Odessa

Odessa en Valentin Katajevs kinderboek voor de Sovjet-jeugd - met en zonder marsmuziek

Katajev, antwoordde een goede vriendin uit Rusland op mijn vraag: wie ik moest lezen ter voorbereiding op mijn reis naar Odessa. Babel en Paustovski, ja, allicht, maar die kende ik al en daar kwam iedereen mee aanzetten die naar Odessa was geweest. Nee, het moest een minder bekende schrijver zijn. Katajev, was dus haar antwoord, Valentin Katajev.

Van Katajev (1897-1986) had ik nog nooit iets gelezen, maar zijn naam deed een stevig Sovjet-belletje rinkelen – behoorde die niet tot de harde kern van het literaire establishment, tot de ingenieurs van de ziel die hun hand niet omdraaiden voor nog eens een ode aan gehard staal en gestaalde kaders? Ik was vooral op zoek naar ‘kleine’ beschrijvingen van Odessa, naar locaties die ik kon gaan bekijken en routes die ik kon nalopen, dus … eh … Katajev? Maar toen ik hem min of meer neutraal besproken zag in een artikel over literair Odessa, besloot ik het toch maar eens met hem te proberen. Белеет парус одинокий (Belejet paroes odinoki) werd in het artikel genoemd, een boek uit 1936 over het woelige jaar 1905 waarin hij veel jeugdherinneringen had verwerkt. Als dat geen ‘kleine’ beschrijvingen van Odessa zou opleveren!

Dat deed het inderdaad volop, maar dat ontdekte ik pas na terugkeer in Nederland. Ik was daar in de havenstad aan de Zwarte Zee te veel bezig geweest met een andere minder bekende schrijver: Vladimir Zjabotinski (over diens Odessa schreef ik hier en hier). Thuis nam ik Beleet paroes odinokii pas echt ter hand. Het bleek een kinderboek – ik schat voor 12-jarigen – wat in dat artikel over literair Odessa niet echt duidelijk was vermeld. In ideologisch opzicht bleek het loepzuiver, we hadden hier te maken met de vriendjes Petja en Gavrik, gestaald kader in de dop. Petja mag naar het gymnasium, maar wordt vooral meegesleept door de avonturen van Gavrik, die in een schamel vissershutje aan de zee woont. Er gebeurt van alles (de muiterij op de Potjomkin, stakingen, demonstraties, vuurgevechten, een pogrom), maar het eindigt hoopvol: de twee vriendjes helpen een door gemene agenten gezochte matroos met een vissersbootje te ontsnappen naar Roemenië.  

Petja en Gavrik, Vera Cholodnaja plein, Odessa

Hoe lang geleden was het dat ik – buiten mijn hoedanigheid van oppas - een kinderboek las? Onvermijdelijk kwam Boris van Jaap ter Haar weer bovendrijven, het boek waarmee mijn belangstelling voor Rusland begon. Stel dat Katajev was vertaald en ik had zíjn boek gelezen, over Petja en Gavrik, en niet dat van Jaap ter Haar over Boris? Ik zou niet naar Amsterdam zijn gereisd om bij boekhandel Pegasus eens wat brochures te halen over de CPN, dat niet. Maar had ik me dan misschien voor altijd tot Odessa aangetrokken gevoeld in plaats van tot het Leningrad van Boris?

En nog een vraag die bij me opkwam: hoeveel indruk maakte Belejet paroes odinokii op jonge Russische tijdgenoten van Katajaev, op een 12-jarige jongen in, pak ‘m beet, Vologda of Archangelsk? Véél, denk ik. Zou zo’n jongen zich dan niet gestoord hebben aan de opzichtige ideologische sjablonen? Tuurlijk niet! Jeugdboeken van mij die zich afspeelden in de Tachtigjarige Oorlog waren net zo voorspelbaar, met koene Hollandse jongens die het opnamen tegen die vuige Spanjaarden. Die boeken werden daar echt niet minder spannend door.

Ik las bij Katajev over meerdere plekken in Odessa die ik inmiddels kende van mijn wandelingen door de stad. Nieuw voor me was iets heel anders: de mars Toska po rodine (Heimwee naar het moederland), die in het boek twee keer wordt gespeeld: bij het einde van een Paaskermis en tijdens een alternatieve 1 mei-viering, op vissersbootjes veilig op zee, ver genoeg van de kust. Zou die mars ook klinken in de verfilming van het boek, uit 1937?


