Sovjetunie

Joodse liedjes in Vinnitsa, zomer 1946 – herinneringen aan de naoorlogse jaren in de USSR, verzameld door Ljoedmila Oelitskaja - 2

(Eerste publicatie: 13-11-2013)

De bevrijding van Vinnitsa

De bevrijding van Vinnitsa

Mark Ptitsjnikov vertelt: “In de zomer van 1946 woonden we in Vinnitsa”.

Vinnitsa en de Tweede Wereldoorlog … Soms, vertelt Mark, hing er een zware stank boven de stad, dan was er weer een massagraf blootgelegd. De Duitsers waren begonnen met de joden en de zigeuners, daarna waren de krijgsgevangenen en de geestelijk gehandicapten aan de beurt en de ‘gewone’ burgers die de strenge regels van de bezetter hadden overtreden.

Het verhaal van Mark Ptitsjnikov staat in Detstvo 45-53: a zavtra budet sjtsjastje (Kinderjaren 45-53: en morgen zal er geluk zijn), een bundel herinneringen, bijeengebracht door de schrijfster Ljoedmila Oelitskaja. Het boek geeft een bont beeld van het kinderleven in de naoorlogse Sovjetunie. Het waren moeilijke jaren met honger en schaarste, vermengd met blijdschap over het einde van de oorlog en optimisme over de nabije toekomst.

De diverse verhalen beslaan hooguit een paar pagina’s, wat het boek nogal fragmentarisch maakt; een kaartenbak aan persoonlijke herinneringen. Die zijn stuk voor de stuk de moeite van het boekstaven waard, maar regelmatig denk je: hier zou een echte schrijver mee aan de slag moeten gaan - Oelitskaja bijvoorbeeld.

Enkele verhalen springen uit de kaartenbak naar voren. In mijn vorige stukje schreef ik al over de kindermeisjes van Omsk. Ook de herinneringen van Mark Ptitsjnikov over het Vinnitsa van na de oorlog springen eruit.

Oelitskaja, boeken Rusland Sovjetunie literatuur memoires

De overlevenden in Vinnitsa pakken na de oorlog de draad weer op, zo goed en zo kwaad als dat gaat. “De mensen gingen aan de slag en ontleenden vreugde aan kleine dingen." Maar wanneer Duitse krijgsgevangenen, die de puinhopen moesten opruimen, voorbijkomen, doet Marks vader trillend van haat het raam dicht.

Op een avond verzamelen zich buren van rond de binnenplaats voor een bescheiden feestdis. Ze hebben de oorlog overleefd, maar zijn allen beschadigd. De Radzinski’s, die als door een wonder de bezetting hebben overleefd en een jochie, half-Pools, half-joods, voor de SS en de Oekraïense politie hebben verborgen. Een oud joods echtpaar, op tijd gevlucht en net terug uit de evacuatie, maar zonder hun zoon die een maand voor het einde van de oorlog in Duitsland is gesneuveld. Een Pool die hier zijn hele familie heeft verloren terwijl hij zelf aan het front vocht.

Dan wordt er aangeklopt. Voor de deur staat een joods orkestje: twee volwassen muzikanten met een klarinet en accordeon en een opgeschoten jongen met een pionierstrommel. Ze spelen hun muziek en de tafel zingt mee: Itzik zjenitsya, Sem-sorok, Svadby Sjneerzona, Zjyl-byl na Podole Chaim Sjik …

Ik heb gezocht, want wat had ik graag die liedjes laten horen in een uitvoering dicht bij wat er die zomeravond in 1946 in het zich oprichtende Vinnitsa moet hebben geklonken. Helaas, ik heb niets gevonden wat ook maar in de buurt komt. Wel veel kitsch met synthesizers en popdreunen. Hier een uitvoering van Sem-sorok die nog enigszins draaglijk is. Een hele, hele verre echo van Vinnitsa in 1946 uit het verhaal van Mark:


Hier een korte (Russischtalige)  toelichting van Oeltiskaja op haar boek:


Hier deel 1.

Kindermeisjes in Omsk – herinneringen aan de naoorlogse jaren in de USSR, verzameld door Ljoedmila Oelitskaja - 1

(Eerste publicatie: 10-11-2013)

Stalingrad, 1945

Stalingrad, 1945

Anna Levina vertelt: “Toen ik klein was, verhuisden we uit de grote en heel mooie stad Leningrad  naar Siberië, naar de stad Omsk”.

Zo begint een van de vele kleine hoofdstukjes met herinneringen aan de naoorlogse jaren in de Sovjetunie, verzameld door schrijfster Ljoedmila Oelitskaja. Ze zijn uitgebracht onder de titel Detstvo 45-53: a zavtra budet sjtsjastje (Kinderjaren 45-53: en morgen zal er geluk zijn).

