oekraïne

Odessa heeft een nieuw logo

(Eerste publicatie: 10-6-2012)

Een stadswapen is één ding, het logo van een stad is iets heel anders. Kijk maar:

Dit is het stadswapen van de kleurrijke havenstad Odessa.

En dit is het nieuwe logo van de Oekraïense stad, ontworpen door de Moskouse Artemy Lebedev Studio:

We herkennen natuurlijk het anker, en verder – dat had ik niet meteen door – een vuurtoren. De twee pijlen doen denken aan de golven en vormen samen een hartje. Ze stralen ook kracht en trots uit, wijzend op zichzelf, zo van: kijk mij eens! Een vrolijk geheel, in elk geval, en een hele verbetering ten opzichte van het vorige logo:

Niet alleen aan het logo is gewerkt, er is ook een nieuw schrift voor de stad ontworpen.

Eerder ontwierp Artemy Lebedev al een nieuw logo voor Perm en de provincie Kaloega, maar de voorraad mogelijke opdrachten is natuurlijk eindeloos. Wij denken meteen aan Sint-Petersburg. Ons stadswapen telt – wij zijn belangrijker dan Odessa – twee ankers! Dat kan alleen maar iets moois opleveren. Aan de slag, Artemy!

En verder wil ik Lebedev verzoeken om iets te doen aan het stadswapen van Magnitogorsk, want daar krijgen de inwoners van die Siberische stad het natuurlijk nooit echt warm van.

 

 

 

 

Nou ja, misschien als ze de vlag van hun stad erbij zien.

Maks Kjoess: componist van Golven van de Amoer, kapelmeester in het kamp van het Moskva-Wolgakanaal.

(Eerste publicatie: 6-3-2012)

Luistert u eerst even naar een van de bekendste Russische walsen, Golven van de Amoer (Амурские Волны.) 


[Door een niet meer te repareren slordigheid hier een alinea van dit artikel verloren gegaan. Daarin stond geschreven waar ik voor het eerst vermeld zag staan dat componist Maks Kjoess onder Stalin in een kamp had gezeten.] 

De componist van zo’n lieflijke wals gevangen in de Goelag? En daar dan ook nog muziek maken? Daar wilde ik meer van weten. Wat meteen opviel: een aantal bronnen (onder meer de Russische Wikipedia) maken helemaal geen melding van Kjoess’ verblijf in Dmitlag, het kamp op zo’n 60 kilometer van Moskou. Eigenaardig, want dat verblijf daar – dat bleek al snel – is gewoon gedocumenteerd.

Kjoess werd in 1877 (volgens sommige bronnen in 1874) geboren in Odessa (ook genoemd wordt: Sjavli in Litouwen). Een groot deel van zijn werkzame leven was hij orkestleider in het leger. Dat bracht hem in het Russische Verre Oosten, waar de rivier de Amoer stroomt. Zijn beroemdste muziekstuk droeg hij op aan Vera Jakovlevna Kirillenko, de echtgenote van een hoge officier. Dat maakt de titel extra dubbelzinnig, want had hij nou de golven van het Franse amour voor ogen, of van die Siberische rivier (Amoer, Amur, Amour … in het Russisch is dat hetzelfde woord: Амур.) Hoe dan ook, er komt gedonder van en Kjoess – we schrijven 1910 - moet op zoek naar een andere baan.

Hij belandt in Odessa en jaren later, onder de Sovjets, in Moskou. Daar besluit hij zich, in 1933, vrijwillig aan te melden als kapelmeester in het nabijgelegen Dmitlag. Er werken daar ook tal van niet-gevangenen, die apart worden gehuisvest. Binnen een paar maanden heeft hijhet eerste orkestje van gevangenen speelklaar. Hij vormt er meerdere, voor verschillende sectoren van het kamp. Kjoess houdt het twee jaar vol in Dmitlag, dan keert hij terug naar Odessa.

Hier is een orkestje in Dmitlag te zien (vanaf 13.50). De dirigent is helaas niet Kjoess: 


In Oddessa geeft Kjoess onder meer les aan weeskinderen. Hij is in de stad wanneer de Tweede Wereldoorlog begint. Hij vlucht niet en wordt in 1942 vermoord. Vorig jaar werd een gedenksteen onthuld op het adres waar hij heeft gewoond, Ul. Ekaterinskoj 2:

Een Nederlandse tabakshandelaar in bezet Oekraïne, 1944.

(Eerste publicatie: 31-1-2012)

Na het overlijden van zijn vader vindt Maarten van Bommel de oorlogsmemoires van zijn vader Jan. Dat Jan een oorlogsverleden met zich meedroeg, wist Maarten. De details kende hij niet. Die vindt hij in een map met veertig, aan beide zijden betypte bladen.