Helaas, geen mars te bekennen. (De uitvoering op zee belandde wel op de omslag van een van de vele uitgaven van het boek - zie hieronder). Hier kunt u de mars horen:

-----------------

De 1 mei-viering op zee. Rechts de matroos met accordeon die Heimwee naar het moederland speelt.

De 1 mei-viering op zee. Rechts de matroos met accordeon die Heimwee naar het moederland speelt.

Eigenlijk had ik dit stukje aan die mars willen wijden, aan de vraag door wie die nou precies geschreven is. Maar mijn bespiegelingen over Katajev drongen voor. Wie meer over het muziekstuk wil weten, kan terecht in een uitgebreid artikel in het Russisch.   

En nu we het toch over muziek hebben: op mijn laatste dag in Odessa zag ik op een van de hoeken van het driehoekige Catharinaplein plots de gedenksteen voor componist Maks Kjoess. Ik wist dat die ergens moest hangen, was er niet speciaal naar op zoek gegaan, maar vond het toch leuk dat ik die nu had gezien. Kjoess is de schrijver van de wals Golven van de Amoer – veel mooier dan die mars bij Katajev. Over het leven van Kjoess, inclusief zijn werk als kapelmeester in de Goelag, schreef ik eerder een stukje. Zijn beroemde wals vindt u hieronder.

 

Antwoord op de vraag: waar schilderde Konstantin Gorbatov zijn Hollandse gracht?

------------------

In welk buitenlands museum ik ook kom, altijd speur ik naar sporen van het vaderland. Zo ook in het geweldige Kunstmuseum van Odessa. En ik had beet, op de eerste etage, al bleef de vondst die ik daar deed omgeven door twijfels. Dit ondanks de hulp die ik bij mijn poging tot duiding kreeg van onder anderen Fokke en Sukke en Alexander Pechtold.

Ik bereikte die eerste etage via een prachtige trap, de een na mooiste trap binnenshuis die ik in de voormalige Sovjetunie zag. (De allermooiste is natuurlijk die in het Gorki museum in Moskou.) Er was wel iets mis met de trap, getuige een bordje dat de bezoeker in drie talen adviseerde om bij de weg naar boven rechts te houden. ‘Is het gevaarlijk?’, vroeg ik een vrouwelijke suppoost. ‘Nee hoor’, antwoordde ze, ‘alleen de leuning is niet veilig.’ Boven aan de trap hing ook een bordje, voor de bezoeker die ging afdalen, maar dat was alleen in het Russisch.

IMG_2224-2.jpg


In een van de zalen boven viel mijn oog op het schilderij Canal in Holland van K.I. Gorbatov (zie boven aan dit stukje), die volgens het titelbordje leefde van 1876 tot 1925. Hebbes, dacht ik, een Nederlands tafereeltje. Een vismarkt ergens, maar waar? Ik wilde dat graag weten en vroeg, eenmaal thuisgekomen, op Facebook en Twitter om hulp. Wie wist waar in Nederland dit was?

Mijn verzoekje om hulp werd 149 keer geretweet, onder anderen dus door Fokke en Sukke en Alexander Pechtold. Het leverde tal van suggesties op – en bijna ruzie tussen kenners van klederdrachten. Een bloemlezing:

- Hoek Prinsengracht, Noordermarkt, Brouwersgracht?
- De klederdracht van de vrouwen met de mand lijkt het meest op Urk
- Leiden, de Korenbeurs?
- Rotterdam voor het bombardement?
- De Oude kerk in Delft?
- Ik denk aan Vlissingen
- Leiden, Turfkade?
- Absoluut NIET Urk. De dames dragen de algemene cornetmuts
- Leiden, bij de Waag?
- Leiden aan het water waar café Annie’s nu zit?
- Misschien Veere, de Campveerse toren
- Oudegracht Utrecht?
- Zou weleens Dordrecht kunnen zijn

De aardigste suggestie kwam van Agent-00x (@toktokalweer1ei): ‘Het zou Nieuw Holland (Novaya Gollandiya) kunnen zijn in Sint-Petersburg. Daar zijn gele gebouwen te vinden.’ Dat lijkt me onwaarschijnlijk (bij mijn weten werd daar in de Sovjetjaren geen vis verkocht), maar mij waren inmiddels ook die gele gebouwen, op de achtergrond, dwars gaan zitten. Die oogden niet Nederlands. En naarmate ik, op zoek naar gegevens over dit specifieke schilderij, steeds meer werk van Konstantin Gorbatov voorbij had zien komen, drong de onontkoombare conclusie zich op: die Gorbatov heeft er qua locatie een zooitje van gemaakt. Hij reisde door Europa (vooral Italië), deed overal indrukken op en husselde die, eenmaal achter zijn ezel gezeten, uit de losse pols door elkaar.

