Prachtige hulp bij het (her)lezen van Anna Karenina – 1.

————————

Keira Knightley (2012) en Sophie Marceau (1997) als Anna Karenina

——————-

In de vroege jaren van de twintigste eeuw zien voorbijgangers in Moskou af en toe een oude vrouw zitten bij het standbeeld van de dichter Aleksandr Poesjkin op de Tverskoj Boulevard. Het is Marija Aleksandrovna Gartoeng. De passanten zullen niet vermoed hebben dat daar de oudste dochter van Poesjkin zat, en al helemaal niet dat deze oude dame gediend had als prototype van de hoofdrolspeelster in Lev Tolstojs beroemde roman Anna Karenina.

Marija Gartoeng had geen gemakkelijk leven achter de rug, met een echtgenoot die zelfmoord had gepleegd na valselijk te zijn beschuldig van oplichting. Maar het was niet die ellendige levensloop waar Tolstoj inspiratie uit putte; Gartoeng vinden we in zijn roman slechts terug in het uiterlijk van Anna Karenina. De schrijver had Gartoeng ontmoet in 1868 op een soiree in Toela en was, zo herinnerde zijn zuster zich later, danig van haar onder de indruk. In een van de manuscripten van Anna Karenina wordt de hoofdpersoon zelfs een keer ‘Poesjkina’ genoemd en bij de beschrijvingen van haar haar uiterlijk moet Tolstoj haast wel de oudste dochter van Poesjkin voor zich hebben gezien.

I. Makarov: Marija Gartoeng (1860)

Voor doorgewinterde Tolstoj-vorsers is dit allemaal geen nieuws – voor mij was het dat wel. Ik las het in Подлинная история Анны Карениной (De ware geschiedenis van Anna Karenina) van Pavel Basinski. Basinski schreef eerder over leven en werk van Tolstoj en met zijn boeken maakte hij zich geliefd – ook bij mij. Vooral zijn Бегство из рая (Vlucht uit de hemel, in het Engels verschenen als Flight from paradise) maakte indruk. Ik schreef er indertijd een stukje over. Voor zijn De ware geschiedenis van Anna Karenina kreeg hij in 2022 de Grote Boek-prijs (премия Большая книга).  

Ook Подлинная история Анны Карениной is weer een heerlijk boek. Om Basinski zo veel mogelijk recht te kunnen doen, herlas ik eerst de roman van Tolstoj. Dankzij mijn verse lees-indrukken viel Basinski in vruchtbare aarde.

Je zou het op grond van de titel van zijn boek misschien verwachten, maar het is zeker niet zo dat Basinski allerlei geheimen onthuld rond Tolstojs roman. Deels geeft hij zíjn interpretatie van Anna’s zieleroerselen, deels belicht hij simpelweg concrete dingen uit het Rusland van toen.

Welke dans dansten Anna en Vronski op het befaamde bal? Ik hoor u zeggen, mogelijk op het verkeerde spoor gezet door de verschillende verfilmingen: een wals! Nee, Vronski danste die avond de wals met Kiti. Basinski beschrijft de ongeschreven wetten op zo’n avond van de hoogste kringen en legt uit waarom Vronski de wals niet met Anna kón dansen en juist wel met de van hoop vervulde Kiti. Die evengoed een flinke domper te verwerken krijgt, omdat Vronski de mazoerka dan weer niet met haar danst, maar juist met Anna. “De mazoerka was de belangrijkste dans, die sinds de 18de eeuw werd gezien als de ‘plek’ waar over het lot werd beslist en huwelijken werden gesmeed”, schrijft Basinski. De mazoerka was ook nog eens de dans waarmee het eerste deel van het bal werd afgesloten en bij de maaltijd die daarop volgde, zaten de partners van die laatste dans doorgaans bij elkaar. Dat alles zag Kiti aan haar neus voorbijgaan.

Nog zoiets waar je als lezer uit de 21ste eeuw even op gewezen moet worden: de gerechten die Stiva Oblonski bestelt wanneer hij Levin heeft uitgenodigd voor een lunch in een Moskous restaurant. Tot de vereiste ingrediënten (niet genoemd door Tolstoj, wel door Basinski) behoren onder meer tuinkruiden. En die moesten – het is februari - van ver worden aangevoerd. Voor de Russische lezer is dan meteen duidelijk dat deze “gastronomische liederlijkheid” (Basinski) zich afspeelt in een wel zeer exclusieve eetgelegenheid.

Veel dichter bij het drama van Anna komt Basinski met zijn details over de regels rond een scheiding in geval van overspel. Om zo’n scheiding rond te krijgen, dienden er van dat overspel verklarende getuigen te zijn. Die konden doorgaans wel ergens worden gevonden, tegen betaling uiteraard, zelfs al hadden die nog nooit van het gebrouilleerde echtpaar gehoord. Was de scheiding eenmaal uitgesproken, dan had de bedriegende partij niet meer het recht om met wie dan ook te hertrouwen. Voor Anna zou dat een veroordeling betekenen tot een ten diepste vernederend bestaan als verstotene. 