Ze zijn integraal opgenomen in het boek De Verbogen Schaduw. De tabakshandelaar van Nikolajev. Een Nederlander in de Oekraïne in 1944.

De memoires van vader Jan zijn gebaseerd op dagboeknotities. In de jaren tachtig en negentig heeft hij die uitgetypt en bewerkt tot een lopend verhaal. “A past interpreted not by the mind but by the heart”, aldus een briefje in de map.

De flaptekst meldt dat in De Verborgen Schaduw “de grote thema’s van de literatuur aan bod komen”.  Dat is – zelfs voor een flaptekst -  nogal potsierlijk. Vader Jan was geen groot schrijver. Toch is De Verborgen Schaduw een intrigerend boek, mede dankzij de twee begeleidende hoofdstukken van zoon Maarten. Daarin wordt verteld hoe het zo kon komen dat een Nederlandse jongen uit Den Haag in Nikolajev belandde, in bezet Oekraïne, en zich daar als een soort ritselaar in de tabakshandel stortte.

Met zijn in Nederland aangeschafte WA-uniform maakt Jan indruk op de meisjes en één daarvan, de knappe Lydia, groeit uit tot de liefde van zijn leven. Intrigerend is het perspectief van Jans verhaal. Oog voor de grote politiek heeft hij nauwelijks, hij is vooral bezig met de handel, feestjes en zijn Mercedes, die het op de Oekraïense wegen zwaar te verduren heeft. Nederlanders aan het Oostfront, daar kende ik al verhalen van. Een handige Nederlandse jongen in bezet Oekraïene, dat was nieuw voor me.

De memoires beslaan de periode januari – april 1944. Het lot van het Duitse leger in de Sovjetunie is bezegeld. In Nikolajev neemt de chaos toe. Pogingen om met de auto en de trein richting Wenen te vluchten, mislukken. Uiteindelijk lukt dat wel via Odessa, de Zwarte Zee en de Donau. Jan moet in Odessa afscheid nemen van Lydia. Ze heeft geen uitreispapieren, doet ook geen moeite om die in de wacht te slepen. Als liefje van een Duitser (in feite een Nederlander, maar dat zal geen verschil hebben gemaakt) kan zij van de nabije toekomst weinig goeds verwachten. 

Lydia is ‘de verborgen schaduw’ die voortaan over het rusteloze leven van Jan hangt. Hij trouwt nog wel, maar de geest van Lydia maakt een echt gelukkig huwelijk onmogelijk. Tegen zoon Maarten vertelde Jan kort voor zijn overlijden dat hij nergens spijt van had, behalve dat hij “dat Russische meisje niet had kunnen helpen”. Wie dat meisje precies was, begrijpt Maarten pas uit de map met Jans memoires.

Nog een klein detail. Jan zit in Odessa in een restaurant en daar speelt een orkestje de wals Tsjornye glaza (Zwarte ogen). Dat kan niet anders dan deze wals zijn: 

Florence Tonk - Blijf bij ons. Een leerzame zomer op het Oekraïense platteland.

(Eerste publicatie: 26-22-1022)

(Deze recensie van ‘Blijf bij ons’ van Florence Tonk is geschreven in het kader van de eerste Nederlandse boekblogtournee van Not just any book.)

Florence-Tonk_Blijf-bij-ons_1000pxbr.jpg

Wanneer Emma al snel constateert dat haar roodblonde buurman Fedja in het Oekraïense dorp waar ze een datsja heeft gekocht, lekker ruikt, dan weet je: dat gaat broeien tussen die twee.

Emma is een Nederlandse vertaalster van software-handleidingen. Ze is meegegaan naar Oekraïne met haar vriend Rogier, die in de hoofdstad Kiev een baan heeft gekregen. Het buitenlandse avontuur moet hun relatie nieuw leven inblazen. Rogier verliest zich echter in zijn werk en Emma voelt zich ontheemd. Als een soort vlucht naar voren kopen ze een datsja in het dorp Zagoeblene, vooral bestemd voor Emma. Daar heeft ze de tuin die ze zo mist en kan ze Kiev ontvluchten.

In ‘Blijf bij ons’ van Florence Tonk komen twee confrontaties bovendrijven: die van de Westerse Emma met de schurende werkelijkheid van een Oekraïens dorp en die van Emma met haar eigen verlangen naar een ander, ‘echter’ leven. Gaat ze dat vinden in een datsja zonder stromend water, op een plek “waar je het moet doen met aarde, lucht, groen, een mottige dorpswinkel, een bushalte en een school”?

‘Blij bij ons’ lijdt tot aan tweederde van het boek aan voorspelbaarheid. De inzakkende relatie met Rogier in Kiev en Emma’s eerste weken op de datsja worden nogal schematisch neergezet. De problemen van een leeglopend dorp in een voormalige Sovjet-republiek komen keurig één voor één langs. Emma loopt er zelf tegenaan of krijgt ze uitgelegd door de bewoners, die haar ook nog bijpraten over alle ellende die Oekraïne in de vorige eeuw over zich heen heeft gekregen.