Hier één werk van Gorbatov gesitueerd in Rusland en drie in Venetië (aanklikbaar):

Meer bewijsmateriaal lijkt me niet nodig.

Het lijkt er sterk op dat de huizen op het vierde doek ook op Gorbatovs ‘Hollandse’ schilderij zijn beland – in een iets aangepaste vorm. Zijn het Italiaanse huizen? Of zijn het huizen langs de Fontanka in Sint-Petersburg? En die ‘Hollandse’ bootjes (gek word je van de bootjes bij Gorbatov) – die duiken op zo’n beetje al zijn schilderijen op, of die nou een tafereel in Rusland, Italië of Nederland verbeelden. In Venetië heeft hij ze dan wel – heel oplettend – vervangen door gondels.

Het is uiteraard het recht van iedere schilder om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Maar ik voel me toch – met mijn aanvankelijke tevredenheid over weer een Hollands tafereel in een buitenlands museum – een klein beetje voor gek gezet.

Tot slot nog even over het bordje op de lijst van het schilderij dat Canal in Holland als titel geeft. Dat bordje meldt ook dat K.I. Gorbatov is overleden in 1925. Dat is fout, en niet zo’n beetje ook. Gorbatov overleed, in Berlijn, in mei 1945. Nu had u uit mijn vorige twee stukjes al begrepen dat ik erg te spreken ben over het mooie museum in Odessa, met zijn krakend parket, matige verlichting en in bijna elke zaal op een stoel een lezende dame. Gek genoeg maakt die misser met dat jaartal mij alleen maar enthousiaster. De tijd is in het Kunstmuseum van Odessa ergens in de Sovjet-jaren stil blijven staan.

(De twee eerdere stukjes over het Kunstmuseum vindt u hier en hier.)

Wat te doen in Odessa? Hoog op het lijstje van verplichte bestemmingen: het Kunstmuseum – 2.

----------------

Het waren niet alleen de toegangskaartjes, met de prijs nog in kopeken (zie deel 1), die me in het Kunstmuseum van Odessa terugvoerden naar de Sovjetunie. Bijna álles ademde de sfeer van de jaren tachtig – of nog verder terug. De bewaker bij de kassa in de hal, de garderobe, het los-vaste parket (je denkt: nog een jaar en het is kapot, maar over vijftig jaar ligt er nog), de warmte van de schilderijen die me in de matig verlichte zalen tegemoetkwam, en natuurlijk de oude dames op hun stoel – in bijna elke zaal één. Ik spreek niet zo snel vrouwen aan, maar door deze plotse onderdompeling in het verleden was ik meteen in zo’n opperbest humeur, dat ik aan de dame in de eerste zaal, die verdiept was in een boek, vroeg: wat leest u? ‘Een boek’, antwoordde ze, weinig toeschietelijk. 

Het maakte me niet uit, want al die schilderijen! 

Joeri Pimenov: Meisje in gedachten

Moskou vanuit die rijdende auto! Met die moderne jonge vrouw achter het stuur! Dat was mijn eerste gedachte toen ik bovenstaand schilderij zag hangen. En mijn humeur werd meteen nog een stuk beter. Want wat is er nou leuker dan rondlopen in een museum met schilderijen die allerlei herinneringen en associaties oproepen. Als maker stond op het goudkleurige plaatje vermeld: Joe. Pimenov. Die naam kon ik niet meteen plaatsen, maar die sfeer, die verticale vegen ...  Ik zocht het thuis op, en jawel!  Nieuw Moskou, van Joeri Pimenov, uit 1937, met die jongedame achter het stuur:

Joeri Pimenov: Nieuw Moskou


Twee zaaltjes verder viel mijn oog op vier kleine schilderijtjes. Ze hingen in een hoek, achter de stoel met alweer een lezende dame. Toen ik naderde, stond ze op om mij vrij zicht te geven. Ik kwam ogen tekort. Wat een breekbare tafereeltjes! Zoals dit hieronder, van een schilder, aan het werk midden op een breed strand. Ik wil me niet gelijkstellen aan die schilder, maar moest toch even denken aan het brede strand aan de noordkant van Texel, waar ik twee jaar geleden met mijn fototoestel op zoek was naar een mooi beeld. Ik vroeg de dame of ze misschien een pen had. Ze trok een kastje open, haalde haar handtas tevoorschijn en gaf me een pen. Op een van mijn toegangskaartjes schreef ik: I.P. Pochitonov. Die naam kende ik niet, maar die kust, dat zou nou best eens 's Gravesande kunnen zijn, dacht ik, het strand waar van mij de klassieke peuterfoto's zijn gemaakt, met een emmertje en een schepje. Thuis begreep ik dat het vermoedelijk de kust van België was. Pochitonov bracht daar een aantal jaren door en overleed in 1923 in Brussel.

Ivan Pochitonov: Schilder aan de kust

Was Pochitonov een nieuwe naam voor me, dat gold natuurlijk niet voor Isaak Levitan, een vriend van Tsjechov, de schilder van intens melancholieke Russische landschappen. Maar wat een verrassing was dit. Een schilderij van Levitan met een trein!: 

Isaak Levitan: Trein onderweg

We zien hier niet echt een toonbeeld van dynamiek, geen verheerlijking van de moderne wereld met zijn stoom en machines, maar toch, zo’n trein die Levitans melancholie (ook zeer aanwezig in dit schilderij) doorklieft, ik stond ervan te kijken.

Michail Nesterov: In het klooster

En daar hadden we natuurlijk Michail Nesterov, dat kon niet missen – al kom je op zijn schilderijen zelden zo'n lachend gezicht tegen als hier. Nog voordat ik de titel had gezien, moest ik denken aan dat prachtige lied Vjoen nad vodoi, waar ik eerder een aanstekelijk stukje aan wijdde (lees en luister hier). De titel van het schilderij: В скиту (In het klooster). In het lied staat de bezongen vrouw nog buiten het klooster, maar dat duurt niet lang meer.

En daarnaast (op deze pagina, niet in het museum): voetballertjes! Deze zijn volgens het kaartje in de vitrine gemaakt door Je. Danko, maar die informatie lijkt me op z’n minst onvolledig. Doorgaans was het haar zus Natalja die de beeldjes maakte, Jelena beschilderde ze. Hoe dan ook, wat had ik deze twee – en vooruit, ook die vrouw met de bal in haar hand – graag aan mijn nog veel te kleine verzameling Sovjet-voetballertjes toegevoegd.

In welk buitenlands museum ik ook ben, altijd speur ik naar sporen van het vaderland. Zo hoop ik bij mijn eerstvolgende bezoek aan de Hermitage in Sint-Petersburg (waar ik al vele jaren niet meer ben geweest) het schilderijtje met het Limburgse Thorn weer aan te treffen. In Odessa stuitte ik pas op de eerste etage op iets uit Nederland – althans volgens de titel van het schilderij: Gracht in Holland, een werk van Konstantin Gorbatov. Maar waar was die gracht dan? Over de speurtocht naar de precieze locatie meer in mijn volgende stukje.

De eerste etage bereikte ik overigens via een trap, waarvan het gebruik volgens een bordje aan de muur niet zonder gevaar was. Ook daarover meer in mijn volgende stukje.   

Wordt vervolgd. Hier deel 1 en deel 3.

Wat te doen in Odessa? Hoog op het lijstje van verplichte bestemmingen: het Kunstmuseum – 1.

--------------------

“Wilt u het hele museum zien?”, vroeg de dame van de kassa. “Het hééle museum!”, antwoordde ik met een brede glimlach, ietwat verrast (waar was ik anders voor gekomen?), en op een toon die duidelijk moest maken hoe enthousiast ik bij voorbaat al was over mijn rondgang door dat hele museum. Toon en mimiek bleken niet aan de dame besteed, ze was al druk in de weer met mijn kaartjes – een hele procedure.

