De Sovjet-elpees van de Stones, de Doors, Deep Purple: hoogtepunten voor Russische rockfans. En de Rus die zichzelf op de hoes van Sgt. Pepper zette.

Ik had er ooit eentje in mijn platenkast staan, zo’n Sovjet-elpee. Niet van de Rolling Stones, maar van Creedence Clearwater Revival. Hoe ik eraan ben gekomen, weet ik niet meer. Gekocht in een Berjozka? Zo’n winkel waar je alleen met harde valuta kon betalen? Waar ik ‘m heb gelaten, weet ik nog wel: voor een luttel bedrag verkocht aan de baas van De Grammaphoonwinkel, een sympathiek zaakje met tweedehands platen aan de Utrechtse Oudegracht. (Ik stond er ooit zelf achter de toonbank.)

De Creedence-plaat maakte deel uit van een serie van twaalf elpees, die eind jaren tachtig verscheen op het Sovjet-platenlabel Melodija. Aanvankelijk heette de serie Rock-archief, na drie elpees (één van Deep Purple en twee van Elton John) werd de naam veranderd in Archief van populaire muziek. In die serie werden de eerste drie elpees, met een iets andere hoes, nogmaals uitgebracht, de overige negen platen waren van The Doors, Stevie Wonder, Creedence, Rolling Stones (drie keer), Led Zeppelin, David Bowie en Elvis Presley.

De serie was een exponent van de toegenomen vrijheid in de USSR, waarbij de ideologie steeds meer terrein verloor. Van harte ging het nog niet, maar de tijd dat beat, pop en rock als Westers gif voor de edele Sovjet-jeugd werden gezien en bestreden, was voorbij. Zo begon het tijdschrift Rovesnik (Leeftijdgenoot) in juli 1987 met een serie puur informatieve artikelen over Westerse rock-acts, vergezeld van foto’s op de middenpagina. De oplage steeg meteen spectaculair. Ongeveer tegelijkertijd verscheen de eerste plaat in de serie Rock Archief: Dym nad vodoi (Smoke on the water) van Deep Purple.

Een elpee met die titel bestond in het Westen niet (Smoke on the water was een track op de lp Machine Head uit 1973). Op de Melodija-plaat waren nummers bijeengevoegd van de lp’s In Rock, Fireball en Machinehead, aangevuld met de single Black Night. Over copyright of licensies geen woord, naar Westerse maatstaven was het pure piraterij. Daarbij putte Melodija, zoals keurig op de hoezen stond vermeld, uit collecties van Russische verzamelaars. Zij werden met naam en toenaam genoemd en nadrukkelijk bedankt voor de medewerking.

Houtje-touwtje, zo kan je de manier waarop de serie tot stand kwam kan wel noemen. Samensteller Andrej Gavrilov vertelde in 1989 in een interview hoe dat ging bij Melodija:

“Het is er een zooitje. Je zou denken: wat is er simpeler, alle platen van het Archief worden getapet van andere platen. Je neemt een platenspeler, die verbind je met de studiorecorder, klaar is Kees. Nou, niet dus. Niet te geloven, maar ik kreeg een keer een plaat niet af, omdat er geen kabeltje was om de recorder mee aan te sluiten. En het originele materiaal had ik maar voor één avond meegekregen van de verzamelaars! Die plaat is dus nooit verschenen.”   

Het gehannes in de studio leverde soms curieuze resultaten op. Bij Time is on my side (op de eerste lp van de Stones) zijn de drums nauwelijks te horen, en Play with fire is zonder tamboerijn. Voor mij erg opvallend is de versie van Speed King op de lp van Deep Durple. Die begint met het zachte orgelstukje. Het ruige intro ontbreekt! Juist dat intro blies mij ooit als onevenwichtige puber volledig omver. Die eerste maten waren – jawel, zo voelde dat toen – een dramatisch keerpunt in mijn leven. 

Opvallend zijn verder de hoesteksten: informatief, to the point, zonder enig ideologisch geneuzel – uitzonderlijk in die tijd. (“Specialisten erkennen dat het oeuvre van UB40 doordrenkt is van zorgen over het lot van de Westerse jeugd” - dat was ook in die jaren nog de standaardtaal in de Sovjetpers.) Eén missertje kwam ik wel tegen: Gavrilov meldt op één van de hoezen van de Stones dat de band in 1987 werd opgeheven.    

Andrej Tropillo

Andrej Tropillo

Gavrilov had nog plannen voor lp’s van onder meer Simon and Garfunkel, Traffic, Donovan, Sam Cooke en The Animals, maar die zijn er in zijn serie nooit meer gekomen. Het stokje werd overgenomen door de legendarische Andrej Tropillo, die als hoofd van Melodija Leningrad nog een aantal jaren doorging met het uitbrengen van lp’s van Westerse bands. Hij trok zich nog minder aan van auteursrechtelijke angels en kopieerde gewoon complete albums, inclusief de hoezen. Getrouwe kopieën waren die hoezen niet altijd. Op die van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band gaf Tropillo zichzelf een plaatsje tussen de beroemdheden. Hij staat op de bovenste rij tussen Edgar Allan Poe en Fred Astaire:

De serie Archief van populaire muziek was een mijlpaal voor de liefhebbers van pop en rock in Rusland. Veel Russen denken er vol nostalgie aan terug. Echte collector’s items zijn de elpees (nog) niet geworden. Twintig euro (voor de Sovjet-release van Deep Purple ) is het hoogste bedrag dat ik op internet gevraagd zag worden.