schilderkunst

Maksim Gorki en Keith Moon in Astrachan

——————-

Van tevoren had ik niet even gekeken welke tentoonstellingen er waren, in het Kunstmuseum van Astrachan. Vaznetsov zou ik er aantreffen, dat wist ik, en Repin, Malevitsj, Sjisjkin, Chagal. Waar ik me ook op verheugd had: de procedure van de kaartjesverkoop en de interactie met de dames op zaal. En ik werd niet teleurgesteld. Ik kreeg vier kaartjes, die dit keer langs een lineaal werden gelegd om uit het grote kaartjesboek te worden gescheurd - een vertrouwde variant van het kassa-ritueel in provinciale Russische musea. Er werd, en dat was wel nieuw, op elk kaartje ook met potlood een cijfer geschreven. Dat was voor de dame bij de ingang van elke afdeling, die zo kon kijken van welk van de vier kaartjes een smal strookje moest worden afgescheurd.  

Bij de afdeling op de tweede verdieping werd ik - nadat het bijpassende strookje netjes was verwijderd - overrompeld door wat ik zag: topstukken uit het socialistisch-realisme. Het museum in Astrachan bleek een tijdelijke tentoonstelling te huisvesten met de titel Stad van de zon - idealisme en realiteit, met werken uit de jaren dertig-vijftig. En er gebeurde nog iets zeer opmerkelijks: de dame die zojuist het strookje van mijn kaartje had afgescheurd, bood me de keus: ik kon links beginnen of met het zaaltje rechts. Zo veel vrijblijvendheid druist volledig in tegen de mores van musea in de Russische buitengebieden, en ik vroeg me af of de directie hiervan wist. Even later sloeg de dame trouwens een enorme flater - meer daarover zo meteen.

Hier staat ze, naast een schilderij van Viktor Midler uit 1930. En nu denkt u misschien dat daar ijshockey wordt gespeeld, maar dat is niet zo. Dit is bandy, met een balletje, een veel grotere ijsbaan en meer spelers. Er was een rondleiding gaande en de gids, petje af, deed het prima. Hij wist de aandacht vast te houden van de jongelui, die niet van een leeftijd waren waarop socialistisch-realisme doorgaans op veel belangstelling kan rekenen. Ze hadden alleen nooit van bandy gehoord.


Het langst stond ik stil bij het schilderij boven aan dit stukje, uit 1957, van Dmitri Nalbandjan, getiteld Ontmoeting van partij- en regeringsleiders met vertegenwoordigers van de creatieve intelligentsia. Want ik wilde natuurlijk kijken welke personen ik kon thuisbrengen. Chroesjtsjov uiteraard, en Brezjnev. Mikojan, Soeslov (?), Foertseva (?) … en, helemaal links, met die snor? Ik vroeg de kaartjescheurdame of zij misschien wist wie dat was. “Gorki”, zei ze meteen, zonder aarzelen. Ja, en ik ben Keith Moon, mompelde ik in gedachten. Ik zei dat niet hardop, want dat zou onaardig zijn geweest en ik denk ook niet dat ze enig idee had wie Keith Moon was. In plaats daarvan zei ik: “Maar dit schilderij is uit 1957, en toen was Gorki al een tijdje dood.” “Ja, dat weet ik verder ook niet. Wij zijn hier alleen om ervoor te zorgen dat niemand iets aanraakt”, antwoordde ze licht geagiteerd.

Ik liet haar verder met rust, maar bleef wel met een heleboel vragen zitten. Want wie waren dit nou allemaal? Dat ga ik uitzoeken, maar nu even niet. Het is hier in Astrachan veel te heet en ik verdwijn bovendien morgen de Wolga op en zit dan, vrees ik, twee etmalen zonder internet. En daarna ga ik naar Vlieland.  

———————-

En hier nog een detail van een schilderij uit 1937: Een vrije dag aan de Neva, van Ivan Petrovski. Niet iedereen was blij met die vrije dag. (Ik ben vergeten het hele schilderij te fotograferen, dat heb ik voor u even van internet geplukt.)