Hoeveel er van die kaartjes ooit gedrukt zijn, weet ik niet, maar het moeten er bijzonder veel zijn geweest – in een tijd ook dat er aan het eeuwig voortbestaan van de Sovjetunie niet of nauwelijks werd getwijfeld. Ik kreeg er twaalf in totaal, acht uit de serie O-34 (de nummers 018234 tot en met 018241) en vijf uit de serie AB-28 (de nummers 003445 tot en met 003449), alle uitgegeven door de Afdeling cultuur van het Odessa oblispolkom, een Sovjet-instantie die echt al een tijdje ter ziele is. Op de kaartjes uit de serie O-34 stond als prijs 10 kopeke vermeld, maar daar was in blauwe inkt 5 grn overheen gestempeld. Behalve dan op het bovenste exemplaar (nummer 018241); daarop was met rode inkt geschreven: II et x B, wat – zo begreep ik later – betekende dat ik toegang had tot de tweede etage. Die zou ik bereiken via een trap van een onvermoede (maar verraderlijke) schoonheid, maar dat wist ik bij de kassa nog niet.

Op de vijf kaartjes van de serie AB-28 – van een duidelijk betere papierkwaliteit dan die van de serie O-34 - stond als originele prijs 20 kopeken. Daar was in blauwe inkt 10 grn overheen gestempeld. Hier stond op het bovenste exemplaar (nummer 003445) ook iets met rode inkt geschreven, maar dat kon ik niet ontcijferen. Nadat de dame van de kassa keurig het onderste strookje van alle twaalf kaartjes had afgescheurd en ik 90 griven had afgerekend, mocht ik de zalen betreden van het Kunstmuseum van Odessa, aan de Sofijastraat 5, gehuisvest in een paleisje dat in 1805 werd gebouwd in opdracht van Seweryn Potocki, ooit de Russische ambassadeur in het koninkrijk Napels.

Wist u dat Isaak Levitan, toch vooral bekend van zijn melancholieke Russische landschappen, ooit zoiets moderns als een rijdende stoomtrein had geschilderd? Ik niet. En had u weleens gehoord van de schilder Ivan Pochitonov? Het werd een middag vol prettige verrassingen en een enkele onbeantwoorde vraag. En toen ik de kassa weer passeerde op weg naar buiten, stond het Kunstmuseum hoog op het lijstje van plekken die je in Odessa beslist bezocht moet hebben.  


Hier deel 2 en deel 3.

Wandelend in Odessa over de Deribasovskaja, de ‘koningin van alle straten’ - in de voetsporen van Vladimir Zjabotinski - 2

-----------------

Standbeeld Leonid Oetjosov

En verder wandel ik, over de Deribasovskaja, in de voetsporen van schrijver Vladimir Zjabotinski. Aan het begin van de vorige eeuw liep hij hier elke dag naar zijn werk. Hij vond het de mooiste straat van Odessa - sterker nog: van de hele wereld. Vanaf het begin, het laagste punt, ben ik inmiddels twee kruispunten gepasseerd (zie: deel 1) en ik moet zeggen: het botert nog niet zo tussen mij en de Deribasovskaja. Is dit nu de “koningin van alle straten”, zoals Zjabotinski schrijft in zijn boek Pjatero?

De derde zijstraat is de Jekaterinskaja; vlees noch vis, aldus Zjabotinski. De straat doet zich wel duur voor, maar daar trapt hij niet in. Het is vooral een doorgangsweg voor wandelaars die naar de boulevard willen en de beroemde trap “met de 198 granieten treden”. Pas veel later, in 1955, zou die trap de Potjomkintrap gaan heten. Dat getal van 198 is overigens enigszins raadselachtig. De trap telde aanvankelijk 200 treden, waarvan ze er later - toen Zjabotinski Odessa allang had verlaten - acht moest inleveren vanwege een uitbreiding van de haven beneden. En van graniet waren de treden tijdens Zjabotinski’s dagelijkse wandeling ook nog niet. Dat graniet kwam er pas in 1933, toen het originele zandsteen te veel was uitgesleten en moest worden vervangen. Zjabotinski schreef Pjatero in 1935 (het verscheen een jaar later). Zou hij van dat graniet hebben geweten en zijn herinnering bewust of onbewust hebben aangepast?

