ons land bestaande regering in haar geheel. Ik ben van mening dat bovengenoemde structuren, naar het geheel aan de door hen gepleegde feiten, beschouwd dienen te worden als misdadige organisaties.

Ze zullen natuurlijk zeggen dat ik de Overwinning ontken, dat ik Hitler verheerlijk, dat ik de strijders van de NKVD zwartmaak, de gesneuvelden op het slagveld, enzovoort. Ieder weldenkend mens begrijpt dat niets van dat alles uit mijn woorden valt op te maken. Wat er wel uit op te maken valt is het niet accepteren van schijnheiligheid en leugens, zowel in het verleden als in het heden.

Zij zijn aan zet.

-------------------------------------------------------------------

Leonid Gozman – president van de Nationale Russische maatschappelijke beweging Sojoez Pravych Sil. (Deze naam laat zich lastig vertalen. Sojoez betekent verbond of unie, Sil betekent van krachten - tot zover geen probleem. Maar Pravych betekent zowel rechtse, juiste als rechtvaardige. Kiest u maar.) 

----------------------------------------

(1) Заградотряды / zagradotryady: moesten achter de frontlinie vluchtende soldaten tegenhouden.

(2) Schrijver Viktor Astajev (1924-2001). Verzette zich krachtig tegen de mythevorming rond de oorlog. (Zie hier.) Een recensie van zijn verzamelde brieven schreef ik op mijn oude weblog, in het deel dat nog niet opvraagbaar is. Zeer aanbevolen!  Виктор Астафьев : Нет мне ответа. Irkoetsk, 2009.

(3) Verwijzing naar een regel uit De Bronzen Ruiter van Alexander Poesjkin. И думал он: Отсель грозить мы будем шведу (En dacht hij: Vanhier zullen wij de Zweed bedreigen).

(4) Politicus Maksim Chadzjaradze stelde vorige maand voor om een eigen, Russisch internet in te voeren en het de naam Tsjeboerasjka te geven, naar een tekenfilmfiguur. 

(5) Volken – onder meer de Tsjetsjenen en de Krimtataren – die tijdens de Tweede Wereldoorlog en masse werden geporteerd op beschuldiging van collaboratie.