tweede wereldoorlog

War is war / Война - это война. Liefdevol oorlogsdocument van grootvader en kleindochter - in woord en beeld.

Nikolay Yassievich

“Eén ding is me duidelijk, jij bevindt je voorlopig, zo blijkt, ver in het achterland, en jij kunt mij niet begrijpen, zoals het ook voor mij nu moeilijk is om jou te begrijpen.” 

Nikolay Yassievich bevindt zich, wanneer hij bovenstaande regels schrijft aan zijn vrouw, al zo’n half jaar aan het front bij het Oranienbaum-bruggehoofd in de buurt van Leningrad, met aan één kant de Finse Golf en verder omsingeld door Duitse troepen. Zijn vrouw Frida, dochter Ira en zoon Zjora zijn geëvacueerd naar de Oeral. Frida heeft hem een brief geschreven die kennelijk niet helemaal goed is gevallen. Nikolay antwoordt: “Je schrijft dat een vriendin van je bij het werk in het bos onder een boom terecht is gekomen. Mijn lieve, dat soort dingen waar je over schrijft heb ik hier elke dag gezien en ik zie ze nog steeds. En ik ben daar al zo aan gewend dat ik, begrijpelijkerwijs, jouw stemming absoluut niet kan begrijpen.” 

Nikolay was een 38-jarige kunstschilder, toen hij zich in 1941 als vrijwilliger meldde voor het front. Een selectie van de brieven die hij vandaar schreef aan zijn vrouw en kinderen is nu uitgegeven in een liefdevol, mooi vormgegeven, tweetalig (Russisch en Engels) boek: War is war / Война - это война . Op de voorpagina staat niet alleen de naam van Nikolay, maar ook die van zijn kleindochter Tatyana Yassievich. Ook zij is schilder en van haar zijn aquarellen in het boek opgenomen. Ze schilderde de plekken waar haar grootvader vocht en maakte enkele aquarellen gebaseerd op foto’s uit de oorlog, waaronder de afbeelding hierboven die op de cover prijkt.

Wie brieven schreef van het front, was door de censuur aan beperkingen gebonden. Veel militaire details moesten uiteraard onvermeld blijven, en gruwelijkheden en defaitisme waren uit den boze - gesteld dat je het thuisfront daar al mee wilde belasten. Met politieke uitspraken moest je al helemaal voorzichtig zijn.  


Het moet voor Nikolay Yassievich moeilijk verdraagbaar zijn geweest, het logische onbegrip van zijn vrouw voor de ellende waarin hij zich bevond. Hij schrijft wel dat ze samen, mocht hij de oorlog overleven, weer over van alles zullen praten, maar hij moet al beseft hebben dat Frida hem ook na hun hereniging nooit helemaal zou kunnen begrijpen. Hij lijkt haar te waarschuwen, wanneer hij schrijft: “Als je twintig maanden in de loopgraven aan het front zit, groeit er een korst op je hart, als je daar niet heel erg voor oppast.” Nikolay raakt in juni 1943 gewond en keert niet meer terug naar het front. In oktober 1944 schrijft hij vanuit het inmiddels weer veilige Leningrad: “Ik ben heel erg moe, mijn lieve, écht moe, lichamelijk en geestelijk, ik ben leeg, voel me onverschillig, noem het geestelijke dystrofie. De wegen naar het front zijn voor mij afgesneden, ik moet me aanpassen aan het leven in de achterhoede en vooral aan de mensen in de achterhoede.”

De beschrijvingen - in bedekte termen - van zijn avonturen aan het front, wisselt Nikolay af met ‘familiezaken’. Hij verlangt naar het weerzien met Frida en zinspeelt knipogend op wat ze dan samen allemaal zullen doen. Voor zijn dochtertje schrijft hij sprookjes, zijn puberende zoon leest hij flink de les. Het zijn dit soort ‘kleinigheden’, vermengd met de observaties van een individuele frontsoldaat, die deze verzameling brieven zo waardevol maken - waardevoller (zeker op de lange termijn) dan de vaak pompeuze officiële oorlogsherdenkingen waarin Rusland de laatste jaren uitblinkt.