Emma doet haar best om opgenomen te worden in de dorpsgemeenschap. Ze gaat Engels geven op de school (buurman Fedja is er directeur), geeft extra les aan de veelbelovende leerlinge Lesya, zwoegt net als iedereen in haar moestuin en sluit vriendschap met buurvrouw Loeba, Fedja’s echtgenote. Maar een westerse ‘indringer’ in “een groep zielen die aan elkaar zijn overgeleverd in een afbrokkelend systeem, zoekgeraakt in de tijd, in de wereld”, dat is vragen om problemen. En die komen er ook.

Het naderende einde van de zomer is de katalysator, ook van het boek, dat nu vaart krijgt. Emma beseft dat ze de winter in haar datsja, zonder enig comfort, niet zal aankunnen. Dat krijgt ze ook ingewreven door een dorpeling met een kwade dronk: “Wat voor jou een romantisch bezinningsoord vormt, is onze dagelijkse realiteit … Als straks de eerste sneeuwvlokken vallen … ben jij vertrokken, wedden?”

Inmiddels is Emma verzeild geraak in een heftige affaire met buurman Fedja, met vrijpartijen op een veilig plekje buiten het dorp. De aflopende zomer zet ook dat op scherp, met Fedja als de grote verliezer. Zijn hele leven voelde hij zich al gegijzeld in Zagoeblene, nu hij de tijdelijke bezoekster uit Nederland heeft leren kennen, voelt hij zich pas echt gevangen. Natuurlijk komt de affaire uit, een langer verblijf in het dorp is nu helemaal uitgesloten. Emma vertrekt naar Kiev, samen met leerlinge Lesya die er gaat studeren.

Fedja, Loeba en het dorp blijven achter en Emma maakt de balans op. De schaamte over de ontdekte affaire zal van haar afglijden. En over haar tijdelijke dorpsgenoten: “Ze zal hen missen, op een onmogelijke manier van hen blijven houden”. Ze heeft geraakt aan een ander leven, maar keert veilig en onbeschadigd terug naar dat van haarzelf.

Tante Tonja uit Odessa - 2

(Eerste publicatie: 6-10-2010)

Vervolg (aflevering 1 hier).

Een jaar later vroeg ik mijn reisbureau – ik werkte in de zomer als reisleider - om weer een reis naar Odessa. En zo liep ik opnieuw door de Moldavanka, met de foto’s op zak, op zoek naar de binnenplaats van tante Tonja.

Ik dacht dat ik de weg nog wist, maar dat viel tegen. Uiteindelijk liet ik een foto aan twee mannen zien. “Ah, tante Tonja”, zeiden ze en wezen me naar een binnenplaats verderop. Ik herkende de smalle trap, liep naar boven en klopte aan. Tante Tonja reageerde zonder enige verbazing. “Kuda ty propal!, waar zat je nou!” Dit keer raakte ik haar adres niet meer kwijt.

Weer een reis naar Odessa, het kwam er voorlopig niet van. Ik maakte me er vanaf – zo voelde dat – door haar een pakketje met een warm vest en vitamines te sturen. Af en toe schreef ik, een heel enkele keer schreef zij. Dat ze blij was met elk bericht, maar verdrietig dat ik niet kwam. Dat alles maar duurder werd en dat ze niet goed wist hoe ze de winter door moest komen. Dat ze een bewijsje had gekregen, haar ‘reabilitatsija’, dat ze onschuldig in het kamp had gezeten.

In augustus 1991, net in de dagen van de staatsgreep, was ik toch weer in Odessa. Tante Tonja was verhuisd en had nu telefoon! Ze vertelde, toen ik haar belde, dat ze die nacht geen oog had dichtgedaan van de legertrucks die door de straat reden.

De volgende dag nam ik een taxi naar de Prospekt Dobrovolskogo. Dat was even wat anders dan de Moldavanka! Tante Tonja had een eigen flatje gekregen, met een keukentje en – voor het eerst in haar leven – een douche. Wrang genoeg had ze dat aan haar kampverleden te danken. Als slachtoffer van het Stalinbewind had ze voorrang gekregen.

Goed ging het verder niet met haar. Ze was mager geworden, had suikerziekte, tekenen ging steeds moeilijker. Gelukkig had ze goede buren die haar hielpen.