Ljoedmila Oelitskaja

Ljoedmila Oelitskaja

Anna Levina vertelt hoe haar ouders, beiden met een drukke baan, in Omsk op zoek moeten naar een kindermeisje voor haar en haar broertje. Maar wie wil de zorg op zich nemen voor twee vreemde kinderen? Alleen vrouwen die in een uitzichtloze situatie zijn beland, bijvoorbeeld omdat ze geen papieren hebben. Daarvan zijn er in de naoorlogse jaren in Siberië talloze: gevlucht uit de kolchoz, Tataren, Oekraïense Benderovtsy, Duitsers en oudjes die geen kant meer op kunnen. Anna’s vader is forensisch arts, werkt dus “bijna bij de politie” en kan via zijn connecties de vertrapten en verdrevenen aan een paspoort helpen. Aan kandidaten voor de post van kindermeisje in zijn gezin is dan ook geen gebrek.

Meestal, zo herinnert Anne zich, had het gelukkige kindermeisje na anderhalve maand niet alleen het gedroomde paspoort, maar na enkele bezoeken aan de officiersclub van Omsk ook een echtgenoot. En dan moest er een nieuw kindermeisje worden gevonden. 

Zo is daar de Tataarse Ljoetsija, zus van Revo, opgegroeid – u leidde dat al af uit beide voornamen – in een gezin waar men de Leninistische beginselen was toegedaan. Wat geen garantie bleek tegen verbanning naar Siberië. Loetsija is gek op Anna’s vader: een jood met het gezicht van een zuivere Tataar. Maar haar familie stuurt een Tataarse bruidegom op haar af en dat betekent: exit Loetsija.

Na Loetsija kwam Noesja, door Anna’s moeder gevonden op de markt, waar ze aardappelen stond te verkopen. De kleine Anna is gek op Noesja. “Ze rook naar brood, melk en rust”. Anna’s vader is het zat om voor paspoortafdeling te spelen, maar strijkt voor Noesja nog één keer met de hand over het hart. Dan, op een morgen, deelt de radio mee dat Stalin is gestorven. Noesja wordt hysterisch en keert na drie dagen terug naar haar dorp.

Dan komt de Oekraïense Marija Stepanovna uit Bender. Anna’s vader vindt haar ergens in een dorp waar hij als forensisch arts een moord moet onderzoeken. Marija Stepanovna is de vrouw van een veroordeelde Benderov-bandiet en maakt zich bij iedereen erg geliefd. Wanneer echter blijkt dat zij wel een glaasje lust en ook de kleine Anna af en toe trakteert, is het exit Marija Stepanovna.

Dan komt nog de Duitse Gotlibovna (“Die zag eruit of ze honderd was.”), die weer wordt opgevolgd door een zekere Kornilovna, die “boven iedereen uitstak als een brandtoren”. Op een avond spreekt Anna’s kleine broertje plots de eerste volzin van zijn leven uit: “Sla je vool je halses – sâje lelen” (Щас дам в молду – будешь знать!”). Het is duidelijk wie de kleine dat zinnetje heeft geleerd en het is exit Kornilovna.

“Daarna keerden we terug naar Leningrad, kindermeisjes namen we niet meer aan, op mijn broer werd voortaan gepast door oma, mama’s mama.”

Zou Ljoedmila Oelitskaja, die zo vloeiend ingewikkelde familiegeschiedenissen kan neerzetten, bij de herinneringen van Anna Levina niet gedacht hebben: Over dat gezin moest ik maar eens een boek schrijven? 

Meer over de door Oelitskaja verzamelde herinneringen aan de naoorlogse Sovjet-jaren in mijn volgende stukje.

Hier deel 2.

Het fotoalbum van Koos en Nel Visch, Nederlanders in Kemerevo, Siberië (1922-1926).

(Eerste publicatie: 26-6-2013)

nel Visch Kemerovo communisten CPN

Dacht ik me daar toch een vondst van je welste te hebben gedaan.

Bladerend door een prachtige site met gedigitaliseerde fotoalbums uit Rusland, stuitte ik op bovenstaand tafereel. “24 september in Siberië. Men ziet hier hoe blij men is ons weer terug te hebben. We zitten op een berg van ijzererts.”

In hetzelfde album zat deze foto, volgens het onderschrift “Aan boord van de Rotterdam, de vierde groep Hollanders, 1922”:

Siberië fotoalbum 1922 CPN Sovjetunie

Meteen dacht ik aan Kemerovo, de Siberische stad aan de rivier de Tom, waar in de jaren twintig buitenlandse ingenieurs betrokken waren bij de bouw van een chemie- en cokesfabriek. In 1922 werd daartoe de Autonome Industriële Kolonie Koezbass opgericht, die onder leiding stond van de Nederlander Sebald Rutgers. Mijn niet zo wilde vermoeden werd bevestigd toen ik het omslag van het foto-album aanklikte:

Sebald Rutgers Koezbass ingenieurs communisten Kemerovo

Inderdaad, de AIK Koezbass. Van wie dit album is geweest, wordt op de site niet vermeld. Gelukkig is dat wel het geval bij een volgend album, twee klikken verder.