Anna’s echtgenoot, Aleksej Karenin, die bij de meeste lezers weinig sympathie zal oproepen, komt er bij Basinski redelijk goed vanaf. Hij zit ook maar gevangen in de strikte conventies van zijn stand. En hij toont zich bereid om bij de scheiding de rol van bedrieger op zich te nemen, waardoor Anna kan hertrouwen en ook haar zoon niet verliest. Die christelijke goedertierenheid, waarmee Karenin zichzelf op een voetstuk plaatst, ver verheven boven Anna, is voor haar niet te verdragen. Een kwaadaardige echtgenoot bedriegen, dat was te verdedigen. Daar kon men begrip voor opbrengen, dat kon, zolang het maar niet te openlijk gebeurde, door de beugel. Accepteert Anna de scheiding zoals aangeboden door haar echtgenoot, dan wordt ze in de rol gedwongen van een vrouw die misbruik maakt van de goedheid van haar man. Ze vlucht met Vronski naar Italië, zonder scheiding.

Pavel Basinski

In de ogen van Basinski is het dus niet echtgenoot Karenin die Anna tot zelfmoord drijft. Vronski dan? Ook niet. Die gedraagt zich “onberispelijk”. Hij offert zijn carrière voor haar op, gaat met haar naar het buitenland zodat ze tot zichzelf kan komen en biedt haar na terugkeer onderdak op zijn landgoed, uit de buurt van alle boze tongen in de hoofdstad. Basinski, verwijzend naar de harde val van Vronski tijdens de paardenrennen: “Vronski had geen schuld aan de zelfmoord van Anna, zoals hij ook geen schuld had aan de toevallige fout die hij tijdens de springwedstrijd maakte, waarbij hij de rug brak van Froe-Froe.”

Nee, het zijn volgens Basinski drie vrouwen die schuldig zijn aan Anna’s dood: Betsi Tverskaja, Lidija Ivanovna en vooral Vronski’s moeder, gravin Vronskaja. Zíj achtte een relatie van haar zoon met iemand uit de hogere kringen – niet per se met Anna Karenina – wenselijk, want zoiets gaf extra cachet, gaf extra aanzien, het maakte het imago van een veelbelovende jonge man af. Dat was geen uitzonderlijke opvatting. Een tante van Tolstoj, zo schrijft hij in het niet lang na Anna Karenina verschenen Mijn Biecht, wenste hem boven alles een liaison toe met een getrouwde vrouw, want “rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut”. Voor gravin Vronski verschafte de affaire van haar zoon met Anna daarnaast nog een ander, meer venijnig soort voldoening. Ze zag erin bevestigd dat de ontrouwe Anna in feite hetzelfde was “als alle mooie vrouwen”. 

Maar het spel verloopt niet zoals voorzien, vooral door het karakter van Anna. Die daagt, in de woorden van Basinski, “het systeem” uit. (Wat culmineert in – voor mij – de aangrijpendste scène in het boek: Anna’s bezoek aan het theater, waar ze de minachting trotseert van de kring die haar heeft verstoten.) Gravin Vronskaja ziet dat de affaire de reputatie van haar zoon helemaal niet dat extra beetje glans geeft, maar hem juist schade berokkent en hem richting de ondergang voert. Daarop haalt ze een nieuwe kaart uit haar mouw: de jonge prinses Sorokina. Zou het, zo stelt ze haar zoon voor, niet wat zijn als hij met haar zou trouwen? Vronski vertelt Anna lachend over dat “domme” idee van haar moeder. Maar Anna begrijpt meteen dat de gravin helemaal niet dom is en dat de machinaties om haar definitief uit te schakelen in gang zijn gezet. Wanneer ze Vronski en Sorokina in door de gravin bekokstoofde omstandigheden samen ziet, valt ze over de rand en verliest ze gaandeweg haar verstand.

“Anna Karenina lezen is niet alleen een genoegen, het is ook hard werken voor de lezer”, schrijft Basinski. Wat dat harde werken betreft: Basinski’s boek is daarbij een prachtige steun in de rug dat het genoegen aanzienlijk vergroot, zelfs al is dat achteraf. Eérst Basinski lezen en dan pas Anna Karenina? Dat lijkt me niet, dan krijg je wel heel veel spoilers op je bord. En bovendien geeft het, verrassend genoeg, veel voldoening, wanneer je door Basinski allerlei details krijgt voorgeschoteld waar je glad overheen had gelezen. Zo zou ik hier nog, dankzij De ware geschiedenis van Anna Karenina, iets kunnen vertellen over die naam van Vronski’s paard, Frou-Frou. Of over Vronski’s tanden. Maar het genoegen om dat te ontdekken is alleen maar groter wanneer u zelf Basinski leest.

———————

Deel 2.

Rusland als derdewereldland: het rampzalige isolement dat Poetin over zijn land heeft afgeroepen

————————-

Astrachan, 2019. Leden van de militairistische ‘padvinderij’ Joenarmija. (Foto: Egbert Hartman)

——————

Dit is een iets ingekorte vertaling van een artikel van blogger Dmitry Chernyshev. Met onderaan enkele opmerkingen van mijzelf.

Poetin heeft niet alleen het verleden en heden van Rusland door de wc gespoeld, maar ook de toekomst. De inwoners van Rusland zien alleen de rechtstreeks gevolgen van de oorlog (eindeloze rijen van nieuwe graven, de gemilitariseerde economie, stijgende prijzen, enz.), maar dat is slechts het topje van de ijsberg. Rusland verrandert razendsnel in een derdewereldland. In een voor niemand interessante, armoedige, uitgewoonde provincie, waar alleen de geestelijke waarden van de tsjekisten en van het militair patriottrisme opgeld doen, en verder niks.