War is war / Война - это война  bevat naast afdrukken van vergeelde brieven en de aquarellen van kleindochter Tatyana, meer mooi beeldmateriaal, zoals de voorzijde van de oorlogs-ansichtkaarten die Nikolay stuurde. In een apart hoofdstukje staan - zeer op hun plek in dit familiedocument - portretten die Nikolay na de oorlog schilderde van familieleden. Het moet zijn schilderwerk zijn geweest dat hem hielp om de naoorlogse jaren door te komen. In oktober 1943 schreef hij, toen hij al weg was van het front: “Ik verlang zo enorm naar iets anders - als nooit tevoren wil ik weer aan de slag met schilderen. Aan het front was dat onmogelijk, en hier is er geen tijd voor, dat kwelt me het meest. Dat kwelt me zo, je kan je dat niet voorstellen …”  

-------------

Het boek War is war / Война - это война heeft een aparte site. Tatyana Yassievich heeft een eigen site gewijd aan haar schilderwerk, die vindt u hier.

De Dag van de Overwinning, 9 mei, in twee foto's.

----------------

Het kan je moeilijk ontgaan, wanneer je begin mei rondloopt in Sint-Petersburg: de Dag van de Overwinning komt eraan, 9 mei, wanneer in Rusland het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt gevierd. Straten zijn versierd, militairen oefenen op het Paleisplein voor de parade, winkels verkopen feestattributen, waarvan het St.Jorislintje het populairst is. Het grootste (oranje-zwarte) lintje dat ik zag, staat op een enorm transparant aan de gevel van het gebouw van het Gardekorps op het Paleisplein. 

Stel nu: u bent fotoredacteur van een Nederlandse (of in elk geval: niet-Russische) krant of nieuwssite en u zoekt een foto bij een artikel over de viering van de Russische Dag van de Overwinning. U krijgt twee foto’s voorgelegd, beide van dat transparant op het Paleisplein, die hierboven en die hieronder. Welke zou u kiezen? 

Hoewel de leuze op het transparant (“Van harte met de Dag van de Overwinning!”) er niet helemaal op staat, durf ik er toch wat onder te verwedden dat de gemiddelde redacteur van een Nederlandse fotoredactie zonder veel aarzeling zou kiezen voor de bovenste foto. Een betere compositie, niet zo rommelig als de onderste. De vier personen staan als een bijna elegante golf verspreid over het beeld. Die onderste, ja, dat jochie staat daar wel aardig, met z’n fietsje, maar verder is het nogal een zootje. En de fotoredacteur denkt vermoedelijk ook (zonder zich daarvan bewust te zijn): mooi, op de bovenste foto, die sombere uitdrukking op het gezicht van de dame in de bruine jas, die terugkomt in de houding van de andere drie personen. Komt helemaal overeen, denkt diezelfde redacteur onbewust, bij het beeld van Rusland dat in Nederland overheerst: somber, niet vrolijk.  

En hup, daar gaat de bovenste foto, de krant in, het scherm op.

Ik zou kiezen voor de onderste foto. Vrolijk, zonder dubbele bodem, en, dankzij dat jochie, met een dubbel uitroepteken.


Het duurt nog een paar dagen, maar alvast: van harte!! 

Duitse oorlogskunstenaars in Rusland – hoe het schildersbloed kroop waar het niet gaan kon – 2

---------

Heribert Losert - Junge russischer Gefangener

Heribert Losert - Junge russischer Gefangener

Sonderfüher Luitpold Adam gaf tijdens de Tweede Wereldoorlog binnen het Duitse leger leiding aan een kunstenaarsafdeling. Na de Duitse capitulatie bracht hij veel werk van ‘zijn’ kunstenaars in veiligheid (zie deel 1). De kunstwerken belandden in de Verenigde Staten om uiteindelijk voor het grootste deel weer terug te keren naar Duitsland.

