Tweede Wereldoorlog

Joodse liedjes in Vinnitsa, zomer 1946 – herinneringen aan de naoorlogse jaren in de USSR, verzameld door Ljoedmila Oelitskaja - 2

(Eerste publicatie: 13-11-2013)

De bevrijding van Vinnitsa

De bevrijding van Vinnitsa

Mark Ptitsjnikov vertelt: “In de zomer van 1946 woonden we in Vinnitsa”.

Vinnitsa en de Tweede Wereldoorlog … Soms, vertelt Mark, hing er een zware stank boven de stad, dan was er weer een massagraf blootgelegd. De Duitsers waren begonnen met de joden en de zigeuners, daarna waren de krijgsgevangenen en de geestelijk gehandicapten aan de beurt en de ‘gewone’ burgers die de strenge regels van de bezetter hadden overtreden.

Het verhaal van Mark Ptitsjnikov staat in Detstvo 45-53: a zavtra budet sjtsjastje (Kinderjaren 45-53: en morgen zal er geluk zijn), een bundel herinneringen, bijeengebracht door de schrijfster Ljoedmila Oelitskaja. Het boek geeft een bont beeld van het kinderleven in de naoorlogse Sovjetunie. Het waren moeilijke jaren met honger en schaarste, vermengd met blijdschap over het einde van de oorlog en optimisme over de nabije toekomst.

De diverse verhalen beslaan hooguit een paar pagina’s, wat het boek nogal fragmentarisch maakt; een kaartenbak aan persoonlijke herinneringen. Die zijn stuk voor de stuk de moeite van het boekstaven waard, maar regelmatig denk je: hier zou een echte schrijver mee aan de slag moeten gaan - Oelitskaja bijvoorbeeld.

Enkele verhalen springen uit de kaartenbak naar voren. In mijn vorige stukje schreef ik al over de kindermeisjes van Omsk. Ook de herinneringen van Mark Ptitsjnikov over het Vinnitsa van na de oorlog springen eruit.

Oelitskaja, boeken Rusland Sovjetunie literatuur memoires

De overlevenden in Vinnitsa pakken na de oorlog de draad weer op, zo goed en zo kwaad als dat gaat. “De mensen gingen aan de slag en ontleenden vreugde aan kleine dingen." Maar wanneer Duitse krijgsgevangenen, die de puinhopen moesten opruimen, voorbijkomen, doet Marks vader trillend van haat het raam dicht.

Op een avond verzamelen zich buren van rond de binnenplaats voor een bescheiden feestdis. Ze hebben de oorlog overleefd, maar zijn allen beschadigd. De Radzinski’s, die als door een wonder de bezetting hebben overleefd en een jochie, half-Pools, half-joods, voor de SS en de Oekraïense politie hebben verborgen. Een oud joods echtpaar, op tijd gevlucht en net terug uit de evacuatie, maar zonder hun zoon die een maand voor het einde van de oorlog in Duitsland is gesneuveld. Een Pool die hier zijn hele familie heeft verloren terwijl hij zelf aan het front vocht.

Dan wordt er aangeklopt. Voor de deur staat een joods orkestje: twee volwassen muzikanten met een klarinet en accordeon en een opgeschoten jongen met een pionierstrommel. Ze spelen hun muziek en de tafel zingt mee: Itzik zjenitsya, Sem-sorok, Svadby Sjneerzona, Zjyl-byl na Podole Chaim Sjik …

Ik heb gezocht, want wat had ik graag die liedjes laten horen in een uitvoering dicht bij wat er die zomeravond in 1946 in het zich oprichtende Vinnitsa moet hebben geklonken. Helaas, ik heb niets gevonden wat ook maar in de buurt komt. Wel veel kitsch met synthesizers en popdreunen. Hier een uitvoering van Sem-sorok die nog enigszins draaglijk is. Een hele, hele verre echo van Vinnitsa in 1946 uit het verhaal van Mark:


Hier een korte (Russischtalige)  toelichting van Oeltiskaja op haar boek:


Hier deel 1.