Ik loop de Jekaterinskaja in. Aan de rechterkant zaten hier in Zjabotinski’s tijd de overvolle terrassen van de koffiehuizen van Robin en Fankoni. Die namen zijn verdwenen, maar de terrassen zijn er nog - of wéér.*) In alle vroegte, met de zon nauwelijks een half uurtje op, zitten ze ook al aardig vol. Ik hoor een stevige dreun, zie bier (en waterpijpen) bij het ontbijt - en loop door. De beroemde trap, hier om de hoek, was indertijd bedoeld als deftige toegang tot de stad, niet bestemd voor het gewone volk. Dat trok zich daar weinig van aan en kwam vanaf de haven hier gewoon omhoog en vervolgde via de Jekaterinskaja zijn weg. De schilletjes van de zonnebloempitten die daarbij werden uitgespuugd, deden de aanblik van de straat geen goed.

Terug naar de Deribasovskaja. Het gedeelte tussen de Jekaterinskaja en de Gavannaja (wij herkennen het Nederlandse woord haven), legde Zjabotinski steevast af in een staat van gastronomische alertheid. Bijna automatisch ging hij aan de rechterkant lopen, want daar, op de binnenplaats van het lage, lange huis van Wagner (genoemd naar de eigenaar) bevond zich de taverne van Bruns (Брунс). Daar werden na theaterbezoek worstjes met aardappelsalade en bier genuttigd. Bij de doorgang naar die binnenplaats staat nu een man in kilt klanten een pub binnen te lokken. Misschien was dat vroeger de taverne van Bruns - op de binnenplaats zitten meerdere etablissementen, die elk de opvolger van Zjabotinski’s geliefde eetgelegenheid zouden kunnen zijn.

Voor het vroegere huis van Wagner

De Deribasovskaja is hier inmiddels verboden gebied voor auto’s. Dat doet de straat ongetwijfeld goed - maar ik geef me nog niet gewonnen. En dat gebeurt evenmin op het laatste stuk, naar de Passage, waar de krant van Zjabotinski was gehuisvest en waar zijn dagelijkse wandeling eindigde. Het aantal terrassen - met elk zijn eigen muziek - is overweldigend, net als de shoarmatentjes en souvenirkraampjes. Ik doe er de Deribasovskaja beslist geen recht mee, maar heel even komt het woordje Rokin bij me op. De straat waar Zjabotinski zo van hield, had in zijn tijd geen standbeelden. Tegenwoordig zit, schuin tegenover de Passage, zanger Leonid Oetjosov in brons gegoten op een bankje - dat maakt nog aardig wat goed.

Aan de kop, vlak bij de Passage

Zo’n vijftig meter voorbij de Passage ligt het Kathedraalsplein, waar, schrijft Zjabotinski, "de Deribasovskaja eindigde en in feite een andere wereld begon, met de straten in een andere richting en al de vage bijsmaak van de hier niet ver vandaan gelegen voorstadjes van de armoede - Moldavanka, Romanovka en Peresyp…”

Op het Kathedraalsplein

-----------------

Ik loop verder, de Moldavanka in, waar ik jaren geleden de indrukwekkendste ontmoeting had tijdens al mijn reizen door de Sovjetunie. Ik zwerf rond, weet niet meer zeker welke kant het Kathedraalsplein op is en vraag de weg aan een vriendelijk ogende man. Hij blijkt bij een krant te werken, bij de Zeeman van Oekraïne. We raken aan de praat en hij vertelt me dat helemaal aan het begin van de Deribasovskaja, op het binnenplaatsje bij nummer 3, een bijzonder beeld staat… Daarover hopelijk binnenkort meer. **) 

*) Nadere inspectie leerde dat de naam Fankoni, in moderne belettering, wel degelijk op één van de terrassen vermeld staat - en in Latijnse letters: Fanconi. Dat is dezelfde schrijfwijze als in de tijd van Zjabotinski, zo zag ik bij een bezoek aan het Streekmuseum (adres: Gavannaja 4). Zjabotinski transcribeert de naam in zijn boek naar het Russisch, waarbij de door de c weergegeven k-klank 'gewoon' een Russische k wordt.

**) Het betreft een borstbeeld van Ludwik Zamenhof, de bedenker van het Esperanto. Dat gaat verder geen stukje opleveren.

Deel 1

Wandelend in Odessa over de Deribasovskaja, de ‘koningin van alle straten’ - in de voetsporen van Vladimir Zjabotinski - 1

--------------

“Zodra ik een voet zette op die majesteitelijke grond, beving mij onmiddellijk een bijzonder besef, alsof zich iets had voorgedaan of dat mij een privilege ten deel was gevallen, en onbewust rechtte ik mijn rug en voelde even met een vinger of mijn das niet los was gaan zitten; ik weet zeker dat ik niet de enige was.”