Binnen de wirwar van Duitse propaganda-eenheden (voor een overzichtje: zie hier) nam de Staffel der Bildender Künstler van Adams een aparte plek in. De eenheid functioneerde als een soort uitzendcentrale voor schilders en tekenaars. Voor drie maanden werden ze uitgezonden naar een oorlogsgebied, waarna ze bij terugkeer drie maanden de tijd kregen om hun schetsen om te zetten in ‘echt’ werk. Het was een lucratieve bezigheid. Een commissie kocht de werken aan voor musea, tijdelijke tentoonstellingen of voor de muren van militaire ontspanningsoorden. Voor een flink doek werd tot 4.000 reichsmark betaald, een kleine aquarel leverde nog zo 250 reichsmark op. Drie procent moest de kunstenaar afstaan aan de legerkas (heereskasse), het leger stelde alle schildersmaterialen ter beschikking.

IJzeren directieven kregen de kunstenaars van de Staffel der Bildender Künstler niet mee, al lagen de grote lijnen – waar het Rusland betrof – natuurlijk wel vast. Niet verrassend is het grote contrast tussen de afgebeelde koene, ‘edele’ Duitse soldaten en de verslagen Russen. Afbeeldingen van Russen als afzichtelijke ‘untermenschen’ (in overeenstemming met de Nazi-propraganda) ontbreken echter. (Let wel: dit betreft uitsluitend de werken zoals vervaardigd door de kunstenaars van Adams afdeling en voor zover afgebeeld in de – uitgebreide - catalogus van de tentoonstelling die ik noemde in deel 1.) 

Foto uit catalogus

Foto uit catalogus

Volgens die catalogus staan op zo’n 10 procent van de werken die Adams kunstenaars  in Rusland maakten, krijgsgevangenen en burgers afgebeeld. Afkeer wekken zij niet, in veel gevallen worden zij zelfs met verrassend veel sympathie geportretteerd. Los van mogelijke persoonlijke gevoelens, speelde daarbij ook het groeiend besef een rol dat er in de praktijk iets wrong aan de Nazi-propaganda: wilde men de lokale bevolking winnen voor de strijd tegen het ‘joods-bolsjewistisch systeem’, dan was het weinig effectief om die bevolking als beesten af te beelden. En dat gold uiteraard al helemaal voor de kozakkeneenheden die deel gingen uitmaken van het Duitse leger.   

Olaf Jordan - H.H. Kohohob. (Commandant van een kozakkeneeheid)

De Staffel der Bildender Künstler kreeg ook speciale opdrachten, die leidden tot series als Unsere U-boot-Waffe en Norwegen-Kämpfer. Schilder en tekenaar Olaf Jordan kreeg in 1943 de opdracht om in een kamp in Schlesien gevangen Sovjetsoldaten te portretteren. Ook in dat werk – zo’n honderd aquarellen en potloodtekeningen -  wordt de harde Nazi-propganda niet weerspiegeld. Mogelijk speelt hierbij een rol, aldus de catalogus, dat rond deze tijd de recrutering van Sovjetgevangenen voor aparte eenheden binnen het Duitse leger werd overwogen. Jordans werken werden tijdens de oorlog niet gebruikt voor tentoonstellingen. Vermoedelijk was daarvoor de kloof met de gebruikelijke propaganda-toon, waar het Rusland betrof, toch te groot.

Olaf Jordan - Kuban-Kosak, Stalal VIII, B

Olaf Jordan - Russischer Gefangener mit Essnapf, O.J.Stalak VIII

---------


Van de catalogus van de tentoonstelling in Minden (2005) zijn op internet nog exemplaren te koop.