Stalins commerciële pr-actie: iconen voor machines

——————

Iconenverkoop door Antikvariat (1936)

Je zou er niet direct een verband tussen zien, maar dat is er wel degelijk: tussen de industrialisatie van de Sovjetunie en de totstandkoming van een internationale markt voor iconen. Simpel gezegd zat dat zo: in de jaren dertig van de vorige eeuw had de USSR dringend behoefte aan harde valuta om de door Stalin onverbiddelijk in gang gezette opbouw van de industrie te financieren. Tegelijkertijd, en dat kwam mooi uit, beschikte de jonge staat over een grote hoeveelheid iconen, buitgemaakt in de strijd tegen de kerk. Als die nu eens verkocht konden worden aan buitenlandse verzamelaars en musea? Een fijn plan, maar er was een probleem: Russische iconen waren in het Westen nauwelijks bekend als kunst, er was geen markt voor, er waren maar een paar verzamelaars. Dat waren vooral diplomaten en ondernemers, die vanwege hun werk in Rusland kwamen en daar op markten en in winkels iconen kochten uit de bezittingen van door de revolutie geruïneerde Russen. Dat zette geen zoden aan de dijk.

De communisten, vijanden van winstbejag, besloten tot een grootse pr-onderneming. Talloze iconen uit kerken, kloosters en privé-bezit waren beland in de depots van musea. Die kregen, tot schrik van de curatoren (die de culturele waarde van de religieuze objecten onderkenden) de opdracht om hun belangrijkste iconen in te leveren. Die moesten op tournee door Europa en de Verenigde Staten. Dat zou de aandacht trekken van die vermaledijde kapitalisten met geld te veel.

De tocht in de jaren dertig van de iconen langs Westerse musea wordt gedetailleerd beschreven in het boek Небесная голубизна ангельских одежд (Het hemelse blauw van engelenkledij) van historica Jelena Osokina. De echte topstukken maakten de reis niet mee. Die waren door curatoren van onder meer het Historisch Museum in Moskou in een soort kat-en-muisspel uit de  grijpgrage vingers gehouden van de op harde valuta beluste overheid. Osokina’s beschrijving van het getouwtrek tussen de musea en Antikvariat (de instelling die was opgericht om de export van kunstwerken te organiseren) is boeiend en beklemmend. Niet elke curator bracht het er levend vanaf, een enkeling verloor zijn verstand.

De tournee door het Westen was niet bedoeld om de iconen ter plekke te verkopen. Alle kunstwerken keerden dan ook terug naar Rusland, al was dat in de meeste gevallen niet naar de musea die ze hadden moeten afstaan. Toch had de omvangrijke pr-actie het beoogde effect: in het Westen werden de iconen inderdaad ontdekt als begerenswaardige kunstobjecten. Commercieel gezien vielen de resultaten echter tegen. Door de crisis die het Westen na de beurskrach van 1929 in zijn greep hield, hadden veel potentiële kopers wel wat anders aan hun hoofd dan de aanschaf van Russische iconen. Waar de Hermitage in Sint-Petersburg wel al tal van topschilderijen was kwijtgeraakt, bleef een massale uitverkoop van topstukken uit de Russische iconencollectie uit.

Akte van overdracht van iconen uit het Centraal Historisch Museum aan Antikvariat (1936)

Maar de interesse in het Westen was gewekt, al was die bij lange na niet zo groot en gretig als men in Moskou had gehoopt. Osokina, als sociaal-economisch historica verbonden aan de University of South Carolina, volgt in haar boek de route die talloze iconen (vooral ook na de jaren dertig) aflegden, van de depots in Rusland naar musea en particuliere verzamelingen in vooral Zweden en de Verenigde Staten. Haar speurtocht, aan de hand van inventarislijsten, afgiftebewijzen, catalogi en ‘notities’ achter op de iconen, is net als die iconen zelf monnikenwerk geweest. Haar gedetailleerde verslagen eisen af en toe wat geduld van de lezer, maar haar detectivewerk dwingt respect af. En passant rekent ze genadeloos af met de claims van Vladimir Teterjatnikov, een wild om zich heen slaande ‘kenner’, die in een in 1981 in New York verschenen boek veel geëxporteerde iconen als vals ‘ontmaskerde’. De iconenmarkt in het Westen, die in de jaren dertig dankzij de commerciële activiteiten van Sovjets gestalte kreeg, heeft tot op heden last van Teterjatnikovs claims.