Koos Visch Nel Visch fotoalbum AIK Koezbass

Het is van Koos en Nel Visch, die in 1922 via een tussenstop in de Oeral ook in Kemerovo belandden. Vier jaar later maakten zij de opheffing van de AIK Koezbass mee. Buitenlandse ‘inmenging’ in de industrie was niet langer gewenst. In tegenstelling tot veel andere buitenlandse communisten, oostwaarts getrokken om de Sovjet-heilstaat op te bouwen, overleefden Koos en Nel de zuiveringen van de jaren dertig. Koos overleed in 1943 in Izjevsk, Nel werkte nog als lerares Nederlands in Moskou en keerde in 1947 terug naar Nederland.

De trein van oeral naar keremovo

De trein van oeral naar keremovo

Kemerovo, arbeidershuisjes. Architect Han van Loghem

Kemerovo, arbeidershuisjes. Architect Han van Loghem

"Hollandsch clubje" - Kemerovo, januari 1923

"Hollandsch clubje" - Kemerovo, januari 1923

Koos Visch in Kemerovo

Koos Visch in Kemerovo

Enige opwinding maakte zich bij al dit klikken van mij meester. Had ik hier zo maar even twee unieke albums opgedoken die een nieuw licht wierpen op de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging in het algemeen en de Nederlandse bijdrage aan de AIK Koezbass in het bijzonder? Dat viel helaas reuze mee. Ik vond een berichtje over een tentoonstelling in 2007 in het streekmuseum van Kemerovo. Daar was in elk geval het album van Nel en Koos Visch al te zien geweest. Dan zal het bestaan van dat andere album ongetwijfeld ook al wel algemeen bekend zijn.

Koos Nel Visch fotoalbum CPN Kemerovo

Op veel pagina’s in het album van Nel en Koos Visch zijn foto’s verdwenen. Bij de wel bewaarde foto’s staat helaas lang niet overal een onderschrift. Zo weet ik niet wie de man op klompen is.

Nel Visch overleed in 1990. In dit filmpje beschrijft ze de ontroering op de boot (de Rotterdam?) bij de aankomst in de Sovjetunie. Let ook even op de manier waarop ze ‘kameraad Lenin’ zegt. Volledig vanzelfsprekend, zonder enige ironie of wat voor bijbetekenis dan ook. Kom daar nog eens om, tegenwoordig.

In de USSR ging het weerbericht op de tv ook een beetje over Manchester et Liverpool. Met dank aan Marie Laforêt.

(Eerste publicatie:  2-4-2013)

Marie Laforêt

Marie Laforêt

Marie Laforêt zingt hieronder over Manchester et Liverpool. Ik trof haar aan op een weblog, gewijd aan de USSR. Dat had me meteen op het juiste spoor moeten zetten. Boven het liedje op het blog stond ook nog, in het Russisch: -6 graden, bewolkt, af en toe sneeuw ….  Maar ook dat blies de mist niet weg. Een lange ochtend liep ik maar te piekeren: waar ken ik dat liedje nou van?!

Was het een cover van iets Engels? Marianne Faithfull misschien? Sandy Shaw? Iets wat ooit eens een week of wat gedraaid was op Radio Veronica en sindsdien ergens in mijn hoofd was blijven liggen, onder een steeds dikkere laag stof?

Toen viel het kwartje. Of eigenlijk de regenbui. Of de sneeuwvlok.


Ik ben nogal sentimenteel aangelegd, maar dat ik zelfs tranen in mijn ogen zou krijgen bij het weerbericht van de Sovjet-tv, nee, dat had ik nooit kunnen bevroeden. Daar keek je naar en dan zag je al die steden voorbijkomen van dat uitgestrekte land – dat niet meer bestaat. -5 in Leningrad, +15 in Alma Ata. Tallin, Tasjkent, Odessa, Voronezj … Was je in één van die steden geweest, dan herkende je het plaatje.

Het Franse origineel van Marie Laforêt verscheen in 1966 op een EP. De melodie is van Andre Popp, de tekst van Eddy Marnay. Vanaf 1968 kregen miljoenen tv-kijkers in de Sovjetunie het te horen in een bewerking van Franck Pourcel. Als achtergrond van het weerbericht werd het gebruikt tot februari 1981, en opnieuw een jaar lang vanaf de zomer van 1990. 