Duitse oorlogskunstenaars in Rusland – hoe het schildersbloed kroop waar het niet gaan kon – 1

Franz Eichhorst - Gefangene

De Tweede Wereldoorlog loopt ten einde, Duitsland staat op instorten, wanneer in Frauenau, in het Beierse Woud, vlak bij de Tsjechische grens, een Duitse goederentrein arriveert. Onderweg is de trein beschoten door Amerikaanse vliegtuigen, maar de lading is onbeschadigd: duizenden kunstwerken, tijdens de oorlog in de bezette gebieden vervaardigd door Duitse schilders en tekenaars, worden in houthakkershutten verborgen.

De haastige reddingsoperatie staat onder leiding van sonderfüher Luitpold Adam, leider van de Staffel der Bildender Künstler, een intrigerend onderdeel van de Duitse propagandamachine, aanvankelijk gevestigd in Potsdam, later in Berlijn. De reddingsactie van Adam, die geholpen wordt door onder meer zijn vrouw, slaagt. De sonderfüher werkt na de  capitulatie mee met de Amerikanen en brengt hen in 1946 naar de bergplaatsen. Veel kunstwerken zijn aan de randen aangevreten door muizen, maar verkeren verder in prima staat.

Meteen is duidelijk dat de verborgen schilderijen en tekeningen niet gemaakt zijn door toevallige krabbelaars, die na het platbranden van een Russisch dorp ook nog even het schetsboek erbij hebben gepakt.

Olaf Jordan - Kosak mit "Burka"

Wat Adams in veiligheid heeft gebracht, is het archief van de kunstenaarsafdeling waarover hij de leiding had. Samen met andere werken, bijeengebracht in de Amerikaanse bezettingszone, vormen ze een collectie van zo’n 10.000 exemplaren die begin 1947 naar de VS wordt vervoerd. Daar slaan legerjuristen alarm. Veel van de schilderijen en tekeningen zijn niet als militaire kunst te omschrijven en de confiscatie ervan mist een juridische grond. Daarop gaan 1626 werken retour heimatland, waar ze drie jaar op een pier in Bremen staan, zonder te worden opgeëist. Uiteindelijk belanden ze in München in het Beierse staatsarchief (in het voormalige Füherbau), waar ze pas in 1970 worden gecatalogiseerd. In 1986 worden nog eens 7100 kunstwerken teruggegeven aan West-Duitsland. Het restant blijft achter in de VS. Die werken worden als pure Nazi-kunst te besmet geacht en blijven in beheer van het Amerikaanse leger.

In 2005 wordt op een tentoonstelling in Minden voor het eerst een selectie van de Duitse oorlogskunst getoond, met Rusland als brandpunt. De titel van de tentoonstelling: “Kunst und Propaganda. Gemälde und Grafiken aus dem Russlandkrieg 1941-1945.” De meeste werken zijn afkomstig uit de Staffel der Bildende Künstler van Luitpold Adam. Ze tonen een verrassende diversiteit. Adams schilderafdeling was beslist geen vrijplaats, maar de kunstenaars die er werkten, keken verder dan je tegen de achtergrond van de Nazi-propaganda zou verwachten.   

Richard Eggers - Russenmädchen, Flüchtling. Gemalt in Kurland. 1944 (Foto uit catalogus)

Mei 1945: de sportparade in Stalingrad en de dansende kinderen van de fontein

Stalingrad fontein parade 1945

Eigenaardig. Het lijkt me toch een gebeurtenis van enig formaat, maar behalve een bescheiden aantal foto’s heb ik er niets over kunnen vinden: de parade van sportlui (fizkoeltoerniki) die in mei 1945 werd gehouden in Stalingrad.

De omvang van het evenement zal bescheiden zijn geweest (zeker in vergelijking met de sportparades op het Rode Plein van 1939 en 1945), maar de symbolische waarde kan nauwelijks worden overschat. Kijk eens, zo springt het van de foto’s af, hoe wij, kinderen van de zegevierende Sovjetunie, ons hebben opgericht na alle oorlogsellende! Wij zijn het land van de overwinnaars en niets kan ons stoppen op weg naar de stralende toekomst.