Die ‘majesteitelijke grond’ is de Deribasovskajastraat in het Odessa van rond 1900, beschreven door Vladimir Zjabotinski in zijn boek Pjatero (vorig jaar verschenen in een Nederlandse vertaling van Otto Boele en Inge van Gemert, onder de titel Afscheid van Odessa). Zjabotinski (1880-1940) keert in het boek terug naar zijn jonge jaren in Odessa, lang nadat hij de stad aan de Zwarte Zee voorgoed heeft verlaten. Zjabotinski werkte er bij de krant Odessa Nieuws en elke ochtend liep hij over de Deribasovskaja naar de redactie, “over de volle lengte van die straat, de koningin van alle straten in de wereld”. 

Al draag ik dan geen das, ik loop de dagelijkse wandeling van Zjabotinski na over de Deribasovskaja, meer dan honderd jaar nadat hij er zijn voetstappen achterliet, meer dan tachtig jaar nadat hij in de emigratie zijn Pjatero schreef. 


Helemaal beneden, aan het begin van de iets oplopende Deribasovskaja, waar ik om de hoek in een appartementje verblijf met uitzicht op de kranen van de haven, valt weinig koninklijks te bespeuren. Het hangt er een beetje verloren bij, dit stukje straat, met open afvalcontainers langs het trottoir, een schutting waarachter iets verbouwd wordt en een enkel terras. Zjabotinski maakt er geen woord aan vuil, pas op het kruispunt met de “eerbiedwaardig-slaperige” Poesjkinstraat begint hij zijn wandeling. De oude tijd, zo schrijft hij, “toen graanhandelaren nog negotianten werden genoemd en zij in hun gesprekken Grieks met Italiaans vermengden”, lijkt hier op zijn laatste benen te lopen. Eens loog Zjabotinski tegen zijn vrienden dat hij een tijdje wegging uit de stad, om zich vervolgens op dit onopvallende kruispunt terug te trekken in een “groot hotel op de hoek”.    

Op welke van de vier hoeken was dat? Dat is raden, er is geen hotel meer te bekennen dat een aanknopingspunt zou kunnen vormen. Het gebouw op nummer 4 van de Poesjkinstraat was het zeker niet. Een gedenksteen op de gevel vermeldt dat hier aan het einde van de 19de eeuw burgemeester Grigori Marazli woonde - een woonhuis dus, en geen hotel. Tegenwoordig is hier een medische opleiding gehuisvest en elke morgen voordat de lessen beginnen, verzamelen zich op de stoep jongedames in witte jassen.


Het volgende kruispunt, met de Richelieustraat, was ten tijde van Zjabotinski’s dagelijkse wandeling het domein van banken en geldwisselaars. Het kan toeval zijn - weinig financiële instelingen hebben de revolutie van 1917 overleefd - maar op drie van de vier hoeken zit tegenwoordig een bank. Indertijd kon je buiten op de stoep, onder de acacia’s, terecht bij wisselaars met zwarte snorren, die je in elke gewenste taal te woord stonden en je netjes bedienden dan wel afzetten, schrijft Zjabotinski. Eens was hij er getuige van hoe twee aangeschoten jongelui plaatsnamen in het midden van het kruispunt en schel op hun vingers floten, zodoende het stopsignaal van agenten imiterend. Alle wagens en rijtuigen, “uit het noorden, zuiden, oosten en westen”, kwamen gehoorzaam tot stilstand en het duurde even voordat de orde op het kruispunt was hersteld.

Zelf ging ik er even op een bankje zitten om te luisteren naar een hevig dispuut tussen twee chauffeurs, van wie er eentje uit zijn auto was gestapt. Ik was niet zo geïnteresseerd in de afloop (de man die was uitgestapt had een honkbalknuppel in zijn hand), maar wilde graag weer wat nieuwe Russische woorden leren. Het vocabulaire van beide heren bleek echter beperkt (of dat van mij al redelijk uitgebreid) en ik besloot Zjabotinski maar weer eens achterna te lopen. Op naar het volgende kruispunt!   


Hier deel 2.

Een middagje voetbal bij Tsjernomorets in Odessa: garnalen, stagediven en een clublied met een klein Hollands accentje.

-----------------

Een stadion aan de Zwarte Zee en een clublied met een mooi Nederlands woord erin. Mag ik u voorstellen: Tsjernomorets - voetbaltrots van Odessa. Tsjernomorets, waar garnalen worden verkocht en de supporters gezellig zooien achter het doel.

Eerst even die garnalen. Ze lagen vlak bij de kassa’s, in twee bakken, zo te zien rechtstreeks aangevoerd van de visafslag. Zeg maar: de Zwarte Zeevariant van de kroket en de koetjesreep die wij vroeger bij een voetbalwedstrijd kochten. Storm liep het trouwens niet bij de mevrouw die het zeebanket verkocht, wat ook gold voor de wedstrijd zelf. Terwijl wij toch speelden tegen Aleksandrija, een heuse zespuntenwedstrijd.


Ik zeg niet zo maar wij, want sinds een dag was ik supporter van Tsjernomorets. Ik had namelijk het clublied ontdekt en dat bevat - niet eens zo vreemd voor een club uit een Russischtalige havenstad - een mooi maritiem woord uit het Nederlands: rede. Dat woordje was ik een paar dagen eerder al tegengekomen toen ik de spelersbus had zien staan, met achterop deze regels:


Ik wist toen nog niet dat die regels uit het clublied kwamen, want dat duikelde ik pas daags daarna op via de site van Tsjernomorets. Hier de complete versie van het lied. Ik vertaal alleen even de regels op de bus, want pure poëzie is het verder allemaal niet, en ik ben hier met vakantie.

ГИМН КЛУБА
слова и музыка: Валентин Куба.

Горячее сердце — как факел надежды,
Ведет нас к победе всегда.
Рокочут трибуны, команды на месте,
Вот скоро начнется игра.

Зеленое поле — родное до боли,
Прожекторов мощных огни,
Взорвутся трибуны, начало откроет,
Свисток основного судьи.

Черноморское солнце, черноморское небо,
«Черноморец» — команда моя,
Только сила и разум, только воля к победе,
Только крепкое братство плеча.

Над нами кружат белокрылые чайки,
И Черное море у ног.
Родная Одесса — как ты величава,
Футбольных истоков урок.

Мы чтим ветеранов и наши победы,
Останутся в наших сердцах.
И где б не стояла команда на рейде,
Мы будем играть до конца.
En waar de club ook voor de rede ligt
Wij zullen spelen tot het einde.

------------------

Ik liep eens een rondje rond het mooie, moderne stadion (Zorja Loegansk speelt er zijn Europese ‘thuiswedstrijden’) en belandde midden in een feestelijke ceremonie. Op de erelaan richting de hoofdingang werden twee nieuwe sterren in het plaveisel onthuld, waarvan eentje voor een bejaarde verzorger. Ik vond dat een mooi gebaar. Het wachten was nog even op de spelers van het eerste, en toen die waren gearriveerd, werd de ceremonie geopend met, jawel, het clublied.

Oud-verzorger Vladimir Sokolov


Het duurde al met al vrij lang, en de selectie stond nogal verveeld toe te kijken. Het leek me geen ideale voorbereiding op die zespuntenwedstrijd, die over vijf kwartier zou beginnen. 

Pjotr Pereverza en Aleksej Goblenko

Of het daardoor kwam weet ik niet, maar de eerste helft was nogal een matte vertoning. Pas na de rust kwam er wat leven in de brouwerij, ook op de tribunes, die hooguit voor een vijfde gevuld waren. Links van me, achter het doel van Aleksandrija, gebeurde iets wat ik nog nooit bij een voetbalwedstrijd had gezien. De supporters daar splitsten zich in twee groepen, waarvan de ene zich naar het vak ter linkerzijde van het doel begaf en de andere naar het vak ter rechterzijde. Even stonden de twee groepen stil, waarna de supporters op elkaar afrenden, tussen de rijen stoeltjes door, en zich in het midden van het vak achter het doel vrolijk op elkaar stortten - een gemoedelijk stoeien, wat in kringen van corpsstudenten zooien heet, als ik het goed heb. Er waren er zelfs die zich van een hogergelegen rij boven op de kluwen jongelui wierpen. Stagediven, maar dan voor supporters.

Mijn sympathie voor Tsjernomorets (bijnaam: de Zeelui) groeide met de minuut, en toen we ook nog op voorsprong kwamen (Gitsjenko, 57./e.d.) en Aleksandrija verder kundig van scoren werd afgehouden, was mijn middag helemaal goed.