Kindermeisjes in Omsk – herinneringen aan de naoorlogse jaren in de USSR, verzameld door Ljoedmila Oelitskaja - 1

(Eerste publicatie: 10-11-2013)

Stalingrad, 1945

Stalingrad, 1945

Anna Levina vertelt: “Toen ik klein was, verhuisden we uit de grote en heel mooie stad Leningrad  naar Siberië, naar de stad Omsk”.

Zo begint een van de vele kleine hoofdstukjes met herinneringen aan de naoorlogse jaren in de Sovjetunie, verzameld door schrijfster Ljoedmila Oelitskaja. Ze zijn uitgebracht onder de titel Detstvo 45-53: a zavtra budet sjtsjastje (Kinderjaren 45-53: en morgen zal er geluk zijn).

Ljoedmila Oelitskaja

Ljoedmila Oelitskaja

Anna Levina vertelt hoe haar ouders, beiden met een drukke baan, in Omsk op zoek moeten naar een kindermeisje voor haar en haar broertje. Maar wie wil de zorg op zich nemen voor twee vreemde kinderen? Alleen vrouwen die in een uitzichtloze situatie zijn beland, bijvoorbeeld omdat ze geen papieren hebben. Daarvan zijn er in de naoorlogse jaren in Siberië talloze: gevlucht uit de kolchoz, Tataren, Oekraïense Benderovtsy, Duitsers en oudjes die geen kant meer op kunnen. Anna’s vader is forensisch arts, werkt dus “bijna bij de politie” en kan via zijn connecties de vertrapten en verdrevenen aan een paspoort helpen. Aan kandidaten voor de post van kindermeisje in zijn gezin is dan ook geen gebrek.

Meestal, zo herinnert Anne zich, had het gelukkige kindermeisje na anderhalve maand niet alleen het gedroomde paspoort, maar na enkele bezoeken aan de officiersclub van Omsk ook een echtgenoot. En dan moest er een nieuw kindermeisje worden gevonden. 

Zo is daar de Tataarse Ljoetsija, zus van Revo, opgegroeid – u leidde dat al af uit beide voornamen – in een gezin waar men de Leninistische beginselen was toegedaan. Wat geen garantie bleek tegen verbanning naar Siberië. Loetsija is gek op Anna’s vader: een jood met het gezicht van een zuivere Tataar. Maar haar familie stuurt een Tataarse bruidegom op haar af en dat betekent: exit Loetsija.

Na Loetsija kwam Noesja, door Anna’s moeder gevonden op de markt, waar ze aardappelen stond te verkopen. De kleine Anna is gek op Noesja. “Ze rook naar brood, melk en rust”. Anna’s vader is het zat om voor paspoortafdeling te spelen, maar strijkt voor Noesja nog één keer met de hand over het hart. Dan, op een morgen, deelt de radio mee dat Stalin is gestorven. Noesja wordt hysterisch en keert na drie dagen terug naar haar dorp.

Dan komt de Oekraïense Marija Stepanovna uit Bender. Anna’s vader vindt haar ergens in een dorp waar hij als forensisch arts een moord moet onderzoeken. Marija Stepanovna is de vrouw van een veroordeelde Benderov-bandiet en maakt zich bij iedereen erg geliefd. Wanneer echter blijkt dat zij wel een glaasje lust en ook de kleine Anna af en toe trakteert, is het exit Marija Stepanovna.

Dan komt nog de Duitse Gotlibovna (“Die zag eruit of ze honderd was.”), die weer wordt opgevolgd door een zekere Kornilovna, die “boven iedereen uitstak als een brandtoren”. Op een avond spreekt Anna’s kleine broertje plots de eerste volzin van zijn leven uit: “Sla je vool je halses – sâje lelen” (Щас дам в молду – будешь знать!”). Het is duidelijk wie de kleine dat zinnetje heeft geleerd en het is exit Kornilovna.

“Daarna keerden we terug naar Leningrad, kindermeisjes namen we niet meer aan, op mijn broer werd voortaan gepast door oma, mama’s mama.”

Zou Ljoedmila Oelitskaja, die zo vloeiend ingewikkelde familiegeschiedenissen kan neerzetten, bij de herinneringen van Anna Levina niet gedacht hebben: Over dat gezin moest ik maar eens een boek schrijven? 

Meer over de door Oelitskaja verzamelde herinneringen aan de naoorlogse Sovjet-jaren in mijn volgende stukje.