En dat alles, nota bene, in Stalingrad, het decor van een van de belangrijkste en gruwelijkste veldslagen van de Tweede Wereldoorlog. Daar moet toch het een en ander over geschreven zijn. Hoe verliep de voorbereiding? Wie stonden er op de tribune (zie de tweede foto in de reeks hieronder)? Hoeveel mensen liepen er mee? U hoeft er niet voor naar Russische bibliotheken of krantenarchieven – dat heb ik ook niet gedaan – maar als u er ergens iets over aantreft, hoor ik het graag.

Het meest in het oog springt natuurlijk de foto boven aan dit stukje. Op de voorgrond wordt de dans nagedaan van het grotendeels ongeschonden beeld van de fontein op de achtergrond. Dat konden de Duitsers al niet kapot krijgen, en ons al helemaal niet! De fontein en het beeldengroepje (zes dansende kinderen rond een krokodil) werd geplaatst in 1935. Het kwam uit Charkov en bij het transport, zo schreef de Stalingradskaja Pravda enigszins ontstemd, was het licht beschadigd geraakt …

Ik las dat die beroemde fontein niet meer bestaat. Dat wist ik niet en dat verbaasde me zeer. Dankzij deze foto van Emmanoeil Jevzerichin (Эммануил Евзерихин), gemaakt op 23 augustus 1943, werd het beeld een symbool van het oorlogsgeweld dat Stalingrad teisterde.

Tweede Wereldoorlog fontein Stalingrad Evzerichin

In de jaren vijftig werd het bij de wederopbouw van de stad verwijderd, omdat het geen artistieke waarde bezat. Dat laatste zal best, maar zet die zes dansende kinderen naast het gigantische standbeeld ‘Het moederland roept’ op de Mamajev Koergan, en dan weet ik wel waar ik mijn bloemen leg. (Nog geen vijf minuten nadat ik dit stukje had geplaatst, werd ik er door Floris Akkerman op gewezen dat er wel degelijk een replica is teruggezet. Hij heeft deels gelijk: er staat sinds 2013 inderdaad een nieuwe versie - wat mij was ontgaan -  maar daarvan zijn de kinderen duidelijk een paar  jaar ouder dan die van de originele versie.)

Het beeld van de kinderen en de krokodil was – even los van alle symboliek - niet uniek. Vergelijkbare exemplaren werden in andere steden neergezet, onder andere, zo las ik ook, in Voronezj, op het Koltsovplein, pal in het centrum. Nou heb ik in Voronezj in de vroege jaren tachtig heel wat voetstappen achtergelaten, maar dat beeld kon ik me niet herinneren. En dat klopte, zo bleek gelukkig. In de oorlog verdween het (de Duitsers gebruikten het plein als begraafplaats), om na de bevrijding van de stad weer terug te keren. In 1977 werd het verwijderd.  

Duits kerkhof op het Koltosovplein, Voronezj

Duits kerkhof op het Koltosovplein, Voronezj

Koltsovplein, Voronezj, jaren zestig.

Koltsovplein, Voronezj, jaren zestig.

Ik schreef al dat de parade in Stalingrad qua omvang relatief bescheiden moet zijn geweest. In 1939 en 1945 ging het er op het Rode Plein in Moskou zeker een stuk massaler aan toe, zoals te zien is in deze twee filmpjes:

Arkadi Gidrat: de bronzen student-hoogspringer van het Moskouse metrostation, vermist in de oorlog, zestig jaar later opgegraven.

Het is de schuld van die hond en die kip, natuurlijk, beneden in de hal van metrostation Revolutieplein in Moskou. Die krijgen alle aandacht, die kent iedereen, die hond met z’n glimmende snuit en die kip met z’n blinkende vleugel. Die blinken en glimmen, omdat iedereen ze even wil aanraken. Dat brengt geluk.