Waarom kozen ze in Moskou voor die Franse melodie? Ik heb daar een theorietje over. In 1967 bracht Marie Laforêt het liedje Ivan, Boris et moi uit. Dat vonden ze bij de Russische tv zo aardig, dat ze ook naar andere liedjes van haar gingen luisteren. En net rond die tijd moest er een muziekje komen voor het weerbericht…  

(De mannelijke ‘dansers’ hier zijn Jean Yanne, Sacha Distel en Serge Gainsbourg.)

In de Sovjetunie werd de melodie van Manchester et Liverpool ook bekend mét tekst, maar dan een Russische, geschreven door Robert Rozjdestvenski. Hier een variant met Lev Lesjtsjenko en Aljona Sviridova als, jawel, nieuwslezers:


Je kan de muziek ook onder bewegende beelden uit de Sovjetunie zetten. Dan krijgt het iets lachwekkends, vooral als die beelden stammen uit een tijd het origineel nog helemaal niet bestond.

Mooie, bescheiden memoires van Sergej Gandlevski - over de creatieve intelligentsia in de late USSR

(Eerste publicatie: 14-3-2013)

Sergej Gandlevski

Sergej Gandlevski

De creatieve intelligentsia in de laatste dertig jaar van de USSR, wie zich daar een beeld van wil vormen, of wie dat beeld nog eens wil oproepen - lees vooral Бездумное былое (Bezdoemnoje byloe) van Sergej Gandlevski.

Gandlevski (Moskou, 1952) is de bescheidenheid zelve. In niet meer dan 160 pagina’s kijkt hij terug op zijn leven tot nu toe. Laconiek, vriendelijk ironisch en met wijze afstandelijkheid vermengd met weemoed. Hoe hielden Gandlevski en zijn kameraden zich staande in een omgeving die hun weerzin wekte? Hoe creëerden zij hun eigen ruimte, waar zij hun eigen, innerlijke vrijheid beleden?

memoires jaren zeventig Sovjetunie intelligentsia

Gandlevski hield zich in financieel opzicht staande door poëzie te vertalen. Hij schetst in nog geen twee pagina’s een verdwenen wereld, waarin dichters uit Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië en al die andere buitengewesten van de USSR konden rekenen op vertalingen in het Russisch – in naam van de vriendschap der volkeren. Grove vertalingen werden verdeeld over uitgeverijen, waar elke redacteur een cirkeltje van dichters had, die zorgden voor prachtige, rijmende regels in het Russisch. Behoorde je tot zo’n cirkeltje, dan was je kostje gekocht. Je verdiende bepaald niet slecht en had daarnaast alle gelegenheid om je eigen creatieve gang te gaan. En dat je regels produceerde waarin niet zelden de USSR werd geloofd en geprezen, nou ja. Het waren niet jouw regels, je vertaalde ze alleen maar.

Het kleine hoekje met de eigen vrijheid, dat wordt omspoeld door een zee van stompzinninge staatsideologie, blijkt niet voor iedereen afdoende. Drank biedt een ontsnappingsroute, net als emigratie. Gandlevski blijft (ook nadat de USSR is verwenen) en begroet de omwentelingen eind jaren tachtig enthousiast. Adembenemend zijn de historische onthullingen, de stroom publicaties van ooit verboden boeken houdt maar aan. En in de kommoenalka van Gandlevski maken twee vaders zich op om de straat op te gaan. Hijzelf om te gaan demonstreren, buurman agent om de demonstranten in toom te houden.

Dat enthousiasme verdampt, al komt Gandlevski de economisch zware jaren negentig redelijk ongeschonden door. Het is vooral de komst van Poetin en de ontwikkelingen in de jaren daarna die Gandlevski en de zijnen weer doen terugkeren naar hun eigen hoekje, waar ze staat en overheid zo ver mogelijk op afstand proberen te houden. “In 2000 kwam er in Rusland een weerzinwekkende man aan de macht – een sovjet-spookbeeld dat naar het onderbewustzijn was verdrongen, iets laags, van de straat, iets uit een dronken slaap. Hij en zijn helpers gingen aan de slag en begonnen het land dat zich op een kruispunt bevond, toegewijd en kundig te verleiden – alsof je een glas wodka voorhoudt aan een totaal aan de drank geraakte man, die net min of meer heeft besloten om te stoppen met drinken”.

Bezdoemnoe byloe telt tal van zulke doordringende observaties. Nog een aantal redenen waarom ik Gandlevski's boek met veel plezier heb gelezen:

- Vanwege het prachtige woord Диккенсовщина  (Dickens-achtige toestanden) dat ik tegenkwam.

- Omdat Aleksej Tsvetkov wordt genoemd  (ik schreef onder meer hier over zijn gedichten die op muziek zijn gezet.

- Omdat er een foto in staat van Timoer Kibirov, schrijver van een van mijn favoriete boeken van de afgelopen jaren (daarover schreef ik hier).

- En omdat ik Gandlevski grotendeels las in café Pasternak in Berlijn.