Hier deel 2.

Hoe het eiland Valaam plots een dumpplaats werd voor Russische oorlogsinvaliden - 3

(Eerste publicatie: 21-10-2013)

Valaam oorlogsinvaliden

Was het tehuis op Valaam een soort gevangenis? Het werd in 1984 gesloten, de nog aanwezige bejaarden verhuisden naar het dorp Vidlitsa – het archief verhuisde mee. Een deel daarvan is hier te raadplegen. De documenten zijn lastig te ontcijferen, ik ga af op het oordeel van blogger Michail Sizov. Van een gevangenis was volgens hem geen sprake. Valaam was voor de invaliden bepaald geen kuuroord (zie over de woonomstandigheden deel 2), maar men kón van het eiland af. In de praktijk zal dat weinig zijn voorgekomen. Wie blind is en/of beide benen mist, verplaatst zich nu eenmaal niet zo makkelijk.

Ongetwijfeld zullen oorlogsinvaliden die zich ‘schuldig maakten’ aan bedelarij, zijn opgepakt en op Valaam zijn beland. Hadden zij geen familie, dan zal de weg terug naar de stad voor hen bezaaid zijn geweest met veel obstakels. Ook wordt verhaald van invaliden die hun verwanten in de toch al zware naoorlogse jaren niet tot last wilden zijn en zelf kozen voor een bestaan op het eiland. En ongetwijfeld waren er verminkten die door hun familie op het eiland aan hun lot werden overgelaten. Dat past allemaal in het beeld van het moeizame en vaak hardvochtige leven in de USSR in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. 

Ja, er werd in 1950 plots een grote groep oorlogsinvaliden naar Valaam gebracht. Maar een massale schoonmaakactie gevolgd door een deportatie van verminkte invaliden naar het eiland? Ik beschouw het als een mythe.    

Over de hier getoonde tekeningen zie deel 1. Hier deel 2.

Hoe het eiland Valaam plots een dumpplaats werd voor Russische oorlogsinvaliden - 1

(Eerste publicatie: 16-10-2013)

invaliden Valaam Tweede Wereldoorlog Rusland
eiland Valaam kerk Rusland invaliden

Ze circuleren al jaren op internet, de tekeningen van Gennadi Dobrov. Hij maakte ze in de jaren zeventig op het eiland Valaam in het Ladogameer, in een tehuis voor oorlogsinvaliden. En telkens wanneer de aangrijpende tekeningen onder de aandacht worden gebracht, laait de discussie weer op. Wat was dat precies voor tehuis? Hoe waren de omstandigheden? En waarom waren die invaliden daar beland?

De eerste twee vragen zijn vrij eenvoudig te beantwoorden, de derde is lastiger.

invaliden gedumpt dumpplaats Valaam Rusland Leningrad

In 2001 was ik enkele dagen op Valaam, zonder speciaal doel. Ik had weleens iets gelezen over het eiland als dumpplaats voor invaliden, maar het fijne wist ik er niet van. Mannen zonder armen en benen, die bij mooi weer in een mandje aan een boomtak werden gehangen, dat beeld was me bijgebleven. Had ik me iets beter voorbereid, dan was ik ongetwijfeld op zoek gegaan naar het kerkhof, waar veel van de invaliden begraven liggen. Erg vrolijk zou ik daar niet zijn geworden. Inmiddels is er een monument opgericht, maar toen stonden er wat houten kruizen met namen erop, te midden van verder naamloze, verwaarloosde graven.

Gennadi Dobrov (1937-2011)

Gennadi Dobrov (1937-2011)

Op het geïsoleerd gelegen Valaam (in het Ladoga meer, op 22 km van het vasteland) was een klooster gevestigd, dat in 1944 door de communisten werd ingepikt. In de bouwvallige onderkomens werden in juni 1950 plots zo’n 750 oorlogsinvaliden ondergebracht, aangevoerd uit andere tehuizen in de provincie Karelië, die werden gesloten.

De omstandigheden waarin de invaliden terechtkwamen, waren verschrikkelijk, zo blijkt uit  documenten uit die tijd. Een controlecommissie, die Valaam eind juli 1950 bezocht, constateerde dat de gebouwen niet in orde waren gebracht voor de winter, dat er geen wasgelegenheid was, geen normale medische zorg, geen kantine en een tekort aan bedden en lakens. Niet echt een fraai onderkomen voor de veelal jonge mannen, die hun ledematen hadden verloren in de strijd voor het vaderland. 