Door de Russische wetenschap kan al een streep gehaald worden. Tienduizenden van de beste geleerden zijn vertrokken. Wetenschappelijke banden zijn verbroken, en er bestaat geen nationale wetenschap, zoals er ook geen Russische wiskunde of natuurkunde bestaat. Alle moderne wetenschap wordt gevormd door samenwerking van duizenden collectieven in heel de wereld. Geen enkele normale wetenschapper zal nog samenwerken met Rusland. De achterstand wordt snel groter en spoedig zal de kloof tussen Rusland en het Westen net zo groot zijn als die tussen Noord- en Zuid-Korea.

Rusland heeft een hele generatie slimme en talentvolle mensen verloren. Vertrokken zijn regisseurs, zakenlui, programmeurs, schrijvers, kunstenaars. Hun kinderen worden geboren en groeien op buiten Rusland. En innovaties hangen rechtstreeks af van de dichtheid van de creatieve klasse. Silicon Valley is niet ontstaan dankzij Stanford, maar door de samenklontering van talenten. Beneden een bepaalde dichtheid blijven innovaties uit.

Rusland verandert in een doodsbang land waar genieën niet overleven. Iedereen is bang voor verklikkers en spionnen. Al vijf jaar houdt niemand zich bezig met de infrastructuur (alles voor het front), en dus kan je wachten op tientallen technische ongelukken, die geweten zullen worden aan het gekonkel van vijandige agenten. Alle mislukkingen aan het front worden ook op het conto geschreven van spionnen en verraders – Rusland wordt onvermijdelijk overspoeld door een golf van spionnenmanie.

Rusland heeft niet alleen de toegang verloren tot wetenschappelijke ontdekkingen, maar ook tot de modernste technologieën. Terwijl het land tanks in elkaar nagelde, heeft het de revolutie gemist in AI, in biotechnologieën en op nog tientallen andere moderne terreinen. De achterstand bedraagt al minimaal vijftien jaar en wordt razendsnel groter. Maar dat is nog slechts kinderspel.

Het culturele isolement is nog erger dan het wetenschappelijke. Onderwijshervorming in Rusland kan je vergeten – spiritualiteit, patriottisme en militaire training zullen de mode bepalen. Men zal bang zijn om een slimme generatie te kweken – die vertrekt vervolgens, en waarom zou je de kaders kweken voor andere landen? Culturele uitwisselingen tussen scholen komen er niet meer, want stel dat de kinderen het daar leuk vinden en daar blijven? Van Peter de Grote weten we dat hij het raam op het Westen heeft opengehakt. Dat wordt nu dus weer stevig dichtgemetseld. En zonder culturele uitwisseling verandert een land in een moeras.     

Je hebt de term soft power: het vermogen om invloed uit te oefen op de buren door een aantrekkelijke cultuur, door aantrekkelijke waarden, een manier van leven – en niet door militaire kracht. Er kwamen buitenlandse studenten naar Rusland, de Russische taal werd verstaan in alle landen van de voormalige USSR – dat wordt allemaal verleden tijd. Er waren mensen blij over de breuk met het Bologna-onderwijssysteem? Wel, kinderen met talent komen niet meer naar Rusland om te studeren, het diploma dat ze halen wordt door niemand erkend. Het Russisch wordt snel vergeten, mensen willen de taal van de agressor niet meer spreken.

Osjevensk, provincie Archangelsk, 2018. (Foto: Egbert Hartman)

U denkt dat het massale wegpompen van mensen uit de dorpen naar het front zonder gevolgen zal blijven? Vergeet het maar. Het uitsterven van de provincie versnelt in hoog tempo. In het noorden van Europees Rusland wonen al twee keer zo weinig mensen als dertig jaar geleden. In heel het uitgestrekte Verre Oosten wonen nog maar een paar miljoen mensen. Heel het land klontert samen in een paar grote steden, de rest verandert in een onbevolkte woestenij.

En binnen Rusland begint de ‘interne emigratie’. Dronkenschap en kletsen aan de keukentafel. De horizontale banden tussen mensen gaan kapot. Daardoor verliezen innovaties aan snelheid -  niet omdat er geen technologieën zijn, maar omdat niemand een ander nog vertrouwt. De oorlog fixeert het bewustzijn op ‘wegkruipen en overleven’. Dat is het precies het tegenovergestelde van ‘je ontwikkelen en experimenteren’. Intelligente en eerlijke mensen gaan niet werken voor een misdadig regime, waardoor de negatieve selectie voortgaat.

De uiterst belangrijke economische complexiteitsindex (ECI) is een rangschikking naar variatie en complexiteit van exportgoederen. Rusland bezette tot aan de oorlog een middenpositie (grondstoffen en enkele hoogwaardige technologieën), maar is inmiddels ver weggezakt. De hoog-technologische export is dood (sancties plus uitstroom van kaders) en Rusland keert snel snel terug naar een mono-economie (olie, gas, graan). Een valkuil voor tientallen jaren, waar je erg moeilijk weer uitkomt. En een daling van de gas- en olieprijzen is catastrofaal – het land produceert nauwelijks zelf iets.