Na de Goelag: de onschuldige kunstwerken van Marija Myslina - 2

———————

Eigenaardig en wrang is het, dat over Marija Myslina, een kunstenares die zulk mooi en aandoenlijk werk schiep, zo weinig bekend is. Er is een kladversie van een brief van haar hand, uit 1956, aan de Kunstenaarsbond (zie deel 1), waarin ze haar schrijnende woonomstandigheden beschrijft en om hulp vraagt. Heeft ze de brief ook werkelijk verstuurd? En heeft ze inderdaad hulp gekregen? Het is niet bekend.

De brief (de kladversie dus) roept vragen op. Myslina schrijft dat haar man in 1937 is gearresteerd en is “omgekomen in ballingschap”. Wist ze niet dat haar man, kunstenaar Vladimir Kaabak, in 1937 werd geëxecuteerd? (Kaabak wordt vermeld op een van de ‘Stalinlijsten’ van Memorial). Ze schrijft dat ze haar hele leven in Moskou heeft gewoond, terwijl ze achttien jaar in kampen en in ballingschap had doorgebracht. Trad ze, misschien toch nog angstig, maar liever niet al te zeer in detail over haar ‘beladen’ verleden, om de autoriteiten niet af te schrikken?  


Marija Myslina (1901-1974) was van eenvoudige komaf. Ze benutte de mogelijkheden die de jonge Sovjetstaat haar bood ten volle. Ze genoot een volwaardige kunstopleiding en nam deel aan tentoonstellingen. Vervolgens werd ze door diezelfde staat vertrapt, belandde ze in de Goelag, en moest ze midden jaren vijftig bijna smeken om hulp. Het is niet bekend of er van haar werk van voor de oorlog iets bewaard is gebleven.

In het tweede kamp waar Marija belandde, in het dorp Dolinskoje in Kazachstan, vond ze enig emplooi in de kampclub, waar onder meer toneelstukjes werden opgevoerd. In de jaren 1944-1946, toen ze uit het kamp was vrijgelaten, woonde ze als bannelinge in Tsjeboksary in de republiek Tsjoevasjië, aan de Wolga. Daar werd ze lid van de lokale afdeling van de Kunstenaarsbond. Het Staatsmuseum van Tsjoevasjië heeft 27 werken van Myslina in bezit, waaronder dit zelfportret.

Slechts twee van de werken die ik kon vinden, hebben een ‘staats-thema’. Een ontwerp uit 1943 voor een poster of ansichtkaart en een schets van een heldhaftig oorlogstafereel, waarvan als datering ‘jaren veertig’ wordt gegeven. Verder ontbreekt in haar werk, voor zover ik dat heb kunnen vaststellen, elke verwijzing naar politiek of ideologie. Daar zal ze haar buik van vol hebben gehad, ben je geneigd te denken. Het lijkt alsof ze is weggevlucht in dagelijkse, onschuldige stadstafereeltjes, dierenportretjes en landschapjes. Na haar terugkeer in Moskou werkte ze onder meer als illustrator van kinderboeken en tekende ze ansichtkaarten. Ze nam ook weer deel aan tentoonstellingen. De laatste jaren van haar leven was ze door ziekte aan haar bed gekluisterd.


In een artikel uit 2015 over een kleine tentoonstelling in Moskou van Myslina’s werk las ik dat haar bescheiden archief bewaard wordt in het RGALI (Russisch Staatsarchief voor Literatuur en Kunst), maar dat dit “nog lange tijd gesloten zal blijven voor lezers en onderzoekers”. Zou dat werkelijk zo zijn? En waarom dan? Bij dat archief ga ik niet aankloppen, maar ik hoop later dit jaar wel in Tsjeboksary het Staatsmuseum van Tsjoevasjië binnen te lopen.  