Alle andere beelden op het station, en dat zijn er nogal wat, zijn daardoor een beetje ondergesneeuwd geraakt – onterecht, zoals mag blijken uit het verhaal van de in brons gegoten student, die met een boek op zijn schoot zit bij doorgang nummer zeven naar het eigenlijke perron.

Olga Gidrat, de dochter van Arkadi

Olga Gidrat, de dochter van Arkadi

Dat verhaal, dat ik niet kende (door toedoen van die hond en die kip dus), kwam ik onlangs tegen, op 3 december om precies te zijn. Dat is de Dag van de onbekende soldaat, een gedenkdag die dit jaar voor het eerst op de Russische kalender staat. Het metrostation werd voor de oorlog aangelegd. Na de oorlog kreeg de bronzen student beneden regelmatig bezoek van een jonge vrouw, zíjn vrouw, en van zijn dochter, die hoopten dat zij hem ooit ook nog eens in het echt zouden zien. In 2001 kreeg die dochter een telefoontje: haar vader, al die jaren vermist, was opgegraven in de provincie Leningrad, bij de Sinjavski hoogten, waar in de oorlog zwaar was gevochten.

 

De beelden in metrostation Revolutieplein zijn van de hand van Matvej Manizer. Hij gebruikte echte modellen. Dat de opgegraven stoffelijke resten van de bij Sint-Petersburg opgegraven soldaat gekoppeld konden worden aan het bronzen beeld in Moskou, was te danken aan een papiertje dat hij in een medaillon bij zich had gedragen. Het kon, aangetast door vocht, met moeite worden ontcijferd. Zijn naam stond erop: Arkadi Antonovitsj Gidrat. Dankzij de niet erg alledaagse achternaam was de speurtocht naar nabestaanden relatief eenvoudig.

Arkadi Gidrat werd in 1911 geboren in Kaloega. In de jaren dertig was hij een succesvolle atleet. Als hoogspringer was hij meervoudig kampioen van Moskou en met 1.91,5 meter was hij recordhouder van de Sovjetunie. Hij vocht in de Finse oorlog, hij was docent aan het Moskouse Instituut voor Lichamelijke Opvoeding, totdat de Tweede Wereldoorlog voor de Sovjetunie begon. Arkadi Gidrat sneuvelde in de herfst van 1941.

De volgende keer dat ik op het Moskouse metrostation Revolutieplein ben, loop ik de hond en de kip voorbij en breng ik een groet aan Arkadi Antonovitsj Gidrat.

(Ik werd op Arkadi’s verhaal geattendeerd door Iryna Savenko.)   

Leonid Gozman: “Deze wet moet iedereen de mond snoeren die Stalin een vampier vindt. Allemaal verdedigen we de SMERSJ!"

Oppositie-politicus Leonid Gozman vergeleek een jaar geleden de SMERSJ (contraspionagedienst opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog) met de SS. Toen waren de rapen gaar. In het huidige Rusland, waar de president het uiteenvallen van de USSR met instemming van velen omschrijft als “de grootste politieke catastrofe van de twintigste eeuw”, maakte Gozman zich met zijn uitspraak tot een logisch doelwit. “Jammer dat de Nazi’s geen lampekap van jouw grootmoeder hebben gemaakt", schreef een columniste in de Komsomolskaja Pravda.

Inmiddels zijn uitspraken als die van Gozman bij wet verboden. Wie de rol van de USSR tijdens de oorlog ‘verdraait’ of kanttekeningen plaatst bij de af en toe oorverdovende heroïek rond de oorlogsjaren, kan vijf jaar aan z’n broek krijgen.

Gozman ziet zich als een van de ‘aanstichters’ van de wet. Dat lijkt me wat veel eer (die wet was er toch wel gekomen), maar hij ziet het als zijn plicht om die wet meteen maar te overtreden. Dat doet hij in onderstaande column, die vorige week verscheen. Het Russisch origineel vindt u hier.