De dominante positie van de tsjekisten en andere machtsstructuren (силовики) is niet alleen dodelijk voor wetenschap en cultuur, maar ook voor de economie. Een hele generatie ondernemers in Rusland gaat verloren. Wat hebben startups nodig? Investeerders, een eerlijk rechtssysteem, technologieën en succesvolle ondernemers als voorbeeld. En je moet je onderneming kunnen uitbreiden en toegang hebben tot de wereldmarkt. Maar wat hebben we in werkelijkheid? De rechtsspraak is tot op het bot verrot, elk bedrijf kan je met één telefoontje worden afgepakt. Grote investeerders zijn vertrokken. Je hebt geen toegang tot de wereldmarkt, want ben jij niet toevallig een spion? Denk aan het mopje over Elon Musk: “Waarom is SpaceX in Rusland onmogelijk? Omdat Musk al in de cel zou zijn beland vanwege PayPal.” En waarom zou je dan investeren in je bedrijf, risico’s nemen en achttien uur per dag werken, als morgen tsjekisten of Tsjetsjenen alles van je afpakken?

En alles wat hier is opgesomd, is maar een deel van de negatieve factoren. Hun effect vermenigvuldigt zich: hoe slechter de situatie wordt, hoe sneller alles achteruitgaat. De immateriële verliezen door de oorlog zijn voor Rusland veel groter dan de materiële. De toekomst zijn niet de technologieën, de toekomst is de cultuur die die technologieën voortbrengt. Landen gaan veel vaker ten onder aan het onvermogen om zichzelf te vernieuwen, dan aan nederlagen of Pyrrus-overwinningen.

Dmitry Chernyshev, 25 november 2025.

———————

Nizjni Novgorod, 2018. (Foto: Egbert Hartman)

———————

Dmitry Chernysjev, woonachtig in Israël, is niet van de subtiele betogen. Maar al komt slechts de helft van zijn voorspellingen uit, dan nog is de schade die Poetin in Rusland aanricht van misdadige proporties. De merites van Chrenysjevs uitspraken over de economie kan ik niet goed beoordelen. Wel ben ik thuis op het gebied van onderwijs, en dan met name waar het internationale uitwisselingen betreft. Ik was zo’n buitenlandse student die naar Rusland kwam, samen met – verspreid over meerdere jaren – (vooral) andere slavisten. Een aantal van ons groeide uit tot oprechte, betrokken ambassadeurs van de Russische cultuur, met kennis uit eerste hand; personificaties van de soft power – zonder dat we daarbij (een enkele uitzonder daargelaten) de ogen sloten voor de minder aangename kanten van de Russische samenleving. Die deur is dicht, het raam is dichtgemetseld, de banden zijn verbroken. Waarbij nog moet worden opgemerkt dat niet alleen Rusland hier schade van ondervindt. Kennis van het Russisch en van Rusland is – een open deur - van groot belang. Het zal aan die kennis in Nederland steeds meer gaan ontbreken. Totdat uiteindelijk niemand hier nog weet hoe het in Rusland ruikt

——————-

Catharina de Grote en haar strijd – met Engelse hulp - tegen het pokkenvirus

————————-

Catharina en Zemfira. (Schilderij: V. Borikovski)

De mensen die het verband kennen tussen de elegante hazewindhond op dit schilderij van Catherina de Grote en het pokkenvirus, zijn in de minderheid. Ik trad toe tot deze selecte groep bij lezing van The Empress and the English Doctor van Lucy Ward. De hond heette Zemfira en was een nakomeling van twee honden die de tsarina werden geschonken door de Engelse dokter Thomas Dimsdale.

Deze Dimsdale (1712-1800) was een succesvol pionier op het gebied van inenting tegen het pokkenvirus, dat regelmatig een dodelijke rondgang maakte door Europa. De faam van Dimsdale, die moest oproeien tegen een stroom aan angsten, vooroordelen en complottheorieën (Ward schreef haar boek deels tijdens de corona-epidemie en laat uiteraard niet na om op de parallellen te wijzen), bereikte het Russische hof. Catherina, die zich graag liet voorstaan op haar verlichte vooruitstrevendheid, nodigde de Engelsman uit. Dimsdale verbleef maandenlang in Sint-Petersburg. De tsarina onderwierp zichzelf en haar kinderen aan een inenting en met haar als boegbeeld werd er een heus inentings-programma opgezet. Aanvankelijk waren het vooral de hoogste kringen die hiermee werden bereikt, maar gaandeweg kwam het vaccin ook ter beschikking van het gewone volk, al gebeurde dat gezien de omvang van het land en de gebrekkige bestuurlijke en medische infrastructuur (en ook de angst en weerstand) bij lange na niet in voldoende mate om Rusland van het virus te vrijwaren.

Een boeiend boek, maar wie vooral in Rusland is geïnteresseerde: Lucy Ward schrijft voor een vrij groot deel over de geschiedenis van het vaccin in Engeland en de strijd die Dimsdale daar moest voeren voor acceptatie. Die kwam er en het leverde hem, de behandeling was niet gratis, een fortuin op.

Inentings-hospitaal aan de Angara, regio Irkoetsk (1790)

——————

The Empress and the English Doctor belandde op de korte lijst van de Pushkin House Book Prize voor 2022. De winnaar dat jaar werd Not one inch. America, Russia and the making of the post-cold war stale mate, van M.E. Sarotte.

——————

Fietstocht door Russisch Karelië – Valaam was net niet te ver weg - 3

———————

35 jaar later, aan de oever van het Ladogameer

——————

(Deel 1 en deel 2.)