Café Pasternak Berlijn

Hoe ik (bijna) versierd werd door een agente van de Russische vreemdelingenpolitie

(Eerste publicatie: 3-3-2013)

vreemdelingenpolitie Rusland Sovjetunie OVIR visum

----------------------

Jerke Verschoor - u kent hem van het [inmiddels opgeheven] Poetinblog* - plaatste bovenstaande foto op Facebook. Hij betreurde het, zo schreef hij erbij, dat niet dit peloton gezagsdragers belast was met de controle van zijn papieren.

Het deed me denken aan een voorval, tien jaar geleden, bij de Russische vreemdelingenpolitie in Sint-Petersburg. Ik schreef er indertijd een verhaaltje over dat werd afgedrukt in NRC-Handelsblad. Gaat u mee terug naar 2002?


Eer aan het Sovjet-volk!

Ik ben lid van de vereniging `Vrienden van de Goede, Oude Sovjetunie'. Bijeenkomsten houdt onze vereniging niet, maar als leden elkaar tegenkomen, begroeten zij elkaar met leuzen als `EER AAN HET SOVJET-VOLK!' of `USSR, BOLWERK VAN DE VREDE!'. We maken ons boos over de talloze nieuwigheden die het reizen naar Rusland hebben beroofd van alle spanning en romantiek.

Onze vereniging leidt een kwijnend bestaan. Tegen de hervormingen die Rusland hebben overspoeld, staan we machteloos. Zo was vroeger de aankomst op het vliegveld van Moskou of Leningrad (de stad heeft helaas haar oude naam St. Petersburg weer terug) een evenement, met minutieuze controles van paspoort, visum en bagage. Een meegesmokkelde brief, zwarte roebels in een leeg fotorolletje – het waren heldendaden waar je nog lang een voldaan gevoel aan overhield.

Toen een aantal jaren geleden groene doorgangen verschenen met daarboven een bord `Niets aan te geven', begrepen we dat verder verzet zinloos was. Niks was meer heilig. Op het majestueuze Paleisplein in St. Petersburg, ooit het decor van de revolutie, waar tot in de jaren negentig agenten ingrepen bij onaangepast gedrag (vrolijk fluiten, op de stoeprand zitten), word je tegenwoordig omvergereden door skaters.

Toch is er een klein hoekje waar moedig weerstand wordt geboden aan de nieuwe tijd: de wachtkamer van de visum- en paspoortpolitie, OVIR in het Russisch. Ik moest er mijn visum laten registreren en voor een lid van bovengenoemde vereniging is dat een feest. 

 

registratie visum OVIR Rusland

Aan de muren hangen – drie keer nageteld – vijfenvijftig formulieren voor uiteenlopende procedures als het aanvragen van het Russisch staatsburgerschap en de `dactyloscopische staatsregistratie van burgers van de Russische Federatie'.

Vandaag is het spreekuur voor buitenlanders. Vroeger had dat iets exclusiefs. Je zag er een enkele Amerikaan, een verdwaalde Duitser, en in een kwartier stond je weer buiten. Nu de vroegere Sovjet-republieken ook buitenland zijn geworden, puilt de broeierige wachtkamer uit van de Oekraïeners, Georgiërs en Russen met een Lets of Litouws paspoort. Een Russisch dametje naast me veegt het zweet van haar voorhoofd en verzucht: ,,We zijn allemaal buitenlanders geworden. Ooit was ik inwoonster van de Sovjet-Unie, nu ben ik inwoonster van Oezbekistan. Zeg maar: een niemand.''

Even overweeg ik haar te vertellen van onze vereniging.

De temperatuur stijgt nog aanzienlijk wanneer het spreekuur begint en iedereen samendromt voor die ene deur waarachter de machtige OVIR-agenten hun werk doen. Tot mijn genoegen worden de ongeschreven wetten van de echte Sovjet-rij nog keurig nageleefd. Iedereen maakt met iedereen ruzie en lichamelijk contact wordt niet geschuwd. Na twee uur mag ik naar binnen.

En dan gebeurt het. De medewerkster in uniform bij wie ik mijn formulieren (drie stuks) inlever, ziet zoals alle Russen in één oogopslag dat ze hier van doen heeft met een echte buitenlander, zo eentje van vroeger. Kennelijk dromend van een ander leven, besluit ze haar geluk te beproeven. Onopvallend dirigeert ze me naar een hoek, buiten gehoorsafstand van haar collega's, kijkt me doordringend aan en vraagt of ik zin heb om zaterdag met haar de stad uit te gaan. Na mijn vriendelijke afwijzing daalt onmiddellijk het vertrouwde ijsgordijn weer neer. Ze neemt mijn papieren in ontvangst en twee minuten later sta ik buiten. Daar begrijp ik pas wat er gebeurd is en als lid van de vereniging `Vrienden van de Goede, Oude Sovjetunie' word ik even ontzettend boos. Dat had ze vijftien jaar geleden niet gedurfd! Ontslag wegens `ongeoorloofd contact met een buitenlands staatsburger' was wel het minste wat haar toen boven het hoofd had gehangen.