Marija Myslina (1901-1974)

Na de Goelag: de onschuldige kunstwerken van Marija Myslina - 1

—————-

1.jpg


Verandert er iets aan een schilderij, een tekening of wat voor kunstwerk dan ook, wanneer je meer te weten komt over de maker ervan? Over het leven dat hij of zij leidde? Lang niet altijd, natuurlijk, maar in het geval van Marija Myslina (1901-1974) beslist wel.

Zo zit ik maar te kijken naar twee Nieuwjaarskaartjes van haar, beide uit 1960. Ik heb ze al jaren op zolder liggen in een schoenendoos, met een boel andere ansichten uit de USSR. Twee kleuters, twee vogeltjes, twee ballonnetjes…  Schattige, onschuldige tafereeltjes, wat zou je er nog meer over kunnen zeggen. Maar je gaat er toch anders naar kijken, wanneer je weet dat ze werden gemaakt met dezelfde hand die vier jaar eerder onderstaande brief schreef (Ik citeer uit een kladversie):  

*****

“In 1937, na de arrestatie van mijn man, ben ik opgepakt en doorliep ik, zoals vele anderen, de kwellende weg van de verworpenen en belasterden. De rechtvaardigheid is nu in ere hersteld, ik ben gerehabiliteerd en verzoek U deze daad van rechtvaardigheid tot het einde door te voeren en mij van woonruimte te voorzien. Mijn moeder heeft me nu onderdak verschaft op een oppervlakte van 9 meter.

Ik ben kunstenaar, lid van de Kunstenaarsbond (lidmaatschapskaart No. 2003), heb aan meerdere tentoonstellingen meegedaan, zowel in de provincie als in Moskou, mijn werken bevinden zich in vier musea. Gezien mijn professionele kenmerken ben ik natuurlijk niet in staat in mijn huidige omstandigheden te werken. Ik kan zelfs geen ezel – mijn ‘werkbank’ – neerzetten, ik heb geen tafel, om maar te zwijgen over andere noodzakelijke dingen voor mijn werk.

Ik ben een geboren en getogen Moskouse. Is het toelaatbaar dat ik, nadat ik de volledige verwoesting van mijn leven heb ondergaan, mijn gezondheid heb verloren, in de stad waar ik ben geboren en mijn hele leven heb doorgebracht, in mijn oude dagen geen dak boven mijn hoofd zou hebben? Na alle beproevingen die mij ten deel zijn gevallen, verlang ik naar rust en de mogelijkheid om creatief te werken - ik ontbeer dat alles volledig.

Indertijd, in 1926, hebben mijn man en ik op eigen kosten een onbewoonbare ruimte ingericht, voor verwarming gezorgd en muren gebouwd en er een prachtig atelier voor kunstenaars van gemaakt. Die moeite hebben we dus voor iemand anders gedaan – wat onszelf betreft: een is omgekomen in ballingschap, en ik ben alleen overgebleven zonder een dak boven mijn hoofd. Ik maak geen aanspraak op dat ene onderkomen, ik verzoek u mij een kamer ter beschikking te stellen, waar ik rustig zou kunnen wonen en creatief kan werken – dat zou mij helemáál doen terugkeren tot het leven en mij de mogelijkheid geven om het Sovjetvolk met mijn kunst echt te dienen.

.. november 1956”

*****

Myslina noemt Moskou in de brief de stad waar ze haar hele leven heeft gewoond. Een nogal wrange zin, want na haar arrestatie belandde ze in het ALZJIR, een speciaal kamp voor ‘vrouwen van volksverraders’ in Karaganda, Kazachstan. Acht jaar later kwam ze vrij, maar Moskou bleef verboden terrein. Ze vestigde zich in Vladimir en mocht pas in 1955 terug naar de hoofdstad, waar ze de scherven van haar leven bijeen moest zien te rapen. *)

Gegevens over het werk van Marija Myslina zijn schaars, titels en jaartallen ontbreken vaak. Haar werk van voor de oorlog lijkt helemaal verloren te zijn gegaan.

1942

1942

*) Aanvulling:
Marija Myslina belandde in het ALZJIR (Kamp voor Vrouwen van Landverraders in Akmolinsk). Later werd ze overgebracht naar een vrouwenkamp in het dorp Dolinskoje. Op 8 december 1942 werd ze vrijgelaten uit het kamp. Tussen 1944-46 leefde ze als bannelinge in Tsjeboksary.