Hoe nu verder? Hoe komen we op tijd in Sortavala om vandaar nog de boot naar Valaam te kunnen nemen voor een verblijf daar dat nog past in ons reisschema? Dat is tenslotte het beoogde hoogtepunt van onze 300 kilometer lange fietstocht. Na enig geruzie wordt besloten om af te buigen naar Elisenvaara  en daar een boemeltreintje te nemen. Zonder risico is dat niet. Zo’n elektritsjka komt in deze streken misschien twee keer op een dag voorbij, de dienstregeling kennen we niet en het is zeker niet uitgesloten dat er nog veel meer mensen op die trein willen stappen. Bij het gedrang dat dan kan ontstaan – ik heb daar in Rusland eerder aan deelgenomen – ben je als groep met fietsen en bagage nogal in het nadeel.

In de loop van de ochtend bereiken we het stationnetje van Elisenvaara. Er stopt een boemeltrein die vertrokken is uit Sortavala. Aan het eind van de dag, terug naar Sortavalaa, stopt ze hier opnieuw en dan moeten we aan boord zien te komen. Het valt gelukkig mee: alles moet wel vlug, vlug, maar dringen hoeven we niet. Het treintje rijdt ons kalm door de machtige, warme naaldbossen, langs minuscule gehuchtjes als Akkacharjoe, Koemmoenioki en Koeokkoniemi. Een zitplaats heb ik niet. Met mijn rechtervoet op een bagagedrager probeer ik de druk een beetje af te halen van mijn enkel. Vooral die rechter zit onder de bulten. “Ga op Valaam meteen maar even langs bij de medische post”, zegt onze reisleider.

Op het stationnetje van Elisenvaara mag een jochie even meerijden op een van onze fietsen.

Tegen middernacht, in de schemering van het hoge noorden, komen we aan in Sortavala. Er hangt onrust in de lucht, een combinatie van drukkende zomerwarmte en drank; het is vrijdag en de alcoholische inwijding van het weekeinde is in volle gang. We zijn vreemde eenden in de bijt. We strijken neer op een industrieterrein aan de haven. Wanneer ik eindelijk op mijn matrasje lig, hoor ik buiten opgewonden stemmen: “Hé toeristen! Zullen we ze aan het schrikken maken!” Er gebeurt niks, we worden met rust gelaten. De volgende ochtend vertelt onze reisleider dat hij de hele nacht voor onze tenten de wacht heeft gehouden.

Op de boot naar Valaam wordt de tactiek doorgenomen voor de eerste minuten op het eiland. Dat het niet zeker is of we er überhaupt onze tenten mogen opslaan, verbaast me na de afgelopen dagen vol improviseren al niet meer. Het plan is simpel: na aankomst moeten we snel uit het zicht verdwijnen van de monniken in de kloostergebouwen en een klein stukje het bos inrijden. Daar zal de groep op mij wachten terwijl ik naar mijn enkel laat kijken. Een vriendelijke non geeft me gratis een injectie (“u gaat het nu even warm krijgen”) en zegt me de volgende morgen terug te komen voor een tweede prik.

We fietsen tussen de bomen door naar de oever van het Ladogameer. Het is een tochtje van een paar minuten, maar mij voert het 35 jaar terug, naar de jaren zestig, toen ik als jochie gegrepen werd door het boek Boris van Jaap ter Haar. Zijn vader reed mee in de konvooien over het bevroren meer die in de Tweede Wereldoorlog een riskante levenslijn vormden voor het belegerde Leningrad. Het was mijn eerste kennismaking met Rusland. Zeker weten doe ik het niet, maar ik denk dat mijn fascinatie voor dat land, die zo vormend is geweest voor mijn leven, daar is begonnen.  

“In zijn droom reed Boris met zijn vader mee. ‘Naar links!’ mompelde hij in zijn slaap. ‘Vader, naar links, naar links…!’ Hij wilde die woorden uitschreeuwen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. In zijn droom zag hij het rustige en zo vertrouwde gezicht van zijn vader als in een film vóór zich. Vader keek door de bevroren voorruit naar het ijs, naar de sporen die de wagens vóór hem trokken door de sneeuw. Hij draaide echter zijn stuur niet naar links, maar naar rechts…

… Het gekraak van het ijs overstemde het geronk van de motor. Het voorwiel zakte log door de sneeuwlaag. De wagen stokte. Dáár ging het achterwiel. Dreunend klapte de laadbak vol kisten en zakken op het scheurende ijs. Donker water kleurde de sneeuw… Langzaam, tergend langzaam zonk nu ook vaders wagen tussen de schotsen in het ijskoude water van het Ladoga-meer. Dieper, steeds dieper…

Met een schok werd Boris wakker. Opnieuw had hij gedroomd van het konvooi waarbij zijn vader het leven had verloren.”

Ik sta aan de oever van het meer en denk aan Boris, aan zijn vader, en aan die paar alinea’s die ik niet onberoerd kan lezen.

——————-

De volgende ochtend, na een ontbijt aan het water, pak ik de fiets. Waar ik heenga, vragen de anderen. “Mijn tweede prik halen”, leg ik uit. Verbazing is mijn deel: “Een gehoorzaam volkje, die Hollanders.”   

——————-

Op de boot terug van Valaam naar Sortavala. Vandaar ging het per trein naar Sint-Petersburg. Het zat erop.