Later die dag heb ik bij mijn kennissen veel succes met het verhaal over de OVIR-agente. Dat ik zo'n kans heb laten lopen om voortaan buiten de rij om geholpen te worden! Voor onze vereniging is het een nederlaag, en een grote bovendien. De Russen zijn hun angst kwijt. De dreigende schaduw van een totalitair regime, dat het leven van generaties heeft verpest, is verdwenen. Dat is slecht voor onze vereniging, maar goed voor Rusland en de Russen.

(* Jerke Verschoor is vandaag de dag directeur van Nuffic Nesco Rusland)

Hoe John Steinbeck en Robert Capa in de USSR een oor werd aangenaaid - 3

(Eerste publicatie: 24-2-2013)

Steinbeck Capa A Russian Journal Soviet Union 1947

Schrijver John Steinbeck en fotograaf Robert Capa verbleven in 1947 twee maanden in de Sovjetunie. Hun gastheren deden er alles aan om de twee ervan te overtuigen dat zij zich in het epicentrum van het menselijk geluk bevonden. Dat lukte niet helemaal. Steinbeck schreef in zijn reisverslag A Russian Journal, dat in 1948 verscheen: “… we were conscious of being depressed. We couldn’t figure out exactly why, and then it came to us: there is very little laughter in the streets, and rarely any smiles. People walk, or rather scuttle along, with their heads down, and they don’t smile.” Dat was na een week in Moskou.

Dergelijke passages in het begin van het boek moeten in de Sovjetunie met afgrijzen zijn gelezen. Waren alle inspanningen van het VOKS (de organisatie voor culturele betrekkingen aan wie de Amerikaanse gasten waren toevertrouwd) dan voor niks geweest? 

Dat zeker niet. Uit de dagelijkse rapporten die door de begeleiders van Steinbeck en Capa werden opgesteld, blijkt dat de toneelstukjes die her en der werden opgevoerd, met ‘toevallige’ ontmoetingen en ‘spontane’ gesprekken, vrijwel volledig voor zoete koek werden geslikt. Vooral het bezoek aan twee Oekraïense kolchozen (waarover meer in het vierde en laatste deel) was in dat opzicht een topprestatie. Veel moeizamer verliep de strijd op het ideologische front.

Grote onzekerheid heerste er bij de gastheren over de politieke opvattingen van Steinbeck en Capa en hun sympathie – of juist antipathie  – jegens de USSR. Met alcohol als smeermiddel werden de twee Amerikanen (zij bleken gewillige innemers) voortdurend tot uitspraken verleid. Die stemden niet optimistisch. Op de vraag wat zij vonden van de Amerikaanse communistische partij, kwam het eensluidende antwoord (niet vermeld in A Russian Journal, wel in de geheime rapporten) dat zij die als een dommige sekte beschouwden. De onrust onder de gastheren werd gevoed door het (onjuiste) vermoeden dat Steinbeck en Capa Russisch spraken, maar dat verborgen hielden. “Ze antwoordden eerder dan er vertaald werd, ze reageerden duidelijk op wat er gezegd werd, vóór de vertaling”, zo werd tijdens hun verblijf in Kiev genoteerd.

Daar in Kiev werd verder opgemerkt: “… het valt niet met zekerheid te zeggen of Steinbeck anti-sovjet-overtuigingen heeft. Onze opdracht is: waakzaam zijn en hem feiten tonen die hem dwingen om conclusies te trekken in ons voordeel, en hem geen voedsel bieden voor provocaties.”

Het woordje voedsel klinkt onbedoeld dubbelzinnig. Steinbeck werd tijdens zijn bezoek aan de twee kolchozen, op het Oekraïense platteland waar de voedselvoorziening precair was, zo overdadig gevoed en gedrenkt, dat hij eindigde liggend op het gras, tot weinig kritische observaties meer in staat.

Hier deel 1, deel 2 en deel 4.

Benedikt Sarnov beschrijft in 'Stalin en de schrijvers' het spel van wurgslang en konijn

(Eerste publicatie: 13-1-2013)

Benedikt Sarnov Stalin schrijvers

Het was geen spel van kat en muis – veeleer het spel van een wurgslang en een groepje konijnen. Dat beeld komt bovendrijven bij het lezen van het beklemmende Сталин и писатели (Stalin i pisateli/Stalin en de schrijvers) van Benedikt Sarnov. 

In vier kloeke delen beschrijft Sarnov het lot van de belangrijkste Russische schrijvers onder Stalin – van Gorki tot Boelgakov, van Pasternak tot Fadejev, van Babel tot Achmatova. De macht die hij over hen had was onbeperkt, angstaanjagend en verlammend. Hij maakte hen tot trouwe dienaar (Fadejev, Simonov), maakte ze monddood (Zosjtsjenko, Achmatova) of joeg ze echt de dood in (Babel, Mandelstam). 