Gaandeweg werden de omstandigheden beter, maar van de verhalen uit de jaren zeventig, de periode waaruit de hier getoonde tekeningen dateren, wordt je nog altijd niet vrolijk. Bezoek van buitenstaanders werd niet aangemoedigd, maar enkele artiesten – onder wie Dobrov -  slaagden er toch in om inwoners van het tehuis vast te leggen. In de documentaire hieronder vertellen zij wat ze aantroffen: vergeten invaliden, beter verzorgd dan in de begintijd, maar nog altijd levend in kommervolle omstandigheden. Een van de artiesten, Joeri Krjakvin, vertelt (vanaf 11.50) hoe de ratten er rondliepen, azend op het brood van blinde bewoners.


In de documentaire wordt met stelligheid beweerd dat oorlogsinvaliden in 1953 overal van de straten werden geplukt en naar Valaam en andere tehuizen werden afgevoerd. Maar is dat ook zo?

kerk klooster eiland Valaam Rusland kerk invaliden

Hier deel 2 en deel 3.

Japanse krijgsgevangenen in de USSR - de tekeningen van Kiuchi Nobuo. Deel 1.

(Eerste publicatie; 12-7-2013)

Japanse krijgegevangenen Kiuchi Nobuo
Kiuchi Nobuo tekeningen Tweede Wereldoorlog Japan

Op 16 augustus 1945 legt het Japanse Kwantung-leger in Mantsjoerije de wapens neer. Zo’n 600.000 Japanse soldaten raken krijgsgevangen en worden naar de Sovjetunie getransporteerd. Pas in 1956 keren de laatsten van hen weer terug naar hun vaderland.

Een van de soldaten is Kiuchi Nobuo. Terwijl de meeste Japanners in kampen in Siberië belanden, is voor Nobuo de Oekraïne het eindstation. Hij overleeft zijn gevangenschap en deed er in de vorm van tekeningen verslag van.

Zij zoon beheert een website waarop de tekeningen te zien zijn. Helaas zijn de feitelijke gegevens op de site schaars en is de kaart met de lange weg die Nobuo heeft afgelegd in het Japans. Bij een van de tekeningen staat vermeld: “Aan het eind van 1947 werden we van het kamp in Slavjansk [de stad ten noorden van Donetsk, neem ik aan - EH] overgebracht naar een kamp met Hongaren”. Concreter wordt het nergens en hoeveel jaar hij in de USSR heeft vastgezeten en waar verder precies – ik heb het niet kunnen vinden. Het maakt de tekeningen niet minder boeiend.

Japanse krijgsgevangen Tweede Wereldoorlog Sovjetunie

"Davai, davai!"(Move, move!) - 40 men were hustled into 18-ton freight car and the doors were shut tight from outside. Every other car was secured by machinegunners. 50-car train departed west.

Japanse krijgsgevangenen tekeningen Kiuchi Nobuo kampen dwangarbeid

From North Korean port of Heungnam we went to small soviet port of Posyet. After that we had some forced march along longest 20 km fields. It was pretty hard for some of us and mud was all over them.

De tekeningen schetsen een beeld dat overeenkomt met de verhalen die ik elders over de Japanse krijgsgevangenen en hun woon- en werkomstandigheden tegenkwam. Honger en andere ontberingen genoeg, maar ook contacten met de lokale bevolking (de arbeid werd vaak buiten de kampen verricht) die het verblijf in dat verre land draaglijker maakten.

Japan capitulatie tekeningen kampen tekeningen

"Here, "japanese", have a potato."
Girls are very kind in every country. They say that Ukraine has very fertile grounds that's why they plant so many potatoes.

Kiuchi Nobuo Oekraïne tekeningen Japanner

Every country has so called executives. There was an eccentric old man among german soldiers who distributed duties among Japanese soldiers.

Japanse soldaten krijgsgevangen Rusland lokale bevolking dwangarbeid

Men and women took part in rebuilding the city after the end of WWII. Valiant women were handling even the most dangerous jobs. It was hard to imagine something like this in Japan those days. Some of russian women were even attracted to japanese soldiers. Those were beautiful moments.