Fietstocht door Russisch Karelië – Valaam was net niet te ver weg - 2

————————

“… kiezend voor de op het oog sterkste boomstammetjes halen we een voor een de overkant.”

—————————-

(Hier deel 1)

Valaam is niet het enige eiland op onze 300 km lange fietsroute. Vanuit het half vergane dorp Vladimirovka aan het Ladogameer maken we de korte oversteek voor een bezoek aan het kloostereiland Konevets. Dit deel van Karelië is niet onomstreden. Het werd in de Winteroorlog door de Sovjetunie veroverd op Finland, in de Tweede Wereldoorlog heroverd door de Finnen en na de oorlog weer door Moskou geannexeerd. Op de boot naar Konevets maak ik een praatje met de 78-jarige Finse Esteri Koljonen, die met haar kleinkinderen een reis maakt door haar geboortestreek. In 1944 moest ze vluchten uit Sakkola. Verbitterd is ze niet, maar het doet haar wel pijn om te zien hoe het gebied er na jaren Russisch wanbeleid aan toe is: “Er was vroeger veel  meer landbouwgrond in gebruik, veel velden liggen er nu verloren bij.” Volgens haar kleinzoon Pauli is ‘Karelië’ voor zijn generatie nauwelijks een issue: “Het zou veel geld kosten om hier weer iets van te maken. En stel dat we het terugkrijgen, wat doe je dan met al die Russen die hier nu wonen?”

De Finse Esteri Koljonen met haar kleinkinderen

Het Russisch-Orthodoxe klooster op Konevets werd na de Tweede Wereldoorlog eigendom van het leger. Dat woonde het volledig uit. Het kerkhofje (handig, met vier muren eromheen) werd een voetbalveldje. In 1991 kreeg de kerk het klooster terug. De restauratie verloopt langzaam, maar de kloosterbakkerij werkt in elk geval uitstekend. Met vijf warme broden verlaten we het eiland.         

En voort gaan we met onze tocht, rijdend op kaart, kompas en tegenstrijdige adviezen van de plaatselijke bevolking. Als het kan, pauzeren we voor de lunch bij een meertje. Op de eerste dag neem ik de gelegenheid te baat om me, tot aan m’n middel in het water, voor het eerst en het laatst in Karelië, te scheren. Daarmee scoor ik minpunten bij de groep, want zoiets doe je niet tijdens  een verblijf in de natuur. Dat krijg ik te horen op de laatste dag: “Toen je daarmee ophield, werd je één van ons.”

Op een steeds smaller worden paadje, waar opschietend gras en piepjonge boompjes het fietsen steeds lastiger maken, begin ik me ernstig af te vragen of we nu dan eindelijk toch echt verdwaald zijn. Want hoe lang geleden is het dat híer iemand gereden of zelfs maar gelopen heeft? Dat moet heel lang geleden zijn, concludeer ik bij het aanzien van de brug die plots voor ons opdoemt. Want wie waagt zich daar nog overheen? Nou, wij dus, maar – heel verstandig - niet met z’n allen tegelijk. De reisleider neemt zijn verantwoordelijkheid en beproeft de stevigheid van de constructie. Die lijkt het te houden en voorzichtig kiezend voor de op het oog sterkste boomstammetjes halen we een voor een de overkant. Nu, 25 jaar later, zou ik best nog eens willen gaan kijken hoe die brug het tegenwoordig vergaat, maar ik acht de kans vrij klein dat ik dat staketsel, indien nog ‘in tact’, terug zal kunnen vinden.

Dan, op 183 km van Sint-Petersburg, in het dorpje Koerkijoki, op een heuvel waar door de eeuwen heen drie kerken hebben gestaan (de laatste brandde in 1991 af), raken de gemoederen plots flink verhit. Het reisbureau dat de route heeft uitgestippeld, heeft zich een beetje vergist. Van hier naar Sortavala, waar we de boot naar Valaam willen nemen, is het geen 40, maar 80 kilometer. Dat trekken we niet meer, met deze hitte, op deze wegen. Er wordt geruzied. Hoe nu verder? Als een internationaal waarnemer houd ik me buiten dit binnenlands conflict. Ik wacht af en maak me ondertussen vooral zorgen over de bulten rond mijn enkels; welk gemeen insect heeft me daar nou toch te pakken gehad?        

Hier deel 3.

Fietstocht door Russisch Karelië – Valaam was net niet te ver weg - 1

————————-

Het was een leerzame tocht, in de zomer van 2001, met als belangrijkste les: voor improviseren ben ik niet in de wieg gelegd – een stuk minder dan veel Russen in elk geval. Ik had me aangemeld voor een fietstocht van een week door Karelië, 300 kilometer in totaal, en me daarmee toevertrouwd aan de organisatorische vermogens van een klein reisbureau in Sint-Petersburg. Die vermogens bleken beperkt, maar dat werd dus ruimschoots gecompenseerd door het improvisatietalent van mijn kleine groep reisgenoten, drie man uit Moskou en de rest uit Sint-Petersburg.

Ongenaakbare naaldbossen, uitgestrekte weiden, hitte, slechte wegen en wolken van muggen boven ieders hoofd, en aan het begin van elke dag onzekerheid over de te volgen route en dus ook over de plek waar we onze tenten voor de nacht zouden opzetten. Zeker was wel het einddoel: Valaam, het eiland in het Ladogameer met zijn befaamde klooster. Onzeker werd gaandeweg of we dat doel ook zouden bereiken. Het werd alles bij elkaar een prachtervaring, die ik beslist aan me voorbij zou hebben laten gaan, indien ik een en ander van tevoren had geweten.