 

Allemaal verdedigen we de SMERSJ!

De prioriteiten zijn op een rijtje gezet. “Beschermd en verdedigd dienen te worden” de traditionele waarden, in het bijzonder de TsjK, NKVD, KGB, kameraad Dzerzjinski persoonlijk en, uiteraard, de SMERSJ. De blokkeer-eenheden (1) horen er ook bij, zonder hen ben je nergens. Het Molotov-Ribbentrop Pact als hoogtepunt van de vaderlandse diplomatie en voorbeeld van de verheven gedragsnormen in internationale betrekkingen. Katyn, in die zin dat opnieuw wíj dat niet geweest zijn. En het belangrijkste: onze vader, J.V. Stalin. Die blijkt dus eeuwig levend te zijn, Lenin helemaal niet. Van toespelingen gaan we over op directe acties. In aanwezigheid van de president wordt het lied “Artilleristen, Stalin heeft het bevel geven” uitgevoerd – Astafjev  had wel raad met jullie geweten! (2) In Sint-Petersburg, waarvan hij de inwoners aan honger en onnoembaar leed overleverde, draagt een functionaris van het stadsbestuur een portret van hem rond.

Wij verdedigen onze orde op alle gebieden. Wij slaan homoseksuelen en vrouwen met baarden van ons af (vroeger werden die trouwens getoond op jaarmarkten en het volk keek zonder enige morele schade  - maar dat was vroeger). Wij verenigen de Russische wereld en spoedig zullen we met de gebeden van Rogozin een basis bouwen op de maan, zodat we niet alleen de Zweed bedreigen (3). We voeren Tsjeboerasjka (4) in in plaats van het internet en Medinski in plaats van cultuur.

En daar nemen we allerlei wetten voor aan – de ene nog briljanter dan de andere. Een deel is openlijk kannibalistisch, een deel gewoon belachelijk. Eerst was het verboden om iets te doen, nu ook al om iets te zeggen.

De laatste in die reeks is de wet die eerherstel van het nazisme strafbaar stelt. Die moet niet tegengaan dat Hitler wordt geprezen, dat ze met een hakenkruis gaan lopen en het sieg-heil-teken maken. Precies het tegenovergestelde. De wet verbiedt om beulen beulen te noemen, genocide genocide. Nee, over Duitsland mag dat nog wel, over de USSR niet. Je mag niet praten over de misdaden van de NKVD en de verantwoordelijkheid van Stalin voor het ontketenen van de oorlog, over de standrechtelijke executies en over de verradersvolken (5). Dat alles heet nu – ik citeer – “de verspreiding van leugenachtige gegevens over de handelingen van de USSR in de jaren van de Tweede Wereldoorlog “ - en daar kan je vijf jaar voor krijgen.

SMERSJ

SMERSJ

De wet is bedoeld om diegenen (onder wie ik) de mond te snoeren die kameraad Stalin een vampier vinden, en een concentratiekamp een concentratiekamp, onafhankelijk van het uniform dat de bewakers dragen en welke taal zij spreken. Maar het is niet alleen de verdediging van het plaatje van het verleden dat Jarovaja en haar Doema-collega’s willen invoeren – het is een aanval op het heden. Vooral die mensen moet de mond worden gesnoerd die niet alleen Stalin afwijzen – daar zouden de schrijvers van de wet zich nog knarsetandend bij neerleggen – maar ook de permanente ideologische en propagandistische nachtmerrie waarin wij nu leven.

Ik kan niet anders dan mij persoonlijk verantwoordelijk voelen voor deze wet. Een jaar geleden vergeleek ik de SS met de SMERSJ – toen brak er in de Doema – en niet alleen daar – hysterie uit, en dit is een van de resultaten. Daarom kan ik niet alleen gewoon mijn oordeel geven – ik ben verplicht iets te doen.