Sarnov beschikt over een weidse blik en een vlotte pen. Ogenschijnlijk springt hij van de hak op de tak (een citaat van Zosjtsenko hier, een uitwijding over Hamlet daar), maar alles voert steevast naar het onderwerp dat voorligt: de afscheidsbrief van Fadejev, de vriendschap van Babel met leden van de geheime dienst of de toneelstukken van Erdman.

Je hoeft het werk van een schrijver niet te kennen om toch gepakt te worden door Sarnovs verhalen. Zo heb ik nooit wat gelezen van Aleksandr Fadejev, maar in het vierde en laatste deel van Stalin en de schrijvers zijn juist de bladzijden over hem het boeiendst. (Over een eerder deel van Sarnovs boek schreef ik hier.)

Aleksandr Fadejev

Aleksandr Fadejev

Fadejev pleegde op 13 mei 1956 (ruim drie jaar na de dood van Stalin) zelfmoord. Hij liet een brief achter, met als eerste zin: “Ik zie geen mogelijkheid om verder te leven, omdat de kunst waaraan ik mijn hele leven heb gegeven, te gronde is gericht door de van zichzelf overtuigde, ongeletterde partijleiding en nu niet meer hersteld kan worden.”

Fadejev (zijn bekendste boek is Molodaja Gvardija/De Jonge Garde) zag de literatuur als het hoogste goed. Dat bleek moeilijk te combineren met zijn hang naar macht en zijn liefde en angst voor Stalin. Privé kon Fadejev met vuur Boris Pasternak citeren, maar als voorzitter van de Schrijversbond overgoot hij de dichter met modder. Hij hield van het schrijversduo Ilf en Petrov, maar noemde hun werk in een officieel stuk van de Schrijversbond “lasterlijk”.

Fadejev besefte tegen het einde van zijn leven dat hij zelf een flinke steen had bijgedragen aan de vernietiging van de literatuur. Dat niet alleen - hij had de funeste uitwerking van de knellende band tussen literatuur en Kremlin zelf aan den lijve ondervonden. In opdracht van Stalin was hij begonnen aan de roman Tsjornaja metalloergija (IJzerindustrie). Centraal daarin moest de Grote Leider zelf staan, strijdend tegen ‘verraders’ die de ijzerindustrie wilden saboteren. Het schrijven verliep stroef en liep uit op jarenlang geworstel. Toen na de dood van Stalin bleek dat er helemaal geen ‘verraders’ in de ijzerindustrie (of welke andere industrie dan ook) waren, bleek Fadejevs geworstel ook nog eens voor niets te zijn geweest.

Konstantin Simonov   

Konstantin Simonov

 

Fadejev ga ik niet lezen. Anders ligt dat bij Konstantin Simonov. Ook hij – winnaar van zes Stalinprijzen – produceerde gedrochten (Sarnov doet daar vrij laconiek over), maar daar staat zijn vaak ontroerende liefdeslyriek tegenover. Het contrast tussen beide soorten werk kan bijna niet groter zijn en het is verbazingwekkend dat Simonov na de dood van Stalin – toen de hallucinante poppenkast ineenstortte – niet ook, net als collega Fadejev, kapotging aan twijfels en schuldgevoel. Simonov komt in deel 4 van Stalin en de schrijvers ook uitgebreid aan bod. Al komt hij bepaald niet sympathiek over – zijn gedichtenbundel S toboi i bez tebja (Met en zonder jou) schaf ik zeker aan.

Het bekendste gedicht van Simonov is Zjdi menja (Wacht op mij), uit 1941. Onder de tekening op deze envelop staat de eerste regel uit het gedicht. (Ik waag mij niet aan een vertaling.)


Жди меня

Жди меня, и я вернусь.
Только очень жди,
Жди, когда наводят грусть
Желтые дожди,
Жди, когда снега метут,
Жди, когда жара,
Жди, когда других не ждут,
Позабыв вчера.
Жди, когда из дальних мест
Писем не придет,
Жди, когда уж надоест
Всем, кто вместе ждет.
Жди меня, и я вернусь,
Не желай добра
Всем, кто знает наизусть,
Что забыть пора.
Пусть поверят сын и мать
В то, что нет меня,
Пусть друзья устанут ждать,
Сядут у огня,
Выпьют горькое вино
На помин души...
Жди. И с ними заодно
Выпить не спеши.
Жди меня, и я вернусь,
Всем смертям назло.
Кто не ждал меня, тот пусть
Скажет: - Повезло.
Не понять, не ждавшим им,
Как среди огня
Ожиданием своим
Ты спасла меня.
Как я выжил, будем знать
Только мы с тобой,-
Просто ты умела ждать,
Как никто другой.