Op het Japanse kaartje van Kiuchi Nobuo kan ik niet zien of hij ook in Jelaboega heeft gezeten. Dat kamp wordt veel genoemd in verhalen over de Japanse gevangenen in de USSR. Er zaten ook Duitsers. Het is het kamp waar Kurt Reuber overleed, de maker van de Madonna van Stalingrad (zie mijn verhaal over hem hier.) 

En er is nog een naam die meteen bij me opkwam: Efronsinija Kersnovskaja. Zij bracht twaalf jaar door in de Goelag en legde haar ervaringen ook in tekeningen vast. Over haar schreef ik hier. Dit is een tekening van haar:

Kersnovskaja tekeningen Goelag kampen

Wordt vervolgd

Het dorpsleven achter het Russische front, 1942/43. “Weite – Licht – Ruhe.” De foto’s van Asmus Remmer

(Eerste publicatie: 4-7-2013)

dorp Tweede Wereldoorlog Wehrmacht fotograaf Asmus Remmer

“Weite – Licht - Ruhe, das ist der Dreiklang, in dem alles mich herum zusammenklingt.” En: “Ich entdecke ein anderes Russland: Frühlingswolken, frisch, wie aus dem Ei gepellt am Himmel.” Het zijn niet meteen beelden die je in verband brengt met het Oostfront, 1942/1943. Toch werden ze daar opgetekend.

Ik trof de woorden aan in Abseits der Rollbahn. Russische Impressionen 1942/1943 van Asmus Remmer en Peter Brunkert. Het is een bescheiden boekje van twee dorpsgenoten uit Angeln, die als infanteristen in Rusland belandden. De tekst, gebaseerd op dagboeknotities en brieven, is boeiend, maar het zijn vooral de foto’s van Remmer die het boek uittillen boven ‘gewone’ oorlogsmemoires.

winter Wehrmacht Rusland Sovjetunie Asmus remmert Peter Brunkert Abseits de Rollbahn
Asmus Remmer

Asmus Remmer


Remmer was voor de oorlog al werkzaam als fotograaf. Op zijn fiets trok hij eropuit om de omgeving van zijn dorp vast te leggen. Als fietsend ordonnans (Radmelder) ging hij daar in Rusland, in de provincie  Kaloega, met twee camera’s bij zich, mee door.

Remmer (1909-2003) belandt ook aan het ‘echte’ front. Daar is hij vooral bezig met overleven en fotografeert hij niet. Na een Heimatsurlaub van enkele weken (hij is aanwezig bij een viering van Hitlers verjaardag), moet hij weer terug naar Rusland. Het is duidelijk dat de soldaat van het Duitse platteland verwachtschap voelt met zijn omgeving daar. “Ich habe meine Kamera längst wieder in der Hand, rieche das Land, atme tief durch, bin dankbar für diese Zeit.” Het is inmiddels zomer. ’s Avonds gebeurt het dat aan de ene kant van het dorp gezang opklinkt van nieuw aangekomen soldaten (de ervaren soldaten zingen al niet meer) en aan de andere kant van het dorp gezang klinkt van Russische vrouwen.     

Peter Brunkert Rusland Tweede Wereldoorlog
Russische vluchtelingen dorp Wehrmacht Asmus Remmert

Op de foto’s zijn geen Russische jongemannen te zien. Ook op een directere manier wordt heel duidelijk dat het Oostfront geen kuuroord was. De gevechten komen aan bod en er wordt een brief afgedrukt van een gesneuvelde soldaat aan zijn vader – vol verschrikkingen. Remmer krijgt de opdracht om Duitse graven te fotograferen. De foto’s zijn bestemd voor de nabestaanden. Op zijn fiets trekt hij eropuit. Bij een Duits kerkhof hoort hij gezang uit een half vernietigde kerk komen. De vrouwenstemmen zijn “voll Treuer und Schwermut”. Op een groot berkenkruis staat geschreven: “Es gibt nur eine Sünde – Vergessen”.  