Mij schoot niets beters te binnen dan de wet openlijk te overtreden, oftewel juist datgene te verklaren wat na het van kracht worden van de wet verboden is te verklaren. Dat doe ik opdat de gerechtelijke instanties een strafzaak beginnen – dan komt er een openbaar proces. Volgens het vonnis zal ik natuurlijk, daar twijfel ik niet aan, schuldig zijn, maar in feite zal dat het eerste proces zijn over de Stalinpraktijken tijdens de oorlog. En als ze geen zaak beginnen, dan erkennen ze daarmee dat ook deze wet, net als vele anderen die de laatste tijd zijn aangenomen, niet meer is dan politieke chantage.

Dus ik verklaar:

De straforganen van Stalin, in het bijzonder de NKVD en de SMERSJ NKVD, hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog (ik heb het bewust uitsluitend over de periode waarop de nieuwe wet van toepassing is) misdaden gepleegd, analoog aan de wetten op grond waarvan de SS en de Gestapo door het Neurenberg Tribunaal als misdadige organisaties werden beschouwd. In het bijzonder onderwierpen zij volken van de USSR aan genocide, pasten ze folteringen toe, vermoorden en onderdrukten ze massaal onschuldigen zonder vorm van proces. De uitvoerders van die misdaden zijn niet alleen niet gestraft, integendeel, ze werden beloond. Daaruit volgt dat die handelingen niet beschouwd kunnen worden als oorlogsexcessen, maar dat de verantwoordelijkheid gelegd moet worden niet alleen bij de beulen zelf, maar ook bij hun commandanten, tot aan de Hoogste Opperbevelhebber, en ook bij de toen in ons land bestaande regering in haar geheel. Ik ben van mening dat bovengenoemde structuren, naar het geheel aan de door hen gepleegde feiten, beschouwd dienen te worden als misdadige organisaties.

Ze zullen natuurlijk zeggen dat ik de Overwinning ontken, dat ik Hitler verheerlijk, dat ik de strijders van de NKVD zwartmaak, de gesneuvelden op het slagveld, enzovoort. Ieder weldenkend mens begrijpt dat niets van dat alles uit mijn woorden valt op te maken. Wat er wel uit op te maken valt is het niet accepteren van schijnheiligheid en leugens, zowel in het verleden als in het heden.

Zij zijn aan zet.

-------------------------------------------------------------------

Leonid Gozman – president van de Nationale Russische maatschappelijke beweging Sojoez Pravych Sil. (Deze naam laat zich lastig vertalen. Sojoez betekent verbond of unie, Sil betekent van krachten - tot zover geen probleem. Maar Pravych betekent zowel rechtse, juiste als rechtvaardige. Kiest u maar.) 

----------------------------------------

(1) Заградотряды / zagradotryady: moesten achter de frontlinie vluchtende soldaten tegenhouden.

(2) Schrijver Viktor Astajev (1924-2001). Verzette zich krachtig tegen de mythevorming rond de oorlog. (Zie hier.) Een recensie van zijn verzamelde brieven schreef ik op mijn oude weblog, in het deel dat nog niet opvraagbaar is. Zeer aanbevolen!  Виктор Астафьев : Нет мне ответа. Irkoetsk, 2009.

(3) Verwijzing naar een regel uit De Bronzen Ruiter van Alexander Poesjkin. И думал он: Отсель грозить мы будем шведу (En dacht hij: Vanhier zullen wij de Zweed bedreigen).

(4) Politicus Maksim Chadzjaradze stelde vorige maand voor om een eigen, Russisch internet in te voeren en het de naam Tsjeboerasjka te geven, naar een tekenfilmfiguur. 

(5) Volken – onder meer de Tsjetsjenen en de Krimtataren – die tijdens de Tweede Wereldoorlog en masse werden geporteerd op beschuldiging van collaboratie.