Ik was ervan uitgegaan dat íemand van het reisbureau het parcours al eens had gereden, voordat het als all inclusive (met fietsen, tentjes en proviand) in de markt was gezet, maar dat bleek een naïeve gedachte. Op de avond voor ons vertrek, toen er een kennismakingsbijeenkomst was belegd, kwam er een kaart van Karelië op tafel, een ritueel dat zich de volgende dagen nog meerdere keren zou herhalen. Op de vraag van een van mijn reisgenoten “of dit traject wel kon kloppen”, had de reisleider geen duidelijk antwoord. We zouden het ter plekke wel zien, zo was de stemming.  

De volgende ochtend vertrokken we met een boemeltreintje naar het startpunt buiten de stad, waar een busje de fietsen, tentjes en het proviand had afgeleverd. Dat was goed geregeld. Wel was voor mij de fiets, ook met het zadel in de hoogste stand, twee maatjes te klein, maar met mijn Hollandse fietservaring liet ik mij daar niet door kisten. Dit tot opluchting van de reisleider, die, zo vertrouwde hij me een paar dagen later toe, zich over mij wel een beetje zorgen had gemaakt: zo’n buitenlander, en al wat ouder dan de rest, wist die wel waar die aan begon?

Nee, dat wist ik dus niet, maar dat gold nog meer voor een van de vrouwen in de groep. Die was vooral mee omdat ze weleens naar Valaam wilde. De stevige fietstocht die daaraan vooraf zou gaan, had ze wat te luchtig opgevat. Veel ervaring had ze niet, erg veel fietskilometers had ze nooit gemaakt. Op het eerste de beste weggetje met wat zanderige stukjes belandde ze met haar flink bepakte fiets langzaam opzij vallend in de berm. Zij (en niet ik) was duidelijk de zwakste schakel. Het zorgde voor irritatie en af en toe een vilein grapje. Ging het heuveltje op, dan stapte ze af – ook in de lichtste versnelling kon ze de glooiingen niet aan. Wij wachtten haar dan bovenaan de ‘beklimming’ op en had ze zich puffend, met een rood hoofd, lopend naast haar fiets bij ons gevoegd, dan stapten wij meteen op om weer verder te rijden. “Zo jongens, pauze is voorbij!” Dat vond ze niet leuk.

“Zo jongens, pauze is voorbij!”

Het eerste echte obstakel bleek een rivier zo breed als de Maas bij Maastricht, de Boernaja geheten, wat zoveel betekent als ‘de wilde’. Dat viel op die plek reuze mee, maar omdat er van een brug die hier ooit moest hebben gelegen, niet veel meer resteerde dan de fundamenten (“Dat ding is kapotgeschoten in de oorlog”, deelde iemand met kaplaarzen en een hengel ons vriendelijk mee), zaten we toch met een probleem. De hoop was geweest dat we zouden kunnen overvaren. Nu lag er wel een bootje aan de overkant, maar de kans dat de eigenaar, zo die al zou opduiken, ons een voor een zou willen overzetten, leek ons niet groot. Het werd een omweg naar een echt veer, 20 kilometer verderop, gelukkig grotendeels over asfalt. In een bocht van de Boernaja stuitten we op een vervallen bunker en het leek ons dat vanhier die brug aan puin was geschoten.

Bij de rivier de Boernaja. In het midden onze reisleider.

In de loop van elke middag werd de vraag actueel: waar brengen we de nacht door? Dat moest in de buurt zijn van water, anders konden we ons niet wassen en ook onze boekweit- of havermoutpap (’s ochtends zonder en ’s avonds met stukjes blikvlees) niet koken. Meertjes stonden op de kaart wel aangegeven, maar daar werd dan weer niet bij vermeld hoe de oever erbij lag. Ontdekten we ter plekke dat die te dicht begroeid was, dan moesten we verder. Op een van de heetste dagen werd onze tocht op die manier met heel wat kilometers verlengd, terwijl ik door mijn watervoorraad heen was. Ik had in een van de dorpjes die we waren gepasseerd niet genoeg flesjes water gekocht. Toen we dan toch eindelijk ergens onze tentjes hadden opgezet, bracht een regenbui verlichting: in een plastic mok ving ik voldoende water op voor een paar slokken.

Ondertussen hadden zich rondom mijn beide enkels een paar vreemde bulten gevormd.

Hier deel 2

———————-

Rusland in de 20ste eeuw - 13: Frankrijk – USSR – Frankrijk: de wonderlijke levensweg van Nikita Krivosjein (en Dina Verni)

———————

Nikita Krivosjein met de onderscheiding Heilige Prins Daniel van Moscow, II klasse (een onderscheiding van de Russisch-Orthodoxe kerk), 2019. CC BY-SA 2.0

Zeer aanbevolen voor wie geïnteresseerd is in de emigratiegolf uit Rusland/Sovjetunie in de 20ste eeuw, en dan vooral in de emigratie naar Frankrijk: het al wat oudere boek Дважды француз Советского Союза (Tweemaal Fransman van de Sovjetunie) van Никита Кривошеин (Nikita Krivosjein). Krivosjeins levensloop is niet typerend voor de emigranten van die tijd, en juist daarom boeiend. Hij wordt in 1934 geboren in Parijs. Zijn moeder was Rusland in 1919 ontvlucht over het ijs van de Finse Golf, zijn vader Igor verliet het land met troepen van generaal Wrangel. Vader Igor nam in de Tweede Wereldoorlog deel aan het Franse verzet, overleefde Dachau en Buchenwald en nam zijn familie in 1947 mee terug naar de Sovjetunie. Hij was niet de enige emigrant die zich door fraaie beloftes van Stalin een rad voor de ogen had laten draaien en ook niet de enige die na terugkeer in een kamp belandde. Voor Nikita was de emigratie (in zijn geval dus niet remigratie) naar de Sovjetunie, waar hij in Oeljanovsk kwam te wonen, traumatisch. Zelf werd hij gearresteerd, nadat hij in 1957 in een brief aan de Franse krant Le Monde had geprotesteerd tegen de Sovjet-inval in Hongarije in het jaar ervoor.

Tweemaal Fransman van de Sovjetunie is een verzameling van artikelen, interviews en biografische schetsen. Krivosjein laat onder meer zien hoe er in de tweede helft van de jaren vijftig in de kampen een soort kruisbestuiving plaatsvond tussen vooral vrij jonge politieke gevangenen, die na de dood van Stalin besmet waren geraakt met de hoop op grotere vrijheden. Nuttig om daarbij weer eens te lezen hoeveel Balten en Oekraïners daartussen zaten. Krivosjein doet er vrienden op voor het leven en blijft contact houden met onder meer geestelijken uit de Baltische republieken, die later zullen uitgroeien tot kerkelijke voormannen.       

Krivosjein komt na enkele jaren weer vrij en verdient in de jaren zestig ondanks zijn ‘verdachte’ politieke verleden vrij eenvoudig de kost als vertaler. Wanneer het Kremlin zich in de jaren zeventig wil ontdoen van een aantal lastpakken, krijgt hij het dwingende voorstel om terug te keren naar Franrijk. Hij arriveert in 1971 in Parijs, drie jaar later gevolgd door zijn ouders.

Als simultaantolk, onder andere bij de VN, houdt Krivosjein zich, in tegenstelling tot veel andere emigranten, financieel gezien prima staande. Hij is nauw betrokken bij de Russisch-Orthodoxe kerk en mengt zich in de niet altijd even fraaie richtingenstrijd, waarbij loyaliteit aan Moskou als schandvlek dan wel als verdienste wordt gezien. De Moskouse kerk is volgens hem aan het genezen en nadert het punt waarop zij kan worden gezien als “het verstand, de eer en het geweten van ons tijdperk”. Met die voorspelling zat hij er lelijk naast, gezien de steun die die kerk heeft uitgesproken voor de Russische inval in Oekraïne. En met nog een voorspelling zat Krivosjein mis. Hij meende dat emigratie voortaan alleen nog een economisch karakter zou hebben, de ‘echte’, politiek gedreven emigratie was  volgens hem voorgoed voorbij. De door de oorlog in Oekraïne in gang gezette golf aan Russische landverhuizers, op de vlucht voor mobilisatie en repressie, heeft hij – niet onbegrijpelijk – niet zien aankomen.

De uitgave die ik las stamt uit 2014. Een uitgave uit 2016 is hier te lezen.

———————

En dan is daar Dina Verni (1909-2009), misschien wel de opvallendste emigrant die in Frankrijk belandde, in elk geval de kleurrijkste. Ze kwam al een paar keer voorbij op dit blog, onder meer als vertolkster van Russische kampliedjes, waarmee ze tijdens haar bezoeken aan de USSR (inmiddels als Frans staatsburger) opzien baarde. Door dat laatste, en ook door haar steun aan non-conformistische kunstenaars in de Sovjetunie (ze hielp bijvoorbeeld Michail Sjemjakin het land uit), was ik erg benieuwd naar het boek Дина Верни. История моей жизни, рассказанная Алену Жоберу (Dina Verni. Geschiedenis van mijn leven, verteld aan Alain Jaubert). Helaas, dat viel nogal tegen. Dat zal vooral aan mij liggen; ik was vooral geïnteresseerd in haar bezoeken aan de USSR en haar kennissenkring daar, maar de gesprekken met Jaubert gaan vrijwel uitsluitend over de Franse kunstenaarswereld, waar – als favoriet model van beeldhouwer Aristide Mailloll – alle deuren voor haar openstonden. Wie benieuwd is naar die wereld, moet Verni’s boek zeker ter hand nemen (het verscheen in het Frans onder de titel: Dina Vierny. Histoire de ma vie racontée à Alain Jaubert). Bekijk onderstaand filmpje en u begrijpt waarom ik dolgraag meer over haar Russische kant had willen lezen. Dina zingt het kamplied Nachtmerries. (De indruk wordt gewekt dat zij zichzelf hier op gitaar begeleidt, maar dat is niet zo):

————————

In deze serie recensies en/of korte notities komen boeken aan bod die betrekking hebben op Rusland en de Sovjetunie in de 20ste eeuw. Misschien helpen ze het huidige Rusland beter te begrijpen. Waar ik nadrukkelijk aan toevoeg dat begrijpen iets anders is dan begrip hebben voor.

—————————