Deel 2.

Dranklustige schrijvers op een rij - een nieuw prachtwerk van ZOOM

———————-

Bevond ik mij in Moskou, dan zou ik mij nu onmiddellijk spoeden naar de Ljoesinovski straat, om daar, bij nummer 37, bovenstaand kunstwerk te aanschouwen. Het is van ZOOM, een kunstenaar die sinds 2015 regelmatig muren in Moskou van een vrolijk (of minder vrolijk) tintje voorziet. Een lang leven zijn de schilderingen doorgaans niet beschoren. Zie hier het lot van de beeltenis van Vasili Sjoeksjin, met (de derde tekening) nog een toevoeging van ZOOM – postuum, zou je kunnen zeggen:


Sjoeksjin verschijnt ook op de tekening boven aan dit stukje, waar hij de deur openhoudt van een drankwinkel. In de rij staan vakgenoten van de schrijver, allen met een stevig drankprobleem. De twee figuren links lijken slechts ‘bladvulling’, vervolgens herkennen we, van links naar rechts (voor twee van de tien had ik hulp nodig):

Vasili Aksjonov, Vasili Sjoeksjin, Aleksandr Tvardovski, Sergej Jesenin, Vladimir Vysotski, Sergej Dovlatov, Arkadi Gajdar, Venedikt Jerofejev, Michail Sjolochov en Olga Berggolts (de arme, verscheurde Berggolts – lees haar dagboek.)

En nog twee werken van ZOOM. Meer is hier te vinden.

Ippolit uit de film Ironija Soedby

Majakovski aan de muur. Mijn wandelingen met tekenares Alisa Joefa.

----------------


Al een aantal jaren volg ik een vrij heldere richtlijn: geen nieuwe spullen meer in huis! Nu ben ik in mijn kleine huishouden de enige die daarop toeziet, wat het eenvoudig maakt om die richtlijn af en toe te vergeten. Zo kocht ik dit jaar in Parijs een boekje dat licht geeft wanneer je het openslaat (echt design!) en op de rommelmarkt in Kazan viel ik voor een metalen kantelkalendertje (nog uit de Sovjetunie!), dat ‘klik’ zegt, wanneer je de volgende datum naar voren laat vallen. En nu – het zal wel, die richtlijn – moet ik bovenstaande tekening ik aan de muur hebben.     

Ze is gemaakt door Alisa Joefa (Алиса Юфа), een zeer productieve kunstenares, geboren in Novosibirsk en sinds een aantal jaren woonachtig in Sint-Petersburg – in een kommoenalka, naar het schijnt. Kenners van Sint-Petersburg hadden op de door mij zeer begeerde tekening natuurlijk meteen het interieur van metrostation Majakovski herkend.  


De tekening is niet representatief voor Joefa’s werk. Zou het om een tekenfilm gaan, dan hoorde je er ongetwijfeld aanzwellende, angstaanjagende muziek bij. Misschien zouden de deuren achter het meisje plots opengaan en zou ze achterover vallen op de rails van de metro, begeleid door de holle lach van Majakovski. Of hij zou misschien van de muur komen, zonder lichaam, maar met dat enorme hoofd, en dreigend afgaan op het meisje, dat met grote ogen van schrik zou verdwijnen in zijn schaduw, die opeens de vorm had aangenomen van een pistool – een verwijzing naar de zelfmoord van de dichter. Zoiets. Ook veel andere tekeningen van Joefa nodigen uit om er een verhaal bij te verzinnen, maar dat zijn vrolijke verhalen, absurdistisch soms, met een lichte sprookjessfeer, steeds met een glimlach, ver weg van die kop van Majakovski.     