En dank je, wrang genoeg,  natuurlijk meteen aan de dichtregel van Olga Berggoltz op het monument van de Pisjkarov-begraafplaats in Sint-Petersburg, met zijn massagraven uit de oorlog: Никто не забыт и ничто не забыто -  Niemand is vergeten en niets is vergeten. 

(Asmus Remmer werd uiteindelijk in mei 1945 in Frankrijk krijgsgevangen genomen door de Amerikanen. Na terugkeer in Duitsland vatte hij zijn beroep als fotograaf weer op. Er moeten zo’n tweehonderd Russische foto’s van hem zijn. In het hier genoemde boek staan er 38 afgedrukt - die zijn ook her en der te vinden op internet. Het lot van de overige foto’s is mij niet bekend.)

Duits wapentuig in Moskou op de enige bewaard gebleven Sovjet-kleurenfilm uit de oorlog

(Eerste publicatie: 20-6-2012)

Ik kwam dit filmpje tegen bij blogger Eugene. Volgens hem zien we hier de enige Sovjet-kleurenfilm uit de Tweede Wereldoorlog die bewaard is gebleven. De titel: Trofeeën van grootse veldslagen, gemaakt in 1943.

Het zijn intrigerende beelden, niet alleen vanwege die kleuren.

Met de toenemende successen van het Rode Leger ontstond er een probleem: wat doe je met al het buitgemaakte materieel? Als leek sta je daar niet zo bij stil, maar inderdaad: je laat al die tanks, vliegtuigen, kanonnen, vrachtwagens  en pontonbruggen niet zo maar wegroesten.

In april 1943 werd er een speciaal Trofee-comité gevormd dat zich moest gaan bezighouden met het verzamelen, afvoeren en sorteren van buitgemaakte spullen en plannen moest opstellen voor hergebruik. Twee weken later werden de taken en bevoegdheden nader gespecificeerd. (De betreffende verordeningen vindt u hier en hier, in het Russisch.)  De bevelhebbers aan het front dienden transport ter beschikking te stellen. Er werden demonteer-eenheden gevormd en er kwamen speciale afvoertreinen met hijskranen en (buitgemaakte) locomotieven. Bij de afvoer richting stations diende in eerste instantie gebruik te worden gemaakt van “leeg terugkerende wagens” (“с использованием в первую очередь обратного автопорожняка” – prachtig!). Het Trofee-comité diende ook nog zorg te dragen voor de inrichting in Moskou van een permanente tentoonstelling van buitgemaakt materieel.

Het filmpje bovenaan is gemaakt op die tentoonstelling in het Gorki Park. Die werd geopend op 22 juni 1943 (exact twee jaar na de Duitse invasie), werd voortdurend aangevuld en sloot uiteindelijk pas in 1948 haar deuren. Veel materiaal kwam terecht in het Museum van de Strijdkrachten van de USSR.

De propagandistische waarde van het filmpje is groot. Op het oog onbezorgde Moskovieten (let op het aantal dames in zomerjurken) wandelen tussen het oorlogstuig van de vijand, die – dat kan niet anders – gewoon verslagen gaat worden. Het bewijs is eigenlijk al geleverd, kijk maar. De ironische toon van de commentator (acteur Boris Tsjirkov) doet de rest.

Hier een korter, kaler filmpje, zwart-wit, met Duitse ondertitels (“sechsläufiger Granatwerfer”):

En in dit filmpje (vanaf 1.20) brengen “kameraden” van de Britse vakbonden in 1943 een bezoek aan de Moskouse tentoonstelling. Het onderwerp daarna in dit bioscoopjournaal (vanaf 2.26) is trouwens ook de moeite waard. Onder de titel: ‘Meer turf!” zien we beelden van Russisch turfwinning. Rond de tijd dat die beelden gemaakt werden, stond ook mijn vader turf te steken, in de buurt van Stolwijk:

Kind van het Ereveld – Remco Reidings speurtocht naar nabestaanden van in Amersfoort begraven Sovjet-soldaten. Een boek en een documentaire.

(Eerste publicatie: 6-4-2012)

In 1998 krijgt journalist Remco Reiding van de Amersfoortse Courant het verzoek (‘no cure  no pay’): zoek uit wie er begraven liggen op het Russisch Ereveld en probeer nabestaanden te traceren. Twee jaar later, op 4 mei 2000, staat de bejaarde Dima Botenko uit het verre Jalta aan het graf van zijn vader in Amersfoort. Dima heeft al die jaren niet geweten wat er was gebeurd met zijn vader Vladimir, die als ‘vermist’ te boek stond. Dima Botenko is de eerste nabestaande van de Sovjet-soldaten op het ereveld die door Remco, na jaren van vaak hopeloos lijkend speurwerk, is gevonden.

Inmiddels zijn verwanten van bijna tweehonderd soldaten getraceerd. Er is een stichting die adoptie van de graven mogelijk maakt. En de zoektocht in de republieken van de voormalige Sovjetunie gaat nog altijd door. Ook dit jaar staan in mei weer verwanten van gesneuvelde soldaten bij een graf op het Russische ereveld.Reiding schreef over zijn speurwerk het boek ‘Kind van  het Ereveld’, dat vanaf dinsdag in de winkel ligt.

Op zijn zoektochten in Rusland ontmoet Remco zijn huidige vrouw. Hun zoon Dmitri is een kind van het ereveld. In zekere zin geldt dat ook voor Remco zelf. Zijn speurtocht hielp hem op de been en gaf hem zelfvertrouwen, nadat hij door de dood van zijn moeder in een flink dal was beland. Deze persoonlijke kant van het verhaal – niet het overtuigendste deel van het boek - loopt aanvankelijk parallel met de speurtocht naar nabestaanden. Gaandeweg komt die zoektocht, die voert langs Moskou, de Krim, oorlogsarchieven en voormalige Duitse kampen, centraal te staan. En dan word je als lezer gegrepen.

Er liggen op het ereveld in Amersfoort (strikt genomen bevindt het veld zich in de gemeente Leusden) 865 soldaten uit het Rode Leger: 101 van hen, voornamelijk Oezbeken, zaten in Kamp Amersfoort, waar ze zich onder erbarmelijk omstandigheden doodwerkten of waar ze uiteindelijk werden geëxecuteerd; 73 anderen werden overgebracht van andere begraafplaatsen in Nederland, de grootste groep (691 man) lag aanvankelijk op de Amerikaanse begraafplaats Margraten en werd enkele jaren na de oorlog herbegraven in Amersfoort.

Reiding richt zich eerst op de twee kleinere groepen, maar zonder enig resultaat.  Hij verlegt zijn aandacht naar de grote groep uit Margraten en dan doet hij zijn eerste belangrijke vondst: In het Centraal Archievendepot van het Nederlandse Ministerie van Defensie stuit hij op de door de Amerikanen opgemaakte Reports of Burial van alle 691 in Margraten begraven Sovjet-soldaten. Je bent als lezer dan al zo betrokken geraakt bij de zoektocht, dat je Reidings opwinding bijna kan meevoelen.

De ‘groep-Margraten’ bestaat voornamelijk uit krijgsgevangenen die als dwangarbeiders in Duitsland zijn beland. Velen zijn bevrijd door de Amerikanen, maar uiteindelijk toch nog overleden. In dertig gevallen vermeldt de overlijdensakte een emergency addressee, namen en adressen van familieleden. Die zijn echter door de Russisch-Engelse taalbarrière onvolledig, onduidelijk of verbasterd overgekomen, zodat ook voor die gevallen succes geenszins verzekerd is. Bovendien zijn in Rusland dorpen verdwenen, straatnamen gewijzigd en natuurlijk ook nabestaanden allang overleden. Er is nog heel wat hulp nodig van lokale archivarissen, museummedewerkers en veteranenorganisaties om eindelijk aan te kunnen kloppen bij een verbijsterde nabestaande.

Schrijnend is de desinteresse van de centrale instanties in Moskou, hartverwarmend de hulp die Reiding krijgt op lokaal niveau. In Kind van het Ereveld komt vooral het lot van Dima Botenko en de zoektocht naar zijn verwanten aan bod. Doordat Reiding de lezer ook meevoert langs de weg die de Sovjet-soldaten hebben moeten gaan, vanuit hun dorp via het slagveld naar een kamp in Duitsland, waar de bevrijding hen niet meer kon redden, krijgt de speurtocht en het uiteindelijke succes een extra lading.

De NCRV zendt op 4 mei een documentaire uit over het ereveld en Reidings speurwerk. Daarin wordt duidelijk – voor zover nog nodig – hoe belangrijk voor de nabestaanden het nieuws over hun vader, opa  of oom uit Nederland is. Een van de ontroerendste momenten zit in het gesprek met Lidija Tichonovna, aan haar Moskouse keukentafeltje. Enkele jaren geleden bezocht zij het graf van haar vader in Amersfoort. Op de vraag ‘wat betekent Remco voor u?’ breekt een warme lach door op haar vermoeide gezicht: “Remco is alles voor me”.

4 mei, 17.05, Nederland 2: Schepper & Co (NCRV) over de Sovjet-soldaten, begraven in Amersfoort, en de speurtocht naar nabestaanden in Rusland.

Aan het ereveld is ook een website gewijd.

Een verslagje van een feamiliebezoek u hier.

Een Nederlandse tabakshandelaar in bezet Oekraïne, 1944.

(Eerste publicatie: 31-1-2012)

Na het overlijden van zijn vader vindt Maarten van Bommel de oorlogsmemoires van zijn vader Jan. Dat Jan een oorlogsverleden met zich meedroeg, wist Maarten. De details kende hij niet. Die vindt hij in een map met veertig, aan beide zijden betypte bladen.

Ze zijn integraal opgenomen in het boek De Verbogen Schaduw. De tabakshandelaar van Nikolajev. Een Nederlander in de Oekraïne in 1944.

De memoires van vader Jan zijn gebaseerd op dagboeknotities. In de jaren tachtig en negentig heeft hij die uitgetypt en bewerkt tot een lopend verhaal. “A past interpreted not by the mind but by the heart”, aldus een briefje in de map.

De flaptekst meldt dat in De Verborgen Schaduw “de grote thema’s van de literatuur aan bod komen”.  Dat is – zelfs voor een flaptekst -  nogal potsierlijk. Vader Jan was geen groot schrijver. Toch is De Verborgen Schaduw een intrigerend boek, mede dankzij de twee begeleidende hoofdstukken van zoon Maarten. Daarin wordt verteld hoe het zo kon komen dat een Nederlandse jongen uit Den Haag in Nikolajev belandde, in bezet Oekraïne, en zich daar als een soort ritselaar in de tabakshandel stortte.

Met zijn in Nederland aangeschafte WA-uniform maakt Jan indruk op de meisjes en één daarvan, de knappe Lydia, groeit uit tot de liefde van zijn leven. Intrigerend is het perspectief van Jans verhaal. Oog voor de grote politiek heeft hij nauwelijks, hij is vooral bezig met de handel, feestjes en zijn Mercedes, die het op de Oekraïense wegen zwaar te verduren heeft. Nederlanders aan het Oostfront, daar kende ik al verhalen van. Een handige Nederlandse jongen in bezet Oekraïene, dat was nieuw voor me.

De memoires beslaan de periode januari – april 1944. Het lot van het Duitse leger in de Sovjetunie is bezegeld. In Nikolajev neemt de chaos toe. Pogingen om met de auto en de trein richting Wenen te vluchten, mislukken. Uiteindelijk lukt dat wel via Odessa, de Zwarte Zee en de Donau. Jan moet in Odessa afscheid nemen van Lydia. Ze heeft geen uitreispapieren, doet ook geen moeite om die in de wacht te slepen. Als liefje van een Duitser (in feite een Nederlander, maar dat zal geen verschil hebben gemaakt) kan zij van de nabije toekomst weinig goeds verwachten. 

Lydia is ‘de verborgen schaduw’ die voortaan over het rusteloze leven van Jan hangt. Hij trouwt nog wel, maar de geest van Lydia maakt een echt gelukkig huwelijk onmogelijk. Tegen zoon Maarten vertelde Jan kort voor zijn overlijden dat hij nergens spijt van had, behalve dat hij “dat Russische meisje niet had kunnen helpen”. Wie dat meisje precies was, begrijpt Maarten pas uit de map met Jans memoires.

Nog een klein detail. Jan zit in Odessa in een restaurant en daar speelt een orkestje de wals Tsjornye glaza (Zwarte ogen). Dat kan niet anders dan deze wals zijn: