frankijk/rusland

Russische antiquariaten en de sterfelijkheid van de mens: Heidelberg, Milaan, Parijs - 2

——————-

——————-

Mijn bezoek aan de Parijse boekwinkel Les Editeurs Réunis, een antiquarische schatkamer van heb ik jou daar, leverde op, naast de aankoop van acht boeken: een culinaire weddenschap en een zoektocht (tot nu toe tevergeefs) naar Vu Thu Hien uit – neem ik aan – Vietnam.

Les Editeurs Réunis is vermoedelijk het grootste Russischtalige antiquariaat buiten de grenzen van de voormalige USSR en in elk geval mijn favoriete boekwinkel buiten Rusland. Dit keer kwam ik naar buiten met (excuus aan mijn lezers die het Russisch niet machtig zijn):

1. Бенедикт Сарнов - Кому улыбался Блок. Omdat Sarnov (1927 – 2014) met afstand mijn favoriete literair criticus is (hoewel… Pavel Basinski mag er ook zijn) en ik dit boek van hem niet kende. Het ligt nu nog even bij mijn oude docente uit Rusland, tegenwoordig woonachtig in De Meern, maar zodra die het uit heeft, mag ik ermee aan de slag. (Over boeken van Sarnov schreef ik onder meer hier en hier. Voor Basinski: zie bijvoorbeeld hier).

2. Александр Пушкин - Капитанская дочка. Omdat elke slavist wel een geheim lijstje heeft met Russische klassieken die hij nu toch echt eens een keer moet gaan lezen.

3. Илья Ильф и Евгений Петров - Двенадцать стульев en Золотой теленок. Omdat elke slavist wel een lijstje heeft met Sovjet-klassieken die hij nu toch echt een keer moet gaan herlezen.

4. Александр Чудаков - Ложится мгла на старые ступени. Omdat dit boek door de Russische Bookerprijs in 2011 werd gekozen tot het beste boek van het decennia ervoor, ik me de inhoud ervan nauwelijks nog kan herinneren en het niet meer terug kan vinden in mijn boekenkast.

5. Борис Можаев - Земля ждет хозяинa. Omdat ik met enige weemoed terugdenk aan de jaren tachtig, toen ik de zogeheten dorpsschrijvers (Mozjajev was één van hen) had ontdekt. In hun boeken en artikelen kaartten ze sociale en economische problemen aan (vooral die van het Russische platteland) en zochten daarbij de grenzen op van wat was toegestaan. De spanning tussen de officiële Sovjet-ideologie en de omfloerste kritische toon van deze groep schrijvers maakte het lezen van hun werk tot een boeiend karwei. Ik schrijf met opzet ‘karwei’, want je moest vaak wel door een hoop ‘zware’ alinea’s heen zien te komen, voordat de politieke boodschap gestalte kreeg. Ik ben benieuwd wat deze hernieuwde kennismaking met Mozjajev oplevert. Herlezing van zijn ‘dorpscollega’ Valentin Raspoetin bleek eerder niet echt een genoegen.

Toch pakte ik nog een boek van diezelfde Raspoetin uit een van de kasten. Ik sloeg het open en zag het stempel staan van de vorige eigenaar: Vu Thu Hien. Dat leek me iemand uit Viëtnam. Was hij of zij Russisch gaan studeren tijdens de Viëtnam-oorlog? Was hij of zij als slachtoffer van het Amerikaans imperialisme van harte welkom geweest op een van de universiteiten in de Sovjetunie? Of zat het allemaal wat prozaïscher in elkaar en had hij of zij gewoon Russisch geleerd aan de Sorbonne? Google kwam met twee kandidaten op de proppen: een kunstenares van wie niets in haar biografie wees op enige belangstelling voor Rusland, laat staan voor Raspoetin, en een oudere man woonachtig in, jawel, Parijs. Een berichtje aan hem via Facebook leverde geen reactie op. Misschien moet ik nog eens verder gaan zoeken aan de hand van dat adres en telefoonnummer. Maar ach, wat levert dat op? Een discussie met een Viëtnamees - indien nog in leven - over het werk van Raspoetin? Een uitwisseling van ervaringen over studeren in Rusland? Nou, ik houd het nog even in mijn achterhoofd.     

6.   Михаил Зыгарь -  Империя должна умереть: История русских революций в лицах. 1900-1917, een heruitgave van een boek dat eerder in 2017 verscheen, over de aanloop naar de Russische Revolutie. Omdat ik het leuk vind om af en toe de geschiedenis in te duiken. En ik vond de omslag wel mooi. De eerste 50 pagina’s (van de bijna 700), waarin de confrontatie van Lev Tolstoj met kerk en staat aan bod komt, smaken in elk geval naar meer.

————————

“… voor het onderwijzen van de syntaxis…”

7. En dit is toch wel de aardigste vondst: Проф. В. М. Чистяков - Наглядное пособие к изучению синтаксиса русского языка для учащихся нерусских школ. Een aanschouwelijk leermiddel dus, voor het onderwijzen van de syntaxis van de Russische taal voor leerlingen van niet-Russische scholen. (Bedoeld wordt hier: scholen in de buitengewesten van de USSR.) Ik heb niks met de syntaxis van het Russisch, maar heb wel een groot zwak voor geïllustreerde Sovjet-boeken uit – ruim gemeten - de jaren vijftig. Dit boek is uit 1961. Als de illustraties dan ook nog (deels) in kleur zijn, ben ik helemaal verkocht.

Ik ga een apart stukje wijden aan deze mengeling van onderwijs en propaganda. Er valt genoeg over te zeggen. Zo zien we bijvoorbeeld bij één van de plaatjes twee regels van de onvermijdelijke Sergej Michalkov: “Werk, studeer en leef voor het volk van het Sovjet-land, pionier!” Wat zou het mooi zijn als een cultuurvorser van het kaliber Sarnov of Basinski zich zou zetten aan een liefst honderden pagina’s dikke kroniek over de niet bij iedereen even geliefde familie Michalkov.  

En hoe zit het met die culinaire weddenschap? Ook daarover meer in mijn volgend stukje. Want er blijkt een verrassend verband te zijn tussen dat aanschouwelijk leermiddel voor het onderwijzen van de syntaxis van de Russische taal voor leerlingen van niet-Russische scholen en het beroemde Russische kookboek Een geschenk voor de jonge huisvrouw, van Jelena Molochovets, uit 1861.

Deel 1.

Russische antiquariaten en de sterfelijkheid van de mens: Heidelberg, Milaan, Parijs - 1

—————————-

In Les Editeurs Réunis. (Schrijversportretten uit dezelfde serie prijkten aan de muur van ons collegezaaltje in Utrecht.)

——————————

Les Editeurs Réunis, aan de Rue de la Montagne Ste Geneviève in Parijs, zo ongeveer om de hoek bij het Panthéon, dat zal toch wel het grootste Russische antiquariaat zijn buiten de grenzen van het huidige Rusland en de voormalige USSR? Ik was vorig jaar in Finland en Estland, daar trof ik ook nog wel wat aan, en de leuke boekwinkel Interbok aan de Hantverkargatan 3 te Stockholm, gespecialiseerd in Rusland, had ook een paar planken met tweedehands spul, maar dat alles valt toch in het niet bij Les Editeurs Réunis. Daar zondigen ze wel tegen wat mij een ongeschreven regel lijkt: oud en nieuw staan er op een aantal plekken door elkaar – wat de pret overigens absoluut niet mocht drukken. *)

Ik was binnen tien dagen twee keer kort in Parijs, en gezien het feit dat antiquariaten – en boekwinkels überhaupt – in Rusland zelf voor mij voorgoed afgesloten jachtvelden zijn, leek het me verstandig om Les Editeurs Réunis, als een soort compensatie voor dat gevoelige verlies, beide keren met een bezoekje te vereren. Het bleek niet alleen verstandig, maar vooral ook heel leuk.

Maar voordat ik verder uitweid over die beide bezoeken (met onvermoede vondsten en een onverwachte ontmoeting op culinair gebied), gaan we eerst naar Heidelberg, een niet al te opwindend stadje aan de Neckar, in het noordwesten van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Ik verbleef er eerder in de zomer anderhalve dag, op doorreis naar Milaan. Op mijn slentertocht door de bloedhete straatjes trof ik geen boeken aan in het Russisch, maar wel boeken over Rusland. En ik werd weer eens hard met mijn neus op een simpel feit gedrukt: ik word er niet jonger op.  

Enige rommeligheid in een antiquariaat kan ik waarderen. Het draagt bij aan de voorpret bij het betreden van de winkel: híer ga ik zeker iets vinden waar ik al lang naar op zoek ben of waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Antiquariaat Hatry aan de Heidelbergse Hauptstrasse scoorde op rommeligheid een ruime voldoende (“hoopgevend, geen zooitje”), maar tot een aankoop – los van een paar oude boekenleggers – leidde dat niet. Wat ik wel aantrof: twee boeken die me herinnerden aan lang geleden, aan de jaren zeventig, een tijd waarin mijn fascinatie met Rusland en de USSR langzaam maar zeker gestalte begon te krijgen. Vroeg of laat overkomt dat iedereen: je ziet of leest een boek dat je terugbrengt naar je eigen verleden. In antiquariaat Hatry gebeurde dat dus twee keer. Op de plank met boeken over Rusland kwam ik tegen: Victims of Yalta van Nikolai Tolstoy en Die Russen van Hedrick Smith. 

Victims of Yalta (1977) was een vormend boek: het opende me de ogen voor het keiharde cynisme, de ongemene hypocrisie, van de ‘grote’ politiek. In dit geval van de Sovjetunie en Engeland, die over het lot beschikten van vele duizenden Sovjet-burgers die in de Tweede Wereldoorlog buiten de grenzen van de USSR waren beland. Zij werden, velen tegen hun zin, op onbarmhartige wijze terug de USSR in gebonjourd, waar ze nou niet bepaald met bloemen werden ontvangen. En dan Hedrick Smith, de Amerikaanse correspondent die met zijn The Russians in 1976 een boek afleverde dat je als student Russisch gelezen móest hebben. Het werd met klem aanbevolen door een van de Russische docentes op ons instituut. Verontwaardigd herhaalde ze, niet helemaal vlekkeloos, de afwerende reactie – volgens haar typisch Nederlands - van een van mijn medestudenten: “Wat een dikke boek!”

Daarmee was de confrontatie in Heidelberg met mijn verleden (en met de sterfelijkheid van de mens) nog niet voorbij. Terwijl de temperatuur akelig dicht in de buurt van de 40 graden was gekropen, viel mijn oog op een wat miezerig straatbibliotheekje. En wie trof ik daar aan: Klaus Mehnert! Een man met een bijzondere levensloop, waarover ik eerder schreef. Van hem is het boek Über die Russen heute. Was sie lesen, wie sie sind, waaraan ik indertijd – het verscheen in 1983 – zeer veel plezier beleefde. Ik vond het zo’n inspirerend boek dat ik bij Vrij Nederland aanklopte: waren zij misschien geïnteresseerd in een interview met deze Duitse Ruslandkenner? Dat waren ze, en ik stuurde een brief aan het instituut waar Mehnert aan verbonden was. Ik kreeg een vriendelijk antwoord: de heer Mehnert zou zeker ingestemd hebben met een interview, maar hij was kort daarvoor overleden. De berichten in de Duitse pers over zijn dood had ik gemist, de vorige eigenaar van het boek had duidelijk beter opgelet.

——————————

En in Milaan, trof ik daar nog iets aan? Het enige antiquariaat op mijn lijstje bleek gesloten, maar de kans dat ik daar iets leuks had gevonden, was toch al miniem. In een andere, moderne boekwinkel trof ik nog wel de eerste alinea’s van Tolstojs Anna Karenina, op een zuil geplakt, in het Russisch. Maar daar bleef het wat Rusland betreft bij.

Op naar Parijs!

*) Nadere instpectie thuis van de twee boeken waarop ik deze uitspraak baseerde, leerde dat deze wel degelijk tweedehands waren, maar in zeer goede staat: als nieuw.

Deel 2..

Rusland in de 20ste eeuw - 13: Frankrijk – USSR – Frankrijk: de wonderlijke levensweg van Nikita Krivosjein (en Dina Verni)

———————

Nikita Krivosjein met de onderscheiding Heilige Prins Daniel van Moscow, II klasse (een onderscheiding van de Russisch-Orthodoxe kerk), 2019. CC BY-SA 2.0

Zeer aanbevolen voor wie geïnteresseerd is in de emigratiegolf uit Rusland/Sovjetunie in de 20ste eeuw, en dan vooral in de emigratie naar Frankrijk: het al wat oudere boek Дважды француз Советского Союза (Tweemaal Fransman van de Sovjetunie) van Никита Кривошеин (Nikita Krivosjein). Krivosjeins levensloop is niet typerend voor de emigranten van die tijd, en juist daarom boeiend. Hij wordt in 1934 geboren in Parijs. Zijn moeder was Rusland in 1919 ontvlucht over het ijs van de Finse Golf, zijn vader Igor verliet het land met troepen van generaal Wrangel. Vader Igor nam in de Tweede Wereldoorlog deel aan het Franse verzet, overleefde Dachau en Buchenwald en nam zijn familie in 1947 mee terug naar de Sovjetunie. Hij was niet de enige emigrant die zich door fraaie beloftes van Stalin een rad voor de ogen had laten draaien en ook niet de enige die na terugkeer in een kamp belandde. Voor Nikita was de emigratie (in zijn geval dus niet remigratie) naar de Sovjetunie, waar hij in Oeljanovsk kwam te wonen, traumatisch. Zelf werd hij gearresteerd, nadat hij in 1957 in een brief aan de Franse krant Le Monde had geprotesteerd tegen de Sovjet-inval in Hongarije in het jaar ervoor.

Tweemaal Fransman van de Sovjetunie is een verzameling van artikelen, interviews en biografische schetsen. Krivosjein laat onder meer zien hoe er in de tweede helft van de jaren vijftig in de kampen een soort kruisbestuiving plaatsvond tussen vooral vrij jonge politieke gevangenen, die na de dood van Stalin besmet waren geraakt met de hoop op grotere vrijheden. Nuttig om daarbij weer eens te lezen hoeveel Balten en Oekraïners daartussen zaten. Krivosjein doet er vrienden op voor het leven en blijft contact houden met onder meer geestelijken uit de Baltische republieken, die later zullen uitgroeien tot kerkelijke voormannen.       

Krivosjein komt na enkele jaren weer vrij en verdient in de jaren zestig ondanks zijn ‘verdachte’ politieke verleden vrij eenvoudig de kost als vertaler. Wanneer het Kremlin zich in de jaren zeventig wil ontdoen van een aantal lastpakken, krijgt hij het dwingende voorstel om terug te keren naar Franrijk. Hij arriveert in 1971 in Parijs, drie jaar later gevolgd door zijn ouders.

Als simultaantolk, onder andere bij de VN, houdt Krivosjein zich, in tegenstelling tot veel andere emigranten, financieel gezien prima staande. Hij is nauw betrokken bij de Russisch-Orthodoxe kerk en mengt zich in de niet altijd even fraaie richtingenstrijd, waarbij loyaliteit aan Moskou als schandvlek dan wel als verdienste wordt gezien. De Moskouse kerk is volgens hem aan het genezen en nadert het punt waarop zij kan worden gezien als “het verstand, de eer en het geweten van ons tijdperk”. Met die voorspelling zat hij er lelijk naast, gezien de steun die die kerk heeft uitgesproken voor de Russische inval in Oekraïne. En met nog een voorspelling zat Krivosjein mis. Hij meende dat emigratie voortaan alleen nog een economisch karakter zou hebben, de ‘echte’, politiek gedreven emigratie was  volgens hem voorgoed voorbij. De door de oorlog in Oekraïne in gang gezette golf aan Russische landverhuizers, op de vlucht voor mobilisatie en repressie, heeft hij – niet onbegrijpelijk – niet zien aankomen.

De uitgave die ik las stamt uit 2014. Een uitgave uit 2016 is hier te lezen.

———————

En dan is daar Dina Verni (1909-2009), misschien wel de opvallendste emigrant die in Frankrijk belandde, in elk geval de kleurrijkste. Ze kwam al een paar keer voorbij op dit blog, onder meer als vertolkster van Russische kampliedjes, waarmee ze tijdens haar bezoeken aan de USSR (inmiddels als Frans staatsburger) opzien baarde. Door dat laatste, en ook door haar steun aan non-conformistische kunstenaars in de Sovjetunie (ze hielp bijvoorbeeld Michail Sjemjakin het land uit), was ik erg benieuwd naar het boek Дина Верни. История моей жизни, рассказанная Алену Жоберу (Dina Verni. Geschiedenis van mijn leven, verteld aan Alain Jaubert). Helaas, dat viel nogal tegen. Dat zal vooral aan mij liggen; ik was vooral geïnteresseerd in haar bezoeken aan de USSR en haar kennissenkring daar, maar de gesprekken met Jaubert gaan vrijwel uitsluitend over de Franse kunstenaarswereld, waar – als favoriet model van beeldhouwer Aristide Mailloll – alle deuren voor haar openstonden. Wie benieuwd is naar die wereld, moet Verni’s boek zeker ter hand nemen (het verscheen in het Frans onder de titel: Dina Vierny. Histoire de ma vie racontée à Alain Jaubert). Bekijk onderstaand filmpje en u begrijpt waarom ik dolgraag meer over haar Russische kant had willen lezen. Dina zingt het kamplied Nachtmerries. (De indruk wordt gewekt dat zij zichzelf hier op gitaar begeleidt, maar dat is niet zo):

————————

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————————

Alain Delon contra Alla Poegatsjova. Operette in Sibirië.

——————-

Een Franse filmster naast een Russische generaal eind jaren negentig in Krasnojarsk, Siberië… Bien étonnés de se trouver ensemble, zoals de Fransen dan zeggen, en ik keek er ook van op. Alain Delon en Aleksandr Lebed, wat deden die daar samen op dat podium, op 23 april 1998, om precies te zijn?

Het verfijnde, gesoigneerde uiterlijk van Delon zal zwaar gedetoneerd hebben bij de grauwige stad, in het grijze, want nog vroege Siberische voorjaar. En ook het contrast met de bassende Lebed, die zijn kleren beslist niet uit Parijs betrok, kon bijna niet groter …

Delon en Lebed hadden elkaar ruim een jaar eerder bij toeval ontmoet in Parijs, waar ze te gast waren in hetzelfde tv-programma. In latere interviews, terugkijkend op die eerste ontmoeting, vertelde Delon dat het meteen klikte, dat hij een verwantschap voelde met de generaal. Als zeer jonge vent had Delon in 1953-1954 gediend in Frans Indo-China. “We begrepen wat ons bond: we waren beiden soldaat. En we zijn echte mannen. Onze relatie was een voorbeeld van echte mannenvriendschap”, aldus Delon in 2002. Toen de generaal hem in 1998 om hulp had gevraagd,  was hij op het vliegtuig gestapt om een uur of acht later te landen in Krasnojarsk.

Daar waren op dat moment de campagnes gaande voor de gouverneursverkiezingen van de regio Krasnojarsk. Lebed nam het daarin als Moskouse buitenstander op tegen de zittende gouverneur Valeri Zoebov en werd kansloos geacht. De generaal was in 1996 derde geworden in de eerste ronde van de Russische presidentsverkiezingen, en had zich vervolgens geschaard achter kandidaat Boris Jeltsin, die in de tweede ronde Gennadi Zjoeganov versloeg. Lebed was daarna enige tijd voorzitter van de Nationale Veiligheidsraad. In die hoedanigheid sloot hij een vredesakkoord met de Tsjetsjeense president Aslam Maschadov, waarmee een einde kwam aan de Eerste Tsjetsjeense Oorlog. Dat had hem populair gemaakt, maar of dat voldoende zou zijn voor de verkiezingswinst in Krasnojarsk, werd alom betwijfeld. (Het filmpje hieronder is ruw, ongemonteerd materiaal. De stralende dame tussen Lebed en Delon in, is de echtgenote van de generaal. Lebed, dit even terzijde, was een ramp als je die moest ondertitelen. “Bassend”, schreef ik hierboven - nou het was toch vooral zwaar mompelend.)

——————

Gouverneur Zoebov mocht dan wel favoriet zijn, qua uitstraling was hij nou niet echt een mannetjesputter. Om dat een beetje te compenseren, kreeg hij tijdens zijn campagne gezelschap van de Moskouse burgemeester Joeri Loezjkov, een echte macher. Of de komst van Delon hier een antwoord op was of dat Lebeds campagneteam (of hijzelf) hem al eerder hadden uitgenodigd, weet ik niet. Evenmin weet ik hoe je de operetteachtige taferelen daar in Krasnojarsk het best kan omschrijven: bizar, briljant, zinloos, gênant? (Ik heb geprobeerd om een Nederlandse variant te bedenken; mijn fantasie blijft steken bij Alexander Pechthold met naast zich Kevin Costner.)

Embed from Getty Images

————————-

Tot ieders verrassing ging de overwinning in de eerste ronde toch naar generaal Lebed, met 45 procent van de stemmen, tegen 35 procent voor Zoebov en 13 procent voor de communistische kandidaat Pjotr Romanov. Die overwinning, zo wordt aangenomen, was vooral te danken aan de slappe, ongeïnspireerde campagne van Zoebov, en veel minder aan de aanwezigheid van een Franse filmster. Hoe dan ook besloot Zoebov voor de tweede ronde ook maar eens wat te proberen. Hij haalde Alla Poegatsjova naar Krasnojarsk! Een diva van heb ik jou daar, die kwam aangevlogen met haar eigen vliegtuig met daarop in grote letters ALLA. De zangeres, onaantastbaar populair, sprak haar steun uit voor de zittende gouverneur. Baten deed het niet. Generaal Lebed won in zijn eentje (vriend Delon was allang naar huis) ook de tweede ronde, met 57 procent van de stemmen.

Lebed kwam in 2002, nog steeds in de hoedanigheid van gouverneur, bij een helikopterongeluk om het leven. Vier jaar later vertelde Delon aan de Izvestija dat hij het nog steeds moeilijk had met de dood van de generaal. Onderhield hij nog contact met diens weduwe, Inna? “Helaas niet. Maar een foto van de generaal en zijn vrouw staat in mijn slaapkamer naast een foto van generaal De Gaulle.” Delon had twee puppies van Lebed gekregen, Tsjara en Sjalva, twee Siberische Laika’s. Hoe was het met hen? “Dat zijn mijn twee trouwste honden. Ik heb nog tien anderen, maar alleen Tsjara en Sjalva blijven ’s nachts bij mij binnen”, aldus Delon in 2006. Ik heb niet uitgezocht hoe het nu is met Tsara en Sjalva.

En ondertussen vraagt iedereen die een beetje bekend is met de Russische popmuziek uit de jaren tachtig zich nu af: kende Alain Delon dat nummer van Nautilius Pompilius, waarin hij een hoofdrol speelt? Dat moet haast wel, maar in de interviews die ik met hem tegenkwam, komt het niet ter sprake. Dat is natuurlijk  een flinke omissie. Hier is dat nummer. Ik schreef er ooit een stukje over.

————————-

"Moscou tournait lentemenent sous l'avion" - Antoine de Saint-Exupéry vloog boven Moskou in de ANT-20, die een dag later neerstortte.

--------------------


Dat is nou wat je noemt: een leuke bijvangst. In mijn vorige stukje schreef ik over de schilder Vasili Koeptsov, de maker van De ANT-20 Maksim Gorki, een van de leukste schilderijen in het Russisch Museum in Sint-Petersburg. Met Koeptsov liep het slecht af; uit angst voor een arrestatie pleegde hij in 1934 zelfmoord. Met de ANT-20 Maksim Gorki, het grootste vliegtuig uit die tijd, afgebeeld door Koeptsov, ging het ook mis: het stortte op 18 mei 1935 neer door toedoen van een roekeloze vliegenier, die met zijn kleine toestel een stunt wilde uithalen en tegen de ANT-20 aan vloog.

Terwijl ik enig speurwerk verrichte naar de toedracht van dat ongeluk, stuitte ik op een bekende naam: Antoine de Saint-Exupéry. En wat blijkt, de auteur van Le Petit Prince, tevens  piloot, vloog op 17 mei 1935 in de ANT-20 boven Moskou, een dag dus voor de crash. Niet als piloot (dat had het verhaal nog mooier gemaakt), maar als passagier. Hij had heel wat moeite moeten doen om mee te mogen, maar uiteindelijk had hij dan toch toestemming gekregen. Hij was geen dag te laat. 

Antoine de Saint-Exupéry, die ook journalistiek werk publiceerde, verbleef enkele weken in de Sovjetunie en legde zijn indrukken vast in zes stukken voor het dagblad Paris-Soir – alle, in de originele opmaak, online beschikbaar. De Sain-Exupéry was een van de Westerse intellectuelen die het gigantische politieke, maatschappelijk experiment dat gaande was in de  USSR, weleens met eigen ogen wilden aanschouwen. Zijn artikelen in Paris-Soir zijn een apart verhaal waard. Hij gaf, voor zover mogelijk, zijn ogen goed de kost en onderscheidde zich van ‘nuttige idioten’ als Beatrice Webb en Georges Bernard Shaw, die zich een rad voor de ogen lieten draaien en terugkeerden met bijna misdadige lofzangen op de jonge Sovjet-staat.

Het artikel van De Saint-Exupéry over de ramp met de ANT-20, die aan 49 mensen het leven kostte, verscheen op 20 mei in de krant, twee dagen dus na het ongeluk. Uitgebreid beschrijft hij zijn vlucht in het indrukwekkende toestel (“l’appareil, gloire de l’aviation Soviétique”), met comfortabele stoelen, een bibliotheek, een drukkerij, een telefooncentrale (voor de communicatie tussen de bemanningsleden) en slaapplaatsen in de lange vleugels, die een spanwijdte hadden van 63 meter. Door de ruime ramen had hij een prachtig uitzicht: “Moscou tournait lentement sous l’avion.” En dan schrijft De Saint-Exupéry bijna laconiek: “Le lendemain, le Maxime Gorky n’existe plus.”

De ANT-20 leek veilig genoeg. Al twee keer had het bij feestelijkheden over het Rode Plein gevlogen (op 19 juni 1934 bij de verwelkoming van de Tsjeljoesjkins, met Stalin en Maksim Gorki onder het publiek, en op 1 mei 1935). Voor de noodlottige vlucht van 18 mei waren medewerkers met familieleden uitgenodigd van het Tsentralny Aerogidrodinamitsjeski Institoet, het door Anton Toepolev geleide constructiebureau dat de ANT-20 had ontworpen. 

Het toestel werd begeleid door twee vliegtuigjes, met in één daarvan een cameraploeg. Vermoedelijk onder druk gezet, voerde de piloot van het andere vliegtuigje voor een mooi shot een looping uit. En dat ging mis. Zijn toestel boorde zich in de ANT-20 Maksim Gorki en beide vliegtuigen stortten neer. De ANT-20 kwam deels terecht op een boerenhuis, waar twee mensen om het leven kwamen. Zij zaten, schrijft De Saint-Exupéry, net aan de thee.

De ANT-20 was bedoeld als concreet propaganda-instrument: de drukkerij kon brochures drukken die na de landing in verre oorden konden worden uitgedeeld. Ook was er een projector aan boord waarmee ter plekke films konden worden vertoond. Overwogen was om de wolken als projectiedoek te gebruiken, maar dat bleek technisch lastig. En uiteraard was het toestel op zich al een prachtig uithangbord, dat liet zien waartoe de Sovjetunie allemaal in staat was. De Saint-Exupéry: “…l’U.R.S.S. perd la meilleure preuve qu’elle possédât de la vitalité de sa jeune industrie.”    
De Fransman schrijft ook dat de ANT-20 Maksim Gorki op de fatale vlucht heen en weer naar Leningrad had moeten vliegen. Was dat gebeurd, en het toestel had over het centrum van de stad in het noorden gevlogen, dan was het tafereel dat Vasili Koeptsov op zijn schilderij van 1934 uitbeeldde, alsnog werkelijkheid geworden: de ANT-20 Maksim Gorki die over het Paleisplein vliegt.

Vasili Koeptsov - De ANT-20 Maksim Gorki (1934)

---------------

(Antoine de Saint-Exupery ontsnapte een half jaar na zijn Moskouse vlucht nogmaals aan de dood; hij overleefde een crash in de Libische woestijn. Maar zijn geluk was niet oneindig. Hij verongelukte op 31 juli 1944, nadat hij was opgestegen van Corsica voor een verkenningsvlucht.)

Nicolaas II in Parijs, of: waar zijn de panorama’s van Pjasetski gebleven? - 1

-------------------

Er is wat meer tijd verstreken dan gebruikelijk sinds mijn vorige stukje hier. Dat komt: ik was met een onderzoekje bezig. De uitkomst? Kleurrijk, maar ook licht teleurstellend.

Wie dit weblog regelmatig leest, zal zich misschien de naam Pjasetski herinneren. Pavel Pjasetski. Hij was de maker van het grote, 914 meter lange panorama waarmee de bezoekers van de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs een indruk kregen van de Transsiberische Spoorlijn. Pjasetski, zo had ik gelezen, had ook een panorama op zijn naam staan gewijd aan de kroning van tsaar Nicolaas II in 1896. Dát wilde ik weleens zien.   

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik heb er niets van kunnen vinden, geen enkele afbeelding …

Er waren wel degelijk aquarellen van Pjasetski met afbeeldingen van Nicolaas II, zo ontdekte ik al snel, maar die maakten deel uit van een heel ander panorama. Dát panorama was gewijd aan het korte verblijf van de tsaar in Parijs in 1896 – dacht ik. Vooruit, besloot ik, dan schrijf ik daar maar een stukje over. De afbeeldingen die ik tegenkwam, waren immers best de moeite waard. Kijk maar:

Het koninklijke jacht Sjtandart arriveert te Duinkerke, zo stond erbij vermeld. Het leek me leuk om eens te kijken hoe de tsaar zelf die aankomst had ervaren en ik pakte zijn dagboek uit de kast. Ik bladerde naar 5-9 oktober 1896, de data van zijn Parijse verblijf, en vond … niks. Had Nicolaas dan net die paar dagen niets geschreven? Jazeker wel, hij was met zijn beminde Alexandra wezen wandelen in de Mathildenhöh-tuin. In Wiesbaden. Ik bladerde een paar dagen terug, en daar hadden ze de opera Hensel und Gretel bezocht. In Darmstadt.

Ik kwam akelig dicht in de buurt van mijn irritatiegrens, totdat ik – dom, dom, dom - plots besefte dat de bolsjewieken in 1918 de Russische kalender hadden aangepast, dat ik de data (5-9 oktober) in een Engelse bron had gevonden en dat tsaar Nicolaas, zich van nog geen nieuwlichterij bewust, in zijn dagboek gewoon de hem vertrouwde kalender had gevolgd. Om zijn aankomst met de Sjtandart in Duinkerke te vinden, moest ik gewoon nog wat verder terug in zijn dagboek.

En jawel hoor, op 22 september 1896 maken Nicolaas en Alexandra de oversteek vanuit Portsmouth naar Frankrijk. Op de Sjtandart? Nee, op de Poolster. En arriveren zij te Duinkerke? Nee, te Cherbourg. Dat is ook Frankrijk, maar het scheelt toch een paar zeemijlen.

Nu wordt er vaak getwijfeld aan de verstandelijke vermogens van Nicolaas II, maar dat hij zich in zijn dagboek vergist in de naam van zijn boot én in de Franse stad waar hij arriveerde, dat geloofde ik niet. Ik begon te twijfelen aan Pjasetski … Hij was behalve schilder ook arts en had ik niet ergens gelezen dat hij heilig geloofde in de helende werking van kefir? Had híj zich dan vergist? Of was de route van de tsaar plots veranderd, nadát Pjasetski al aan zijn panorama was begonnen, en had hij gedacht: bekijk het maar, bij mij gaat Nicolaas nog gewoon naar Duinkerke? In elk geval staat ‘Dunqerke’ duidelijk vermeld op de zuilen op onderstaand aquarel van Pjasetski, dat uit dezelfde reeks komt als de bovenstaande afbeelding met de Sjtandart in de haven van Sherbourg …

Laat ik meteen Pjasetski van alle blaam zuiveren. Nicolaas en Alexandra reisden twee keer naar Parijs, in 1896 en in 1901. Die kennis had ik even niet paraat en vandaar de verwarring. Overigens inspireerden beide reizen Pjasetski tot een panorama. Wat er van beide werken (en van Pjsasetsksi’s andere panorama’s) nog rest – daarover de volgende keer meer.

Hier deel 2.

Hoe met de Franse Opéra en een kilometer aan aquarellen de Transsiberische Spoorlijn werd gepromoot - 2

---------------

Op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs waren maar liefst twee panorama’s te zien waarmee Rusland de Transsiberische Spoorlijn onder de aanbracht bracht. Voor de ontwikkeling van Siberië waren buitenlandse investeerders nodig en de tot de verbeelding sprekende spoorlijn (in 1900 nog niet voltooid) was een uitstekend uithangbord. Beide panorama’s waren ondergebracht in het Pavillion de l’Asie russe et de la Sibérie.

De bezoekers van het paviljoen konden plaatsnemen in een wagon, waarna voor de ramen met behulp van schuivende panelen de illusie werd gewekt van een voorbij glijdend Siberisch landschap. (Zie deel 1.) De beschilderde panelen zullen artistiek van weinig waarde zijn geweest, al valt dat niet meer met zekerheid te zeggen; ze zijn niet bewaard gebleven. Artistiek interessanter was in elk geval het tweede panorama, dat bijna een kilometer aan aquarellen besloeg, en dat wel bewaard is gebleven. Het bevindt zich in de Hermitage in Sint-Petersburg.

De aquarellen, die enigszins naïef aandoen, zijn het werk van Pavel Pjasetki (1843-1919). Bij elkaar vormden ze met 940 meter het langste schilderij ter wereld. De bezoekers hoefden al die meters niet zelf af te leggen. Ze konden plaatsnemen voor een kist van een halve meter hoog en enkele meters lang. Daarin werden de aquarellen, verdeeld over acht rollen, voor het publiek afgedraaid.

Pjasetski toont hier een eerder panorama, dat van de Trans-Kaspische Spoorlijn.

Het complete panorama telde negen rollen en toonde landschappen, bruggen en steden vanaf de Wolga tot aan de Stille Oceaan. De laatste, negende rol, met het traject vanaf het Bajkalmeer tot aan Vladivostok, was ten tijde van de Wereldtentoonstelling in Parijs nog niet klaar. Het werk aan het panorama was namelijk niet helemaal gladjes verlopen. Pjasetski, behalve schilder ook arts, kreeg de opdracht voor de aquarellen van de directie van de Transsiberische Spoorlijn. Er ontstond een conflict over het honorarium, waarna tsaar Nicolaas II de betaling van Pjasetski voor zijn rekening nam. Vanaf 1894 was de kunstenaar op verschillende plekken getuige van de aanleg van de spoorlijn. Hij had een fiets bij zich om in de omgeving schetsen te kunnen maken. Later kreeg hij dankzij de bemoeienissen van de tsaar een eigen atelierrijtuig.

Pavel Pjasetski op de fiets

Brug over de Ob

Omsk

Spoorbrug bij Omsk in aanbouw

De aanleg van het spoor

Luxe wagon 'opengeklapt'. 

Kapel aan boord


Psjasetski had eer van zijn werk. Het panorama, dat hij in Parijs zelf bediende, werd door de jury van de Wereldtentoonstelling beloond met een gouden medaille. Zelf ontving hij de Légion d'Honneur. De aquarellen, die ook nog getoond werden op de Wereldtentoonstelling van 1904 in het Amerikaanse St.Louis, belandden uiteindelijk in de Hermitage in Sint-Petersburg. Daar werden ze begin deze eeuw gerestaureerd en in 2007, ter ere van het 170-jarige bestaan van de Russische spoorwegen, tentoongesteld in het Vitebsk Station. Het is bijzonder ergerlijk dat ik die tentoonstelling, ook nog eens in het mooiste station van Sint-Petersburg, compleet heb gemist.   

Hier deel 1.

Bronnen:

- Фритьоф Беньямин Шенк - Поезд в современность (Moskou, 2016), een vertaling van: Frithjof Benjamin Schenk -  Russlands Fahrt in die Moderne (2014).
- Arjan den Boer – Panorama Transsibérien (2014).

(Wie, enthousiast geworden door bovenstaand artikel, meer wil weten over de twee genoemde panorama's: kijk uit voor de informatie op Wikipedia. Beide worden daar op wonderbaarlijke wijze samengevoegd tot één geheel. De schilder Pjasetski wordt aangezien voor de maker van het door Wagons-Lits geleverde panorama en de 'passagiers' zien volgens Wikipedia vanuit de trein zíjn aquarellen voorbijkomen. Dat klopt niet.)