Joefa (1987) illustreerde kinderboeken en verhalen van Sergej Dovlatov, maar de meeste van haar tekeningen lijken toch ‘gewoon’ uit haarzelf te komen. Alles verandert onder haar lichtvoetige blik in een onderwerp dat zich op papier laat zetten. Ik beperk me hieronder voornamelijk tot de straten van Sint-Petersburg. Al een tijdje ben ik daar niet meer geweest (ik richt me bij mijn Ruslandreizen wat meer op de provincie), maar misschien is het een idee dat ik weer eens terugga naar die stad. En dat ik dan samen met Alisa lange wandelingen ga maken, en dat zij dan mooie tekeningen maakt en ik mooie foto’s. En dat die dan naast elkaar komen te hangen. In die kommoenalka. (Wat ik al zei: ze nodigt uit tot het verzinnen van verhalen met een sprookjessfeer.)    

Alisa Joefa won eerder deze maand de ArchiGrafika in de categorie Moskou. Gevoel van een stad. Dit uitstapje naar Moskou vergeef ik haar.

Nou ja, eerst maar eens kijken of ik haar digitaal kan bereiken. Ik wil graag weten of die tekening met Majakovski nog te koop is.

-------------------


Joefa heeft geen eigen site, maar google op haar naam en je komt een overweldigende hoeveel tekeningen tegen. Deze bijvoorbeeld, een portret van Fazil Iskander. Ik vind 'm niet echt geweldig, maar het bracht me wel op een idee. Ze moet natuurlijk het verzamelde werk van Iskander illustreren!

Maar eerst die wandelingen met mij.

Het blinde meisje in het museum van Samara

-------------------

Op de tweede verdieping van het Kunstmuseum van Samara zag ik haar zitten, voor een ezel met daarop iets wat leek op een plaquette van metaal. Ze had een koptelefoon op en liet haar handen gaan over het oppervlakte. Het was, in reliëf, het schilderij Ossen van David Boerljoek, dat ernaast in het echt aan de muur hing. Ik ging zitten, keek toe en was even de weg kwijt. Medelijden, ik denk niet dat een blinde daarop zit te wachten. Maar ik kreeg tranen in mijn ogen en voelde, met al die mooie schilderijen om me heen, juist dat: een onstuitbaar medelijden. 

Er stonden vijf van dit soort reliëfschilderijen, in meerdere zalen, elk voor een ander genre, vertelde een medewerkster van het museum. Even later hoorde ik haar tegen het blinde meisje zeggen: “Wil je nog een schilderij beluisteren?” 

----------------------

Een verdieping hoger was de afdeling West-Europese kunst, drie bescheiden zaaltjes. Topstukken zag ik niet, maar wat is het leuk om ver van huis Vlaamse en Hollandse namen (Hendrik van Steenwijck de Jonge, Thomas Wijck) tegen te komen. In een hoek hing achter glas een porseleinen tafereel. Rotterdam, vermeldde het bordje - kenners van de stad brengen het kerkje ongetwijfeld meteen thuis, als het nog bestaat. Ik zei tegen de dame van de zaal (ik schreef het al eerder: verwart u deze lieve vrouwen in de Russische provincie niet met onze suppoosten): “Dat is vlak bij waar ik geboren ben.” En ze antwoordde: “Vot eto da!” (Nou ja zeg!)

Ik had meteen een persoonlijke gids voor de rest van de zalen op de derde verdieping. Daar was ook een tentoonstelling van toegepaste Japanse en Egyptische kunst, ooit bijeengebracht door de oprichter van de lokale bierbrouwerij. Ik had er geen kaartje voor. “Wilt u het echt niet zien? Het is is prachtig, hoor”, zei de lieve vrouw. “Nou, ik werp even een blik om de hoek”, zei ik. Dat deed ik, en toen ik daar zo stond, mijn blik werpend om de hoek, zei ze samenzweerderig: “Gaat u maar naar binnen, hoor, gaat u maar kijken.” Zo zag ik de toegepaste kunst van de bierbrouwer, zonder dat ik er een kaartje voor had. 

Ik kreeg het leven van de brouwer en zijn familie nog verteld en de vrouw verzuchtte, het thema onverwacht verbredend naar de wereldpolitiek, dat het zo jammer was “dat niemand van ons houdt”. “Dat valt wel mee hoor”, zei ik. “De meeste mensen bij ons zien echt wel het verschil tussen de regering van Rusland en de gewone mensen.” Dat vond ze fijn om te horen.