Haar laatste brief schreef ze op 25 januari 1994. Het handschrift was minder vast. “Ik kreeg je brief waar ik heel, heel blij mee was. Ik ben snel bij iedereen langs geweest en heb hem voorgelezen. Ik had de herfst op je gewacht, ik hoorde niks van je en dacht dat je je oma uit Odessa vergeten was.“ Ze vroeg om hulp, heel voorzichtig. Medicijnen tegen de suikerziekte. “En doe er tulpenbollen bij, die kan ik dan hier planten”. Tekenen kon ze niet meer, haar hand trilde te veel. “Doe je papa en mama de groeten. Moge God jullie gezondheid geven. Ik kus je mijn best kind. Je verre oma Tonja."

In haar laatste brief had ze zich onbewust van tante tot oma verheven.

De reis in augustus 1991 was mijn laatste naar Odessa. Ik zette een punt achter mijn werk als reisleider. Wanneer oma Tonja is overleden, weet ik niet.

Hier deel 1.

Tante Tonja uit Odessa - 1

(Eerste publicatie: 4-10-2010), deel 2: hier

Tante Tonja uit Odessa kon goed tekenen. Dat redde haar in de kampen van Norilsk. In ruil voor wat eten maakte ze tekeningetjes voor andere gevangenen.

Haar vader kwam uit België. In Odessa werkte hij bij de tram. Toen de tsaar vertrok en de communisten kwamen, ging hij naar zijn vaderland. Vanuit België stuurde hij geld. Contacten met het buitenland, geld ontvangen, het was voor vrouw en kind geen aanbeveling.

Eerst kwamen ze voor Tonja’s moeder. Toen werd ook Tonja opgepakt.

Tante Tonja kwam ik bij toeval tegen, in de zomer van 1988. Ik was als reisleider in Odessa, had een middag vrij en zwierf door de Moldavanka, de morsige wijk met zijn binnenplaatsjes, waar het oude Odessa nog te vinden zou zijn. Ik maakte een foto van een duiventil, toen er een grijze vrouw op me afstapte. “Komt u voor de zaak van de duiven?” Ik weet niet voor wie ze me aanzag, maar toen ze begreep dat ze met een buitenlander van doen had, nodigde ze me uit. “Wilt u zien hoe ik woon?”

Het was een schamel onderkomen bovenaan een smalle trap. Het rook er smoezelig. Er liep een mager hondje rond dat ik onopvallend bij me vandaan probeerde te houden. “Kijk, zo verdien ik wat bij”, vertelde de vrouw die ik later tante Tonja noemde. Ze liet een paar borrelglaasjes zien met een bloemmotiefje. Ze kocht de glaasjes blanco, schilderde er bloemetjes op en verkocht ze met een beetje winst.

Ze kon goed tekenen en had naar een kunstopleiding gewild. Haar arrestatie maakte dat onmogelijk.

Als vanzelf begon tante Tonja te vertellen over het kamp en over hoe haar leven door de Stalinterreur was verpest. Het leek alsof ze voor het eerst, tegenover een buitenstaander, haar verhaal kwijt kon. Af en toe legde ze een hand op mijn knie en zei ze: “Het is echt gebeurd, hoor!” Ze diepte haar bewijsje van vrijlating op uit een la. Er kwamen tranen toen ze uit haar hoofd het gedichtje opzegde dat ze in het kamp had geschreven voor haar vader, die ze nooit meer zou terugzien. Fel en bitter zei ze: “Als hier op een feestdag de vlaggen uithangen, blijven bij mij de ramen dicht”.

Ik liet foto’s zien uit Nederland, van mijn familie en van mijzelf met een nest hondjes van een huisgenoot. Die laatste moest ik van haar achterlaten. Ik maakte een paar foto’s en beloofde die op te sturen. De volgende dag reisde ik door naar Moskou. Daar schrok ik me een ongeluk: ik kon het adres van tante Tonja niet meer vinden! En ik zou pas de volgende zomer, een jaar later, weer terug kunnen naar Odessa.

Hier deel 2.

(Het verhaal van tante Tonja kwam weer boven toen ik op de site van een Russische fotograaf foto’s tegenkwam van binnenplaatsen in Odessa. Deze lijkt op die van tante Tonja:)

De metro in Kiev: kapitalisme gaat ondergronds

(Eerste publicatie: 12-1-2009)

We brengen even een bezoekje aan Oekraïne, waar het kapitalisme zich niet alleen openbaart in gestegen gasprijzen, maar ook in kleurrijke muurschilderingen in de metro van Kiev.

Blogger Russos plaatste de foto’s en zag zijn bezoekersaantallen flink stijgen. Het aantal reacties liep in de honderden, de meeste waren negatief. Op de vraag “waar spreken we af?”, schijn je al te kunnen horen: “Bij station Nescafé”. Eén bezoeker probeerde zich in te denken hoe het is als je na een avondje flink doorzakken ’s ochtends vroeg met een kater de metro terug neemt, en dan hebben ze net ’s nachts de reclame vervangen …. “Dan kan je je hersens wel weggooien”, vermoedt hij.