Joeri Vizbor - Verhaal van een vrouw

(Eerste publicatie: 20-12-2012)

Julia klotchkova attendeerde me op dit prachtige lied van Joeri Vizbor. Waarvoor dank. Mijn vertaling staat onder de Russische tekst. Ik heb die in het Nederlands slechts begrijpbaar willen maken – niet ook zingbaar, dat zou nogal wat ingrepen hebben vereist.

De plaatjes in het filmpje hierboven zijn misleidend. Ik plaats het tafereel uit het lied zo ongeveer in de tweede helft van de jaren zeventig.

Van Julia verscheen overigens recent een Italiaans kookboek, dat te bestellen is bij ozon.ru.   

Юрий Визбор - Рассказ женщины

Он за мною видно шел, взял за локоть:
"Слушай Люся, будет очень хорошо,
Я живу в отдельном "люксе".
У него усы густы и глаза, как две букашки,
И виднеются кусты из-за ворота рубашки.
"Я не Люся", говорю, "а зовут меня Тамара
И такого не терплю, и такие мне не пара".

Припев: Десять лет варила суп, десять лет белье стирала,
Десять лет в очередях колбасу я доставала,
Десять лет учила я сверхсекретное чего-то,
Десять лет сидела я у окошка на работе,
Сердце стачивая в кровь десять лет дите растила,
Что ж осталось на любовь? Полтора годка, от силы.

Не смутился он ничуть, только глазом гладит платье:
"Я за вечер заплачу, сколько за год тебе платят",
Я играла в мяч ручной за спортивные награды
И была я центровой, и бросочек был что надо.
Я авосечку-суму из руки переложила,
Кавалеру своему меж букашек "засветила".
Мне до Щелковской - метро, а от Щелковской - автобус,
А в авоське шесть кило овощных консервов "Глобус".

Открываю тихо дверь - дочка долбит фортепьяно,
Ну, а мой "любимый зверь", он лежит, конечно, пьяный.
Снять ботиночки с него не тревожа постаралась,
От получки от его трешка мятая осталась.

На плите чаек стоит, дочка сладко засыпает,
За окном моим ГАИ громко частников ругает.
Гляну в телек: дым и чад, поколенье молодое
Все с гитарами кричат, как перед большой бедою.
Убрала я со стола, своего пригрела Пашку:
Всет-ки мало я дала тому гаду меж букашек.

Joeri Vizbor Russische muziek chanson bard


Joeri Vizbor – Verhaal van een vrouw

Kennelijk was hij achter me aan gelopen,
Hij pakte me bij de elleboog
“Luister, Ljoesja, het wordt heel leuk
Ik zit in een kamer-luxe alleen voor mezelf”
Hij heeft een stevige snor en ogen als twee kevertjes
En vanachter de kraag van zijn overhemd zie je de stuiken
“Ik ben Ljoesja niet”, zeg ik, “ik heet Tamara,
En hier moet ik niks van hebben, zulke types passen niet bij mij”.

Tien jaar heb ik soep staan koken, toen jaar beddengoed gestreken
Tien jaar voor worst in lange rijen moeten staan
Tien jaar heb ik voor iets supergeheims doorgeleerd
Tien jaar heb ik op m’n werk bij het loket gezeten

Met een tot bloedens slijtend hart heb ik tien jaar kindlief grootgebracht
Wat rest er nog voor de liefde? Een jaartje of anderhalf, hooguit.

Hij raakte geenszins van z’n stuk, strijkt alleen mijn jurk met z’n ogen
“Ik betaal voor de avond, meer dan ze je betalen in een jaar”.
Ik deed aan handbal, speelde om de prijzen
En ik was spits en had een worp van heb ik jou daar
Ik legde mijn boodschappennetje van de ene in de andere hand
En gaf mijn aanbidder een mep tussen z’n kevertjes

Tot Sjtsjelkovskaja met de metro, vanaf Sjtsjelkovskaja met de bus
In mijn netje heb ik zes kilo Globoes-groentepotten.
Ik doe zachtjes de deur open – dochter zit te bonken op de piano.
Nou, en mijn “geliefde beest”, die ligt er natuurlijk dronken bij
Ik probeerde zijn stappers uit de toen zonder hem wakker te maken
Van z’n loon is nog een verfomfaaid biljetje van drie over
Op het fornuis staat de theeketel, dochtertje valt zoet in slaap
Buiten voor mijn raam vloekt de politie snorders uit
Ik kijk naar de buis: rook en walm, de jonge generatie
Ze schreeuwen allemaal met gitaren, als voor een grote ramp.
Ik ruimde de tafel af, drukte mijn Pasjka tegen me aan
Ik had die schoft nog harder tussen z’n kevertjes